Algemeen Vlaams

Deze site is nog in vollen opbouw. Den boomstructuur hieronder word geleidelijk uitgebouwd op basis van onze discussies in de forums - komd gerust meediscussiëren!
I. Beschouwingen
II. Spelling en uitspraak
III. Grammatica
IV. Woordenschat
V. Teksten

Blogs over Vlaamse taal

Ga naar den blog van

Waarom stoom aflaten afloopt met een sisser

Blogbericht van stijfvreter | Dinsdag 30 november 2010

Dit zal sommige romantici teleurstellen: op zich is er helemaal niets 'tegennatuurlijks' om zich de normen van de standaardtaal eigen te maken, net zoals er omgekeerd niets diepmenselijks aan de dialecten is dat daardoor verloren dreigt te gaan.

Dat verdient enige extra aandacht omdat het in de vorige berichten steeds over constitutieve versus regulatieve regels is gegaan die gelinkt zijn aan respectievelijk de primaire en de secundaire socialisatie. Daaruit zou nu de indruk kunnen rijzen dat het hier uiteindelijk om niet veel anders draait dan een simpele variant op Freuds psychoanalytische model van de interiorisering van de Wet - als Jood was Freud geïnspireerd door de Mozaïsche Traditie en heeft daar ook een boek over geschreven: De man Mozes en de monotheïstische religie (1939) - om onze impulsieve driften te beteugelen. Volgens Freud moeten we dat doen om sociabele wezens te worden, maar diep vanbinnen blijft elk van ons zo een drukketel onder stoom die constant op springen staat (en dan komt het beest in ons naar boven), en eigenlijk zouden we dat, als we heel eerlijk zijn, zo nu en dan ook best wel willen doen. De Wet is voor Freud met andere woorden een noodzakelijk kwaad: het liefst van al deden we het zonder, en dan zouden we een paradijselijke gelukzaligheid ervaren, maar hier in het hedendaagse aardse tranendal kunnen we er nu eenmaal niet buiten.

 

De vermelding van het Gevangenedilemma in het vorige bericht is net bedoeld om aan te geven dat dit beeld schromelijk overdreven is. Normen en regels staan namelijk níet per se haaks op onze 'menselijke natuur', wat Rousseau, die achttiende-eeuwse voorloper van Freud, daar ook over moge beweren: soms kan het ook zo zijn dat we zelf regels willen. Het is net de politieke filosoof Thomas Hobbes die daar in zijn boek Leviathan (1651) 250 jaar vóór Freud op gewezen heeft. In een toestand waar er niets zeker is en waar je veiligheid op het spel staat kan het op zijn minst 'handig' zijn - en dat is nog zacht uitgedrukt - als er een stel normen is die zeggen hoe het één en ander moet verlopen. Hobbes ging uit van een bestaan dat - om zijn eigen beeldrijke taal nog maar eens te citeren - "lonely, poor, nasty, brutish, and short" is, waarin iedereen potentieel een wolf voor de anderen is (en vice versa), en daaruit leidde hij af dat het alleen maar 'nuttig' is als het gereguleerd is wat iedereen hoort te doen. De illustratie hiervan - voor de tigste keer - is het in de sociologie klassieke voorbeeld van de manier waarop coördinatieve en/of coöperatieve actie ontstaat, met name het probleem van voedselverdeling: stel, dat we met enkele individuen in een groep samenleven, en dat er ergens een voedselbron opgedoken wordt. Onze eerste reflex zou zijn om zo snel mogelijk een zo groot mogelijk deel van die voedselbron te bemachtigen met als gevolg dat dit onder de individuen uitloopt op een huizenhoog conflict: degenen die er namelijk het eerst bij aankomen, zouden bijvoorbeeld een onevenredig groot deel kunnen inpalmen en eventueel zelfs de hele voedselbron monopoliseren, zodat degenen die later zijn zich opeens voor het voldongen feit geplaatst zien dat ze van die eersten totaal afhankelijk zijn (en het risico lopen om uitgebuit te worden). Omdat van die laatsten verwacht mag worden dat ze zich daar niet zomaar bij zullen neerleggen, zal er bijgevolg een heuse beroering ontstaan over wie nu recht heeft op welk deel, en uiteindelijk is iedereen misschien meer bezig om ruzie te maken dan zich daadwerkelijk van de voedselbron te bedienen. Chaos alom, en in die situatie kan een prescriptieve regel, die zegt hoe we ons allemaal moeten gedragen, de welkome oplossing zijn, en over het algemeen zullen we er daarom ook geen wezenlijke meerwaarde in zien om die regel te doorbreken. Dat zou de anderen alleen maar aanzetten om net hetzelfde te doen, en zo zouden we gewoon terug belanden in de situatie die we precies wilden voorkomen. De regel is kortom in ons eigenbelang, dus vormt de naleving ervan niet echt probleem.

