Bezittelijke voornaamwoorden
30 augustus 2009, 22:41
VlaamseTaal.bot
Dezen draad is aangemaakt voor discussie over het artikel Bezittelijke voornaamwoorden. Deze discussie wier eêrder gevoerd in dezen draad.
30 augustus 2009, 22:49
Krommenaas
stammen:

mijn/m'n
uw
zijn/z'n
haar (heur vermelden)
ons
ullle(n), ulder
hun

verbuiging: alternatieve verbuiging voor allemaal (-e[n] in mannelijk enkelvoud, voor de rest geen uitgangen). bij ulle(n) is het wad anders door de sterken uitgang van de stam zelf: in 't mannelijk enkelvoud is het -e[n] en ni -e(n)e[n] uiteraard.
30 augustus 2009, 22:58
Grytolle
klinkt goed!
31 augustus 2009, 22:50
Krommenaas
klaar, nog voorbeelden toe te voegen
1 september 2009, 15:59
Krommenaas
klaar
14 september 2009, 19:01
Grytolle

14 september 2009, 20:09
Krommenaas
onze wa? en wa beteken et als hele provincies blauw zien?
14 september 2009, 20:19
Grytolle
oei, da was vrouwelijk ons, meer bepaald het lemma "onze geit"
ik ben lui geweest, dus hêlemaal blauw betêkend da 't overal "ons" is behalve op d'aangeduide plekskes (waaraan ik weinig waarde zou hechten behalve da eên in Zuidoôstelijk West-Vl).. roôs = altijd onze
25 februari 2010, 18:20
Grytolle
den hêle lijst meh bij uitzondering onzijdige bezittelijke veurnaamwoorden veur 't Brussels:

bompa, pa, poepa, pait, breu, schuumbreu, kozaain, menoenkel, peiter
...vader word ni genoemd in den boek maar 't zal er mss toch toe behôren?

oôk nog: (!)
ma, moema, matant, meiter, zuster, schuunzuster
25 februari 2010, 19:13
Grytolle
die vruwelijke op m- lijken mij wel wa twijfelachtig.. da moet dan heel subtiel zijn en veronderstald da 't brussels et vrouwelijke -ne (mijne schone) altijd als [n] realiseerd, zonder assimilatie voor m, k, b etc

...of mss zichtbaar als ge een bijvoegelijk naamwoord ertussen zet?
25 februari 2010, 20:21
Grytolle
Limburgs: http://www.limburgsedialecten.nl/upload/176/Dols%20Iets%20over%20Limb%20A4.pdf
Het bijzondere van het Limburgsch bestaat pas in een zekere afwijking van dit
vormensysteem door een bepaalde groep van woorden, die hoewel ze overigens vrouwelijk of
mannelijk zijn, nochtans den onzijdigen vorm van het bezittelijk voornaamwoord bij zich
kunnen hebben. Deze groep bestaat uit de woorden vader, moder, zöster, broor en sjwaoger,
dus verwantschapsnamen op -er (broor < broder).

[...]

ook schoonvader schoonmoeder schoonzuster
dochter ni

neef en nonk (=nonkel)

met bn dertussen: z'n kranke moeder, z'ne kranke vader etc


Oost-Vlaams alleen maar vader en broer
23 juli 2010, 13:32
Grytolle
http://dbnl.org/tekst/_taa011193801_01/_taa011193801_01_0025.php



In Zeeuwsch Vlaanderen begint echter weer het regelmatige genus-onderscheid voor de drie geslachten.

Voor het mannelijk kloppen de grenzen volkomen: onze kaart lijkt wel een copie van die voor het bijvoeglijk naamwoord. Ook het vrouwelijk geeft niet veel verrassing: alleen is de grens tusschen de mijn en de mijne iets naar het Westen verschoven: hier loopt die grens n.l. ten Oosten van Everbeke, Geeraardsbergen, Vlierzele, Wetteren, Zele, St. Nicolaas, Stekene, Axel. In het neutrum is echter een belangrijk verschil: in plaats van het mijn, dat wij overal zouden verwachten, heeft hier bijna heel Oost- en West-Vlaanderen: 't mijne, en het sluit daarbij aan bij het overgroote gebied in Holland, dat overal de zelfde rolverdeeling heeft. De grens loopt in Vlaanderen precies gelijk met de apocopeeringsgrens: de twee vormen zullen elkaar dus wel hebben beïnvloed; in Vlaanderen heeft men dus: mann. den mijnen: vr. de mijne, onz. 't mijne. In de rest van 't apocopeeringsgebied - (dat dezen keer heel Noordbrabant bevat, - den Klundertschen hoek inbegrepen en tot Groesbeek in Gelderland reikt): de mijne, de mijn, 't mijn. In het Oosten hebben wij natuurlijk weer accentverschil tusschen de mijn en 't mijn, waardoor een drie-geslachten-onderscheid ontstaat, in Limburg nog sterker geaccentueerd als de mijne, de mijn, 't mijnt.


