Limburgs
Voorlopig is dit alleen maar een verzameling links naar online informatie
- Het lemma in het woordenboek van de Limburgse dialecten, H. Crompvoets (1991): http://dbnl.org/tekst/crom005lemm01_01/
- Dialecten in Belgisch Limburg, J. Leenen (1991): http://dbnl.org/tekst/leen008dial01_01/
- De evolutie van de woordenschat in het Hasselts dialect, Stefan Minten (1987): http://dbnl.org/tekst/mint001evol01_01/mint001evol01_01_0001.php
- De rijksgrens tussen beide Limburgen als taalgrens, José Cajot (1977): http://dbnl.org/tekst/cajo001rijk01_01/cajo001rijk01_01_0001.php
- Een phonologisch probleem der Limburgsche dialecten (1940): http://dbnl.org/tekst/_taa011194001_01/_taa011194001_01_0020.php
Sint Truiden: http://dbnl.org/tekst/will028belg08_01/will028belg08_01_0018.php
aanschaffen:
Het Dialect van Tongeren. Eene phonetisch-historische studie
Zuidlimburgsch Idioticon
Idioticon van het St. Truidensch
artis dierenarts < W. årtisse
bat de zondagmarkt in luik < W bate
boef gelijkspel < W. bouf
-> boeffen → gelijk spelen
bottie marktkramer, inwoner van tongeren < W. botî
fâredzjieje plagen, pesten, iem uit zn vel doen springen < W. fé arèdjî (Fr. faire enrager)
foetele vals spelen < W. foûteler
foor < W. fôre
hakotie/halketie minderwaardige handelaar/werkman → onbekwaam, achteloos persoon < W. halcotî
hapsjaar < W. hape-chår: gierigaard
kabas knikker → teelbal < W. cabosse
koekdenang, soort gebak < coûke di Dinant
koekerel drijftol < W. coquerelle, cocrale
korslee keurslijf, korset < W. coûrslèt
tjes hoofd < W. tièsse, tchèsse
ambras
appelkitsj
gedoens = overbodig/omstandig gedoe
göbbele = braken
jan, piet en klaos = iedereen
kalle
lampét = porceleinen waskan
neule = klagen/zeuren
pitse = nijpen
pongel = bijeengebonden kleren, draagzak
sjörge = schuiven, sleuren
ömmes = iemand
Inhoudstafel