 

Tegelijk maakt dit ook duidelijk wat op de keper beschouwd het criterium is waarom we (regulatieve) regels navolgen:

 

We houden ons aan een regel als dat in ons voordeel is.

 

Met de regels van de standaardtaal is het net zo gesteld: ook m.b.t. taalnormen kunnen we ernaar streven om ze over te nemen als ons dat iets oplevert. Om dat te begrijpen, moeten we bedenken dat het dialectrijke Vlaanderen tot aan de Tweede Wereldoorlog een in hoofdzaak achtergestelde, weinig ontwikkelde, grotendeels agrarische regio was - met in Oost-Vlaanderen en in Limburg een beetje industrie, maar ook daar behoorden de Vlamingen veeleer tot de arbeidersklasse dan het patronaat. De Vlaming leefde - om een notie uit een heel oud bericht op deze blog opnieuw te gebruiken - in een Gemeinschaft van dorpelingen onder de plaatselijke kerktoren. In die omstandigheden is het niet zo verwonderlijk dat er een roep om een standaardtaal komt, die dan ook massaal te horen viel: dat is namelijk een symbool van prestige, zeker als in de omringende landen met een geëmancipeerde burgerij (die zich uitdrukt in de standaardtaal) alle politiek indringende beslissingen genomen worden die de geschiedenis van Europa tijdens de negentiende en twintigste eeuw zo doortastend vorm hebben gegeven. Nu kan je Vlaanderen weliswaar romantiseren als een schatkamer van lokale cultuur, waar alles nog eenvoudig is gebleven, maar als dat betekent dat je de gebeurtenissen op hoog niveau alleen maar passief moet ondergaan, dan is dat op de keper beschouwd maar een schrale troost (vooral aangezien België en Vlaanderen van Napoleon vs. de Duke of Wellington tot Nazi-Duitsland vs. de Geallieerden nogal vaak het slagveld is geweest van de politieke conflicten die tussen de Europese mogendheden bedisseld werden). Daarom is het perfect begrijpelijk dat de Vlamingen op een bepaald moment een standaardtaal over zijn beginnen te nemen: dat werd namelijk helemaal niet als verdrukkend, maar integendeel als juist bevrijdend beschouwd.

 

Hoe gek in wezen de redenering is om een standaardtaal als intrinsiek 'volksvreemd' te zien wordt duidelijk als we de vergelijking maken met de hedendaagse globaliserende (of 'mondialiserende', hoewel in Vlaanderen het eerste woord volkomen geaccepteerd is) samenleving. Wat vroeger de standaardtaal was voor gebruik in de publieke sfeer - de Gesellschaft - komt vandaag de dag in onze mondiaal éénwordende wereld overeen met het Engels (toch in onze Westerse landen). Analoog nemen de huidige nationale standaardtalen zoals het Standaardfrans, StandaardDuits, StandaardNederlands, enz. op mondiaal niveau variationeel dezelfde positie in als vanouds de dialecten. Toch hoor je niemand tegen het Wereldengels fulmineren als zou het enkel maar een artificiële, steriele variëteit zijn die louter de distinctiestrijd dient van een elitaire kaste, en verder iedereen maar belemmert om zijn ware gevoelens en identiteit uit te drukken. Niemand stipuleert de eis om de andere talen dan het Engels tot gelijke status als die van het Engels te eleveren, zodat uit respect voor ieders eigenheid bijvoorbeeld voortaan alle communicatie maar simultaan in alle talen moet gebeuren (waardoor vertaler/tolk plots het belangrijkste beroep ter wereld zou worden). Integendeel, het is net erg praktisch dat er voor internationale informatie-uitwisseling een enkelvoudige, uniforme taal bestaat waarin al het belangrijke gecommuniceerd kan worden; en 'praktisch' is hier trouwens wel het geijkte woord, omdat het blootlegt dat eentaligheid en/of standaardtaligheid in de eerste plaats vooral een nuchtere handigheid is. De meesten van ons beschouwen het Engels dan ook als een onmiskenbare aanwinst naast de beheersing van onze moederta(a)l(en), en niemand maalt erom om de positie van het Engels ter discussie te stellen.

