Gebruikers


Grytolle

Hej
  • Geregistreerd op: 26 januari 2009
  • Blogberichten: 6
  • Reacties: 64
  • Forumberichten: 845


Recentste forumberichten van Grytolle


in: Algemene Vlaamse woorden (Vlaamse woordeschat)
29 juli 2010, 23:12
Grytolle
oh, en ik zien er zeer naar uit om uw grammaticale opmerkingen door te nemen wanneer die stillekes aan opduiken :)

in: Algemene Vlaamse woorden (Vlaamse woordeschat)
29 juli 2010, 22:51
Grytolle
Jan Van Overal (29 juli 2010, 15:56)
dan zallek zeker mijn licht ne keer laten schijnen op de grammatica. Ik ben toch blij dat ge inderdaad zegt dat er een soort comité komt voor die dingen. Maar ge moet toch oppassen, want menig Vlaming is af en toe wel eens gefrustreerd om te horen/te zien dat als men het over Vlaams heeft, er voornamelijk Brabants bedoeld wordt. Het zou jammer zijn moesten mensen dit prachtig initiatief voorbijgaan, omdat ze den indruk krijgen da't ier weer om een soort veredelst Antwerps gaat. Misschien toch opletten met de "onbelangrijke" woordenlijst.
e goe punt

De lijst is verre van volledig en bevat ongetwijfeld woorden die er niet in thuis horen. Uw commentaren zijn meer dan welkom op het Woordenschat-forum.

dit zou der dus mee uitgebreid kunnen worden da de lijst voor de moment ev. een beke te veel Brabants bevat, gewoon omda we vrijwel geen hulp van elders hebben gekregen

Wat de "eê" betreft kan ik u gelijk geven. Maar ik kan zeggen dat de "oô" klank die bedoeld wordt in mijn ogen al voor een groot deel niet bestaat in de Westelijke en Noordelijke dialecten van Oost-Vlaanderen. De -o kent daar niet de standaardklank van het AN, maar 't is ook geen diftong (wat - als ik het goed begrepen heb - wel aangetoond wordt met "oô").
 
Wat wel een feit is, is dat die dialecten een diftong kennen in de -u klank.
- gruuët, buuëm, ...
 
Gent (onder invloed van het Brussels) kent bijna geen enkele diftong meer.
 
- een beest: een biest
- groot: gruut
 
De (poging tot) mooie Nederlandse klank -oo resulteert dan meestal in een -o klank achter in de keel, die meer op "grot" lijkt dan op "groot".
Wat Gent betreft kan gezegd worden dat het vaak iets meer wegheeft van "groowt", met een zéér zachte -w.
Vonde 't dus ni duidelijk genoeg da 't om nen dialectklank ging die in verschillende dialecten verschillend klinkt, maar wel bijna overal word onderscheiden?

Maar ik heb nog een vraag ivm de drijvende kracht achter de "websaajt" ;).
Wie is dat? En welke hulp kreeg hij of zij tot nog toe en uit welke streek?
Op deze moment wor et meeste werk gedaan door nen Antwerpenaar (Krommenaas), dieje vooral feedback krijgd van ne Zweed (mij) en nog nen Antwerpenaar (Diederik), diejen onzen dialectexpert is - maar dan ("helaas") toegespitst op de Brabantse.

Verdere bronnen voor de grammaticale vergelijkingen zijn dialectbeschrijvingen (DBNL + MAND + de boeken Taal in Stad & Land) en de West-Vlaamse wikipedia.

Iet wa de credibiliteit van de site mss zou kunnen verhogen is om de grammatica meh bronnen en kaarten te staven (da kan in de meeste verbuigingsvragen moeiteloos, bvb om aan te tonen of "ne[n]" al dan ni algemeen is). Ik heb onlangs e paar geschikte kaarten op 't forum gepost

Gegroet.
Welkom :)

in: Aanwijzende voornaamwoorden (Vlaamse spelling en grammatica)
23 juli 2010, 13:41
Grytolle
zelfst. deze
In Oostvlaanderen zagen wij, dat bij het bijvoeglijk gebruik dees de vorm was voor het vrouwelijk. Maar dit dees verdwijnt weer bij zelfstandig gebruik, om plaats te maken voor deze; men krijgt nu dezelfde isoglosse als voor de mijne: dus ten Westen van de lijn: Kloosterzande, St. Gilles Waes, Dendermonde, Geeraardsbergen zegt men: de deze in het vrouwelijk; ten Oosten daarvan: de dees. De conclusie is dus, dat de deze in het mannelijk en vrouwelijk volkomen aansluit bij de mijne. Voor het onzijdig gebruikt men denzelfden vorm als voor het bijvoeglijk gebruik, dus dĭ, dit of 't dees, maar dikwijls versterkt door ĕ of n-achtervoeging: dit laatste vooral in den Noord-Oosthoek van ons land.

in: Aanwijzende voornaamwoorden (Vlaamse spelling en grammatica)
23 juli 2010, 13:35
Grytolle

Als ik 't goe lees:
Limburg: dee, die dat
Brabant/Antwerpen: den dieë, de die, dat
Z-Brabant: den dane, de dei, dat
O-Ovl: den dieën, de dieë, dat
W-Ovl: den dienen, de dieë, dat
Wvl: den dien, de die, dat

In het Zuiden zien wij dan overal de drie geslachten optreden. West- en Oost-Vlaanderen hebben weer het mannelijk genus gemarkeerd door n-aanvoeging. In West-Vlaanderen is de grondvorm die, dus daar krijgt men nu naast elkaar: mannelijk: den dien, vrouwelijk: de die, onzijdig: dat. Oost-Vlaanderen valt in twee gebieden uiteen: het Westen geeft, zooals wij bij het adjectivische die zagen, het mannelijk dubbel aan: diene, en heeft nu hier ook een dubbele mannelijkheidsaanduiding: dus naast elkaar: den dienen, de dieje, dat4). In St. Gilles Waes, Beveren, St. Nicolaas zegt men inplaats van den diejen: den dēn.


in: Bezittelijke voornaamwoorden (Vlaamse spelling en grammatica)
23 juli 2010, 13:32
Grytolle
http://dbnl.org/tekst/_taa011193801_01/_taa011193801_01_0025.php



In Zeeuwsch Vlaanderen begint echter weer het regelmatige genus-onderscheid voor de drie geslachten.