Opmerking verdienen nog de vormen te mijnent, te zijnent, bij mij of bij hem aan huis, die in heel veel dialecten nog blijken voor te komen. In Stekene, St. Gillis Waes en in Zele komen zij nog voor als tot mijnent, juist als Middelnederl. tot mijnent, waardoor nog eens wordt bevestigd, dat de schrijfwijze te mijnent, te onzent, waarschijnlijk ouder is dan de anticipatie ten mijnent, ten onzent. Van de andere uitdrukkingen moeten vermeld worden: te meines in het Zuiden van Belgisch Limburg (Zoutleeuw en Hasselt) en de contaminatie-vorm: te mijnest in Oostham en Beeringen. Voor te hunnent heeft Limburg: te hunnes (Zoutleeuw, Glabbeek, Hasselt, Peer) en te hunnest (in de plaatsen ten Westen en Noorden daarvan: Boutersen, Lubbeek, St. Joris-Winghe, Beeringen, Tessenderloo, Oostham) en 't ölders (in heel West-Vlaanderen en een stuk van Oost-Vlaanderen). Hoe is hier echter die s te verklaren? Is het een genitief-s of een accusatief-s, die er later bijgekomen is, evenals in ‘van Mietjes’ in Noord-Brabant ook een accusatief-s zit, zooals wij later zullen zien? De onbewuste vergelijking met het Engelsch: at Johnson's, at Miller's enz. zou zeker de verklaring suggereeren: 't ölders, te mines enz. beteekenen niets anders dan: ‘te mijnen huize’, zooals ook te mijnent altijd wordt verklaard. Maar waar komt hier dan ineens die genitief vandaan? ‘te mijn’ zou immers al even duidelijk zijn, en is bovendien van huis uit zelf een genitief. Voor de tweede verklaring is meer te zeggen: dat de oorspronkelijke genitief-s tot accusatief-s wordt, is al in het Middelnederlandsch geen zeldzaamheid, en ook in de tegenwoordige dialecten komt het nogal eens voor, zooals wij verderop nog zullen zien.


Opm. II: Evenals bij 't klein als zelfstandig adjectief tegenover bijvoeglijk klei in het onzijdig, treedt hier weer 't mijn op tegenover mij kind. De oude genitief-n schijnt dus gevoeld te worden als een middel om iets zelfstandig te maken, zooals op de Zeeuwsche eilanden ook heel duidelijk uitkomt. Dit herinnert weer aan het Engelsche mine tegenover my: my father, my uncle, it is mine. Ook daar heeft men de n, die oorspronkelijk een phonetisch verschijnsel was, juist als a father tegenover an uncle, gevoeld als functiedrager: zij kan van bijvoeglijke woorden zelfstandige maken. Een aardig bewijs daarvoor hebben we hierin, dat zij in ‘vulgar speech’ achter woorden gezet wordt, waar zij oorspronkelijk heelemaal niet thuis hoort, om ze te onderscheiden van bijvoeglijke: zoo hebben wij in attributief gebruik: his father, her uncle, your bike, their parents, maar in predicatief gebruik: it is his'n, hern, yourn, theirn: He that prigs what is'nt hisn, when he 's cotched is sent to prison. She that prigs what is'nt hern at the treadmill takes a turn. Zoo zal ook de t van 't zijnt wel moeten verklaard worden, evenals b.v. de vorm rood (zelfstandig) tegenover roo, (neutr.-sing. adj.) die ook in een groot deel van Zuid-Nederland verspreid is. Men denke verder aan ‘'t is nieuwt’ dat over heel Nederland is verspreid.