 

Dat verdrukkende, beklemmende karakter is dus geen inherente eigenschap van standaardtalen en/of normen, zoals in de Freudiaanse interpretatie, maar het ziet er eerder naar uit dat die gevoelsassociatie het gevolg is van de concrete socio-historische omstandigheden waarin mensen moeten leven. Het gaat, om het in één woord samen te vatten, om de marktwaarde van een taalvariëteit die bepaalt hoe individuen zich ertoe verhouden: is die hoog, dan is de evaluatieve beoordeling bij de sprekers positief; is die daarentegen laag, dan is de beoordeling negatief, en dat vertaalt zich dan in gevoelens van resistentie. De attitude tegenover standaardtalen is echter nooit noodzakelijk negatief, en ze zal postief zijn als er iets met de standaardtaal te winnen valt. Omgekeerd betekent dat evenwel dat de attitude negatief zal zijn, als de standaardtaal uiteindelijk geen wezenlijke winst (meer) boekt - en laat dat nu de verklaring zijn (voor wie er nog steeds in geïnteresseerd is) van de opkomst van het Verkavelingsvlaams.

 

Een redenering die mij aan 't Vlaams deed denken

Blogbericht van Grytolle | Woensdag 3 november 2010

Bron: Taalprof: Taalergernis is een mythe

 

Vervolgens kun je constateren dat de grootste zogenaamde taalergernissen verrassend stabiel zijn (ik heb zoiets van, hun hebben, zeg maar, meest, je ding (doen of zijn), een stukje, een soort van, het rijtje is niet eens zo lang). De meeste populaire taalergernissen hebben die status al heel lang. Je houdt ze alleen buiten een verkiezing door ze bewust niet te nomineren.

 

Wat betekent dat? Dat wijst erop dat er blijkbaar een gewoonteeffect in die zogenaamde ergernis zit: mensen zeggen dat ze vinden dat bepaalde woorden of uitdrukkingen ergerlijk zijn omdat het gewoon is om dat te vinden. Met name omdat er bij ergernissen geen actieve tegenbeweging is, zijn mensen snel bang om uit de boot te vallen als ze toegeven dat ze al die verwerpelijke woorden of uitdrukkingen best wel aardig of handig vinden.

 

Klopt toch heêl goe' voôr zowad elke Vlaamsen taalvorm dieën "officieel" afgekeurd word?

 

Brokstuk twee: macht

Blogbericht van stijfvreter | Zaterdag 30 oktober 2010

En nu de hamvraag: waarom zouden we regulatieve regels überhaupt navolgen? Zoals in de vorige berichten uitgelegd werd, zijn regulatieve regels intrinsiek bedoeld om in te gaan tegen onze primaire constitutieve conventies. Maar dat creëert op de keper beschouwd eerder een probleem dan dat het er één oplost: waarom moeten we ons namelijk eerst habituele regels eigen maken om die vervolgens weer gedeeltelijk aan te passen? Waarom zijn de regulatieve en constitutieve regels niet gewoon dezelfde? Het hele probleem is met andere woorden van theoretische aard: je kan wel mooi een onderscheid maken tussen constitutieve en regulatieve regels en dat linken aan de primaire en respectievelijk secundaire socialisatie, maar dat verduidelijkt nog niet waarom dat onderscheid überhaupt bestáát. Eigenlijk zijn het rare jongens, die regulatieve regels!

 

Het aanleren van regels die onze spontane, natuurlijke neigingen bedwingen heeft dan ook al veelvuldig aanleiding gegeven tot bespiegelingen over de 'condition humaine'. Freud stelde bijvoorbeeld normen en wetten gelijk met het Super-Ego dat we interioriseren om onze impulsieve driften (het Id) in te tomen. Sindsdien is Freuds - nogal Rousseauiaanse - beeld van de menselijke psyche als een 'ketel onder druk' vaak aangehaald om duiding te geven aan onze cultuur. Dat is niet alleen het geval voor bijvoorbeeld de leden van de Frankfurtse School in hun veelzijdige beschouwingen over de hedendaagse 'vervreemding', maar ook voor Norbert Elias die zijn 'proces van civilisering' (als ontwikkeling van beschaafde omgangsvormen) uitdrukkelijk opvat als de verwerving van een Super-Ego.