Voor het mannelijk kloppen de grenzen volkomen: onze kaart lijkt wel een copie van die voor het bijvoeglijk naamwoord. Ook het vrouwelijk geeft niet veel verrassing: alleen is de grens tusschen de mijn en de mijne iets naar het Westen verschoven: hier loopt die grens n.l. ten Oosten van Everbeke, Geeraardsbergen, Vlierzele, Wetteren, Zele, St. Nicolaas, Stekene, Axel. In het neutrum is echter een belangrijk verschil: in plaats van het mijn, dat wij overal zouden verwachten, heeft hier bijna heel Oost- en West-Vlaanderen: 't mijne, en het sluit daarbij aan bij het overgroote gebied in Holland, dat overal de zelfde rolverdeeling heeft. De grens loopt in Vlaanderen precies gelijk met de apocopeeringsgrens: de twee vormen zullen elkaar dus wel hebben beïnvloed; in Vlaanderen heeft men dus: mann. den mijnen: vr. de mijne, onz. 't mijne. In de rest van 't apocopeeringsgebied - (dat dezen keer heel Noordbrabant bevat, - den Klundertschen hoek inbegrepen en tot Groesbeek in Gelderland reikt): de mijne, de mijn, 't mijn. In het Oosten hebben wij natuurlijk weer accentverschil tusschen de mijn en 't mijn, waardoor een drie-geslachten-onderscheid ontstaat, in Limburg nog sterker geaccentueerd als de mijne, de mijn, 't mijnt.


Opmerking verdienen nog de vormen te mijnent, te zijnent, bij mij of bij hem aan huis, die in heel veel dialecten nog blijken voor te komen. In Stekene, St. Gillis Waes en in Zele komen zij nog voor als tot mijnent, juist als Middelnederl. tot mijnent, waardoor nog eens wordt bevestigd, dat de schrijfwijze te mijnent, te onzent, waarschijnlijk ouder is dan de anticipatie ten mijnent, ten onzent. Van de andere uitdrukkingen moeten vermeld worden: te meines in het Zuiden van Belgisch Limburg (Zoutleeuw en Hasselt) en de contaminatie-vorm: te mijnest in Oostham en Beeringen. Voor te hunnent heeft Limburg: te hunnes (Zoutleeuw, Glabbeek, Hasselt, Peer) en te hunnest (in de plaatsen ten Westen en Noorden daarvan: Boutersen, Lubbeek, St. Joris-Winghe, Beeringen, Tessenderloo, Oostham) en 't ölders (in heel West-Vlaanderen en een stuk van Oost-Vlaanderen). Hoe is hier echter die s te verklaren? Is het een genitief-s of een accusatief-s, die er later bijgekomen is, evenals in ‘van Mietjes’ in Noord-Brabant ook een accusatief-s zit, zooals wij later zullen zien? De onbewuste vergelijking met het Engelsch: at Johnson's, at Miller's enz. zou zeker de verklaring suggereeren: 't ölders, te mines enz. beteekenen niets anders dan: ‘te mijnen huize’, zooals ook te mijnent altijd wordt verklaard. Maar waar komt hier dan ineens die genitief vandaan? ‘te mijn’ zou immers al even duidelijk zijn, en is bovendien van huis uit zelf een genitief. Voor de tweede verklaring is meer te zeggen: dat de oorspronkelijke genitief-s tot accusatief-s wordt, is al in het Middelnederlandsch geen zeldzaamheid, en ook in de tegenwoordige dialecten komt het nogal eens voor, zooals wij verderop nog zullen zien.


Opm. II: Evenals bij 't klein als zelfstandig adjectief tegenover bijvoeglijk klei in het onzijdig, treedt hier weer 't mijn op tegenover mij kind. De oude genitief-n schijnt dus gevoeld te worden als een middel om iets zelfstandig te maken, zooals op de Zeeuwsche eilanden ook heel duidelijk uitkomt. Dit herinnert weer aan het Engelsche mine tegenover my: my father, my uncle, it is mine. Ook daar heeft men de n, die oorspronkelijk een phonetisch verschijnsel was, juist als a father tegenover an uncle, gevoeld als functiedrager: zij kan van bijvoeglijke woorden zelfstandige maken. Een aardig bewijs daarvoor hebben we hierin, dat zij in ‘vulgar speech’ achter woorden gezet wordt, waar zij oorspronkelijk heelemaal niet thuis hoort, om ze te onderscheiden van bijvoeglijke: zoo hebben wij in attributief gebruik: his father, her uncle, your bike, their parents, maar in predicatief gebruik: it is his'n, hern, yourn, theirn: He that prigs what is'nt hisn, when he 's cotched is sent to prison. She that prigs what is'nt hern at the treadmill takes a turn. Zoo zal ook de t van 't zijnt wel moeten verklaard worden, evenals b.v. de vorm rood (zelfstandig) tegenover roo, (neutr.-sing. adj.) die ook in een groot deel van Zuid-Nederland verspreid is. Men denke verder aan ‘'t is nieuwt’ dat over heel Nederland is verspreid.