 

Toch zijn regulatieve regels bij nader inzien niet zo onaards vreemd. Er zijn namelijk voorbeelden te bedenken waar de regulatieve regel zich voordoet als het voor de hand liggende antwoord op de situatie zelf. Een typesituatie is die waarin de optelsom van onze individuele handelingen collectief tot een minder aantrekkelijk resultaat leidt. Dat staat ook nog wel bekend onder de naam van het Gevangenedilemma. Stel, bijvoorbeeld, dat we ons met z'n allen in een kamer bevinden met maar één smalle deur, en dat er in de kamer brand uitbreekt. Onze instinctieve, spontane actie zou zijn om allemaal samen naar de deur te stormen in de individuele hoop om zo snel mogelijk uit de kamer te geraken. Echter, daarmee zou aan de deur een gedrum van jewelste ontstaan zodat niemand meer een stap vooruit komt, waardoor de kans gevoelig verhoogt dat sommigen van ons aan een gruwelijk einde komen. Er is dan een regulatieve nodig die ons vertelt hoe we ons zouden moeten gedragen tegen onze natuurlijke spontane reactie in. Of om een voorbeeld met verkeersregels te nemen, de meest prototypische representant van regulatieve regels: je kan het bij rijgedrag niet aan iedereen afzonderlijk overlaten om maar te bepalen hoe ze van het snelste van punt A naar punt B kunnen komen, want dan gebeuren er geheid verkeersongelukken. Het enige om dat te voorkomen zijn simpele regulatieve regels zoals de voorrang-van-rechtsregel.

 

Het kenmerkende aan deze voorbeelden, en dit is cruciaal, is dat de regulatieve regel hier in het eigenbelang is van de individuen - waarmee de romantische illusie gelogenstraft wordt als zouden regels en regulering per definitie alleen maar haaks kunnen staan op de zogenaamd natuurlijke spontaneïteit van onze primaire disposities (een illusie die trouwens nogal wat linguïsten koesteren met betrekking tot de relatie tussen de 'artificiële' standaardtaal en het 'authentieke' dialect). Het geeft meteen ook aan wat de intrinsieke oorsprong is van regulatieve regels: dat zijn met name sociale verbanden. Regulatieve regels 'ontstaan' doordat meerdere individuen met elkaar moeten samenleven. Elk individu kan namelijk niet langer als een zelfbesloten einzelgänger door het leven blijven stappen, maar zal vroeg of laat de andere(n) nodig hebben, al is het maar voor zijn eigen bestaansonderhoud. Daarmee is gelijk het fundamentele mechanisme achter de vorming van sociale verbanden geschetst: het is de eigen behoeftigheid die individuen 'drijft' tot collectieve actie met de anderen. Nu bergt samenleven evenwel potentieel conflictsituaties in zich, omdat het belang van het ene individu soms nu eenmaal regelrecht kan indruisen tegen dat van het andere individu. In dat geval kunnen regulatieve regels helpen zodat het conflict niet in een totale catastrofe zou ontaarden waarbij geen van de partijen krijgt wat het eerst nog beoogde. Regulatieve regels beantwoorden op die manier aan een behoefte.

 

Tegelijk geeft dat evenwel aan dat naleving van regulatieve regels toch niet zo vanzelfsprekend is. Dat legt dan een belangrijke eigenschap van regulatieve regels bloot: hun inherente volatiliteit. Een individu mag zich namelijk wel door een regulatieve regel laten leiden voor zover dat in zijn eigenbelang is, maar als puntje bij paaltje komt weerhoudt niets hem er eigenlijk van - behalve dan de regulatieve regel zelf - om de regel te doorbreken en zelf zijn onafhankelijke gang te gaan als navolging niet langer de belofte in zich draagt om nog wezenlijk voordeel op te leveren. In de kamer met de brand kan degene die wel voorkruipt terwijl alle anderen ordelijk hun beurt afwachten vlugger bij de uitgang geraken en zo het gevaar voor eigen leden sterk doen dalen. In de verkeersituatie kan degene die af en toe eens door het rode licht rijdt sneller op zijn bestemming geraken dan de andere automobilisten, die er verhoudingsgewijs langer over zullen doen. De term voor dit soort gedrag is 'vrijbuiterij' of ook 'sociaal parasitisme', maar ondanks de evaluatieve bijklank van deze benamingen zal het wel duidelijk zijn dat het voor elk individu afzonderlijk niets anders dan de meest rendabele strategie is: het is de manier om de kosten het kleinst te maken en de baten het grootst. Het betekent evenwel dat sociale verbanden uiteindelijk erg broze, instabiele kaartenhuisjes zijn. Regulering is zonder meer een dans op een slappe koord.

 

De onvermijdelijke implicatie is daarom - en nu komen we tot de crux van het argument - dat regulering altijd vergezeld gaat van nog een mechanisme. Dat mechanisme is macht: een instantie die de mogelijkheid bezit om de naleving van de regulatieve regels ook daadwerkelijk af te dwingen. Dit is de Leviathan van Thomas Hobbes, het 'goddelijke monster' dat zelf boven elke regel verheven is (of om het met Hobbes' eigen citaat uit Job 41 te zeggen: "met wie niets op aarde vergeleken kan worden"), maar dat ertoe dient om erop toe te zien dat de regulatieve regels in werkelijkheid ook nagevolgd worden. In de Freudiaanse psychoanalyse is dit de vaderfiguur die de Wet dicteert, en laat zich om die reden ook vergelijken - bijvoorbeeld door Freud zelf - met God. Dat voert ten slotte tot een andere bijbelse referentie, waar de link expliciet gelegd wordt met de taal: dat is met name die van de Adamitische 'nomotheet', de Naamgever die voor eens en voor altijd vastlegt wat het juiste woord voor de dingen is. Van taalnormering gesproken!

 

Met de notie van macht zijn we dan gewapend om de regulering in het geval van taal aan te vatten. De stelling dat we hier verkondigen is het in de sociolinguïstiek als canoniek geponeerde - marxistisch aandoend - principe dat de regulatieve regels van de taal uiteindelijk de regels zijn van wie de macht heeft. Hoe dat precies zit zullen we zo meteen uit de doeken doen, maar eerst willen we er nog op wijzen dat dit resoluut ingaat tegen een nogal klassiek antwoord op de vraag waarom we ons aan de taalregels houden. Dat antwoord luidt dat die regels dienen om de efficiënte communicatie te waarborgen: opdat individuen hun gedachten aan elkaar kunnen uitwisselen, is er een code nodig die voor elke betekenis aangeeft wat het corresponderende woord ervoor is, zodat individuen over een eenvormig instrument beschikken om hun gedachten überhaupt aan elkaar kenbaar te maken. Dit gaat terug op het 'coördinatieprobleem' van de Amerikaanse filosoof David Lewis, en valt verder op door zijn regelrechte nonsensicaliteit! De bespreking van het 'coördinatieprobleem' zal tot een later bericht moeten wachten, maar in hoofdzaak komt het argument erop neer dat onze cognitieve vermogens tot primaire taalverwerving - dus die waarmee we de constitutieve regels aanleerden - zelf perfect in staat zijn om vervolgens ook in een grootschaliger verband om te gaan met groepen van wie het taalgebruik van het onze verschillend is. Het hele idee is dat we ons probleemloos elkaars alternatieve varianten eigen kunnen maken, waardoor er een situatie van 'collectieve synonymie' voor het sociaal overkoepelende geheel ontstaat, die eveneens het coördinatie- en dus communicatieprobleem oplost. Communicatieve efficiëntie is bijgevolg niet de reden waarom we de regulatieve regels van de normatieve grammatica's navolgen.

 

Het principe dat daarvoor wel verantwoordelijk is laat zich kernachtig als volgt verwoorden: ook in taalzaken passen we ons aan aan de eisen van hen die we nodig hebben voor ons welslagen. Concreet behelst dit dat normovername een rechtstreekse afgeleide is van behoeftigheid (dat is wat het woordje "nodig" in de vorige zin precies betekent): we laten ons leiden door prescriptieve regels als we daar ook iets wezenlijks mee kunnen winnen. Op zijn beurt impliceert dit evenwel omgekeerd - en dat zal uiteindelijk verstrekkende gevolgen hebben - dat die adhesie aan normen afneemt naarmate we beter voorzien zijn: materieel comfort doet de normnavolging dalen.

 

Nu zit er nogal veel in het principe samengebald, dat we er dan ook maar stukje voor stukje uit zullen halen. Om te beginnen wordt hier het bovenvermelde principe herhaald dat sociale cohesie het resultaat is van de behoeftevoorziening van het ene individu door het andere individu. Dat betekent niet meer of niet minder dan dat de 'lijm' achter sociale verbanden het economische mechanisme van vraag en aanbod is. Of om het in een beknopte stelling samen te vatten:

 

Stelling 1:

Twee individuen vormen een sociaal verband (i.p.v. als twee afzonderlijke eenlingen naast elkaar te leven) als de één kan aanbieden waar er bij de ander vraag naar is.

 

Meer specifiek wordt er echter gesteld dat de relatie tussen vrager en aanbieder nooit symmetrisch is. Vrager en aanbieder staan niet op gelijke voet met elkaar omdat de eerste nu eenmaal afhankelijk is van de laatste. Dat komt omdat je je behoeften natuurlijk niet kunt kiezen (zij kiezen eerder jou, om het in filosofische bewoordingen te zeggen). Je kan er namelijk wel voor kiezen om niet toe te geven aan je behoefte (bijvoorbeeld, als je je ten opzichte van de aanbieder wat onafhankelijker wilt opstellen), maar daarmee verdwijnt die behoefte zelf nog niet. Dat moge blijken uit het voorbeeld van honger: als jij honger hebt en je 'buur' een stuk brood, dan kan je buur er ongestoord voor kiezen om dat stuk brood al dan niet aan jou te geven; nu kan jij er dan wel voor kiezen om dat stuk brood niet van hem aan te nemen, maar daarmee blijf je letterlijk alleen maar 'op je honger zitten'. Behoeften noemt men om die reden ook nog wel eens 'absoluut': de aanbieder heeft vrijelijk de keuze om de gevraagde behoeftevoorziening aan te bieden of niet; de vrager heeft enkel maar de keuze tussen passief aanvaarden dan wel behoeftig blijven. Dat alles geeft de aanbieder macht over de vrager, en laat zich als volgt formuleren:

 

Stelling 2:

Omdat de vrager uiteindelijk afhankelijk is van de aanbieder, heeft de aanbieder macht over de vrager.

 

Machtsverschillen laten zich natuurlijk vertalen in een statushiërarchie: de één staat hoger in de sociale pikorde - en is dus "belangrijker" - dan de ander omdat zijn macht over de ander groter is dan die van die laatste over hem. Dat onderscheid in hogere en lagere positie heeft daarbij een vanzelfsprekende wiskundige notatie, en wel in termen van ranggetallen: daarbij krijgt de hoogst gepositioneerde partij ranggetal 1, degene die onmiddellijk na hem komt ranggetal 2, degene daarna ranggetal 3, enzoverder. In ons abstract geconstrueerde voorbeeld van een sociaal verband met 1 vrager en 1 aanbieder, heeft de aanbieder rang 1 en de vrager rang 2. Dat leidt tot het volgende corollarium:

 

Corollarium 2.2:

De aanbieder heeft een hogere rang dan de vrager (wat wiskundig weergegeven wordt in een lager rangGETAL).

 

Nu uit macht zich in allerhande wederdiensten die de aanbieder van de vrager kan eisen. Dat is dan de prijs van de aangeboden behoeftevoorziening. Merk evenwel dat dat om het even wat kan zijn; de prijs die de aanbieder van de vrager eist is met andere woorden volledig arbitrair. Dat volgt namelijk net zo goed uit de aangestipte asymmetrische relatie tussen vrager en aanbieder, waarbij de eerste absoluut afhankelijk is van de laatste en dus weinig andere keuze heeft dan de eisen van de aanbieder in te willigen, hoe weinig die ook in verhouding staan tot de oorspronkelijke behoeftevoorziening (dat is dan hun arbitrariteit). Waar het om draait is dat de prijs in het algemeen de vorm aanneemt van gedrag dat de vrager moet stellen, wil hij de verlangde behoeftevoorziening ook daadwerkelijk verkrijgen. Het is voor de vrager om die reden een norm (regulatieve regel) waaraan hij zich moet houden, en waar hij vanwege zijn afhankelijkheid maar moeilijk onderuit kan komen. Hier zien we met andere woorden de genese van sociale regulering als de prijs voor geleverde behoeftevoorziening. Dat laat zich verwoorden in de volgende twee uitspraken:

 

Stelling 3:

De macht van de aanbieder over de vrager is geconcretiseerd in de vorm van regulering (=het instellen van regulatieve regels).

 

En het correlaat daarvan:

 

Corollarium 3.2:

Regulering is de prijs die de aanbieder aan de vrager oplegt voor de geboden behoeftevoorziening.

 

Hiermee opent zich een rechtstreekse link naar de populaire discussie over de standaardtaal als vehikel voor sociale promotie en emancipatie - want wie de prijs wil betalen wacht navenant de beloning - evenals de keerzijde van de medaille over de potentieel discriminerende aspecten daarvan - omdat regulering een barrière schept voor wie wil meespelen. In het algemeen kan daarbij gesteld worden dat de hele kwestie van regulering - de zogenaamde 'druk' om volgens de norm te handelen - zich pregnanter stelt naarmate men over minder middelen beschikt (en dus afhankelijker is van anderen), wat dan omgekeerd betekent dat wie van welstand verzekerd is zich minder geïnhibeerd hoeft op te stellen. Op die manier wordt ook duidelijk hoe we regulering finaal operationaliseren als het al dan niet opgeven van het primaire, habituele gedrag - in de zin van het tegengestelde van het gewoon behouden ervan: er is het habituele gebruik dat tijdens de primaire socialisatie verworven wordt - omdat daar nu eenmaal alles mee begint - en vervolgens is er meer of minder de 'incentive' om dat aan te passen. Met alle hierboven gedefinieerde begrippen kan dat trouwens uitgedrukt worden in een wiskundige formule. Laat p de kans zijn (of: relatieve frequentie) waarmee een spreker een bepaald primair taalelement habitueel uit en laat r de sociale status van die spreker zijn (zoals boven gekwantificeerd in termen van ranggetallen), dan behelst de hier geschetste redenering de volgende wiskundige betrekking, die we de Wet van (de)regulering dopen:

 

Wet van (de)regulering:

p ~ 1/r

 

In woorden geformuleerd staat hier dat de kans van een habitueel, primair taalelement omgekeerd evenredig is met het sociale ranggetal van de spreker van dat element.

 

Deze Wet van (de)regulering is de centrale wiskundige evenredigheid, die in een notendop de hoeksteen vormt voor de hele hier uiteen te zetten theorie. Alle volgende blogberichten zullen bestaan in het verder uitpluizen van de precieze implicaties ervan.

 

West-Vlaams AN-uitspraak: ie als [i]

Blogbericht van Grytolle | Vrijdag 17 september 2010

Een nieuwe theorie van mij!

 

In de West-Vlaamse dialecten word de ie uitgesproken als [i:] of als [i:ə], terwijl de ij uitgesproken word als [i]. In hun Algemeên Nederlands spreken ze de ie pertang steevast uit als [i], terwijl Brabanders wel aan hun [i:] (die weliwaar een heêl andere kwaliteit heefd in heêl wa dialecten) blijven vasthouden. Hoe komd da? Waarom zouden de West-Vlamingen hun in hun AN op die manier distantiëren van d'ingeburgerde uitspraak in het Belgisch AN?

 

Misschien is de reden da zô veel West-Vlamingen in Oôst-Vlaanderen komen studeren, waar de ie dialectaal wél als [i] klinkt, en vandaar oôk in die hun AN.

 

Edit: Leênwoorden spelen hier misschien een rol in. "Muziek" bijvoorbeeld da strikt genomen "muzijk" is in het West-Vlaams.

 

Regels, regels, en nog eens regels...

Blogbericht van stijfvreter | Zaterdag 21 augustus 2010

Even de puntjes op de i zetten: in plaats van "constitutieve" versus "regulatieve" regels spreekt men in de taalkunde doorgaans nog over - respectievelijk - "descriptieve" versus "prescriptieve" regels. Het betekenisverschil blijft evenwel hetzelfde: descriptieve regels drukken een feitelijke regelmatigheid uit die empirisch in het taalgedrag valt waar te nemen; prescriptieve regels ordonneren stipulatief welke taalvorm gebruikt zou moeten worden en welke niet, en worden om die reden dan ook wel eens "normatieve" regels genoemd. De verwarring die echter zou kunnen ontstaan is dat in de geciteerde passage uit Stokhof (2000) het onderscheid tussen constitutieve en regulatieve regels wordt geplaatst tegenover de descriptieve regels als derde soort regels, die dan ook duidelijk niet met één van beide eerste regels (met name, de constitutieve) samenvallen. Welja, dit is een staaltje van de typisch byzantijnse haarkloverijen waarover taalgeleerden zich al eens het hoofd breken. Voor ons maakt het evenwel niet uit welke subtiele subspecificaties men binnen bepaalde klassen van regels aan kan brengen (het kan namelijk nog genuanceerder: zie bijvoorbeeld de drie keer tweeledige onderscheidingen in Duintjer 1977. Rondom regels. Wijsgerige gedachten omtrent regel-geleid gedrag), en komt het enkel op de basale tweedeling aan die nu zo onderhand al wel kraakhelder zal zijn: om het ietwat filosofisch te zeggen, descriptieve/constitutieve regels drukken een zijn uit; prescriptieve/regulatieve regels een moeten.

 

Het kan echter nog anders: we kunnen het bij regels ook hebben over het principe op basis waarvan een taalvorm gelegitimeerd wordt. Het gaat dan per definitie om prescriptieve regels, of normen. Als we over de één of andere norm spreken, dan bedoelen we daarmee het argument dat specifieert waarom een bepaalde taalvariant te prefereren valt. In de taalverzorgingsliteratuur somt men zo traditioneel 7 normen op. Deze zijn (dit overzicht kent een lange geschiedenis van kopiëring en citatie: de meest recente is Deygers 1998, die zich baseert op Burger & De Jong 1991, dat zelf weer gebaseerd is op Renkema 1985):

 

1. De historische norm: taalvorm X is juist omdat ze de oudste is.

2. De autoriteitsnorm: taalvorm X is juist omdat ze de vorm is de die meest gezaghebbende sprekers in de samenleving gebruiken.

3. De logische norm: taalvorm X is juist omdat ze volgens de wetten van de logica is (bijvoorbeeld: de dubbele ontkenning, die de ontkenning eigenlijk 'opheft').

4. De statistische norm: taalvorm X is juist omdat de meerderheid van de sprekers haar gebruiken.

5. De zuiverheidsnorm: taalvorm X is juist omdat ze het zuiverst Nederlands/Fins/Koeterwaals/... is.

6. De effectnorm: taalvorm X is juist omdat ze voor de toehoorder(s) het meest begrijpelijk is.

7. De esthetische norm: taalvorm X is juist omdat ze het mooist is.

 

Het lijstje maakt duidelijk wat de 2 grootste problemen bij deze 7 'normen' zijn. Aan de ene kant zijn sommige normen relatief (bv. de zuiverheidsnorm: wat zuiver Nederlands is hangt namelijk af van wat je definitie van het Nederlands is) of zelfs ronduit subjectief (de esthetische norm - dat behoeft verder weinig betoog). Veel zwaarwegender aan de andere kant is echter dat sommige normen met elkaar in strijd kunnen zijn. Zo is het de logische norm om "gisteren kwam een aantal mensen op bezoek" te zeggen omdat het aantal onderwerp is van de zin en dat nu eenmaal enkelvoud is, alleen gebruiken de meeste sprekers van het Nederlands vandaag de dag daarentegen kwamen, dus stelt de statistische norm dat het die vorm moet zijn. Een ander voorbeeld van twee normen die met elkaar kunnen conflicteren - en één dat misschien voor sommigen enige gevoelens van herkenning kan oproepen - is de autoriteitsnorm versus de statistische norm: in veel gevallen spreekt de elite in de samenleving namelijk net níet zoals het merendeel van de bevolking dat doet, en geeft toetsing aan beide normen volledig tegengestelde resultaten. Je ziet taaladviseurs (zoals bijvoorbeeld de schrijvers van de geciteerde artikelen) er dan ook steevast op hameren om de vernoemde normen veeleer als handige leidraad te hanteren bij het maken van evaluatieve keuzes.

 

Waarom breng ik de opsomming dan toch naar voren? Als die normen toch alleen maar 'leidraden' zijn, en ze strikt genomen zelfs helemaal geen normen zijn maar eerder rationalisaties post-hoc (en in die hoedanigheid dan ook onvermijdelijk ad-hoc), waarom vermeld ik ze dan? Wel, één van de voorbeelden van pogingen om een regelsysteem voor een taal op te stellen - wat we in de taalkunde met een technische term "codificatie" noemen - en waar er dan ook uitvoerig over bepaalde keuzes gedebatteerd wordt (de lengte van sommige discussies op de fora bewijst dat wel) is natuurlijk deze vlaamsetaal.be, dat zich tot doelt stelt om een grammatica van het Vlaams te ontwerpen. Welnu, je/ik zou daarom kunnen zeggen dat de 7 'leidraden' misschien enig nut kunnen hebben bij het beslechten van bepaalde hardnekkige discussiepunten. Niet dat dat uitgerekend moet: zoals aangegeven, op de keper beschouwd heb je de 7 'metanormen' helemaal niet nodig en kan je gewoon stipuleren wat de beste taalvariant is op basis van je preferenties. Of je kan je grammatica zuiver descriptief opmaken aan de hand van wat empirisch algemeen gangbaar is - uiteindelijk is dat precies wat de ANS voor het Standaardnederlands doet. Alleen, voor sommige taalkwesties kúnnen de metanormen misschien uitsluitsel bieden. Met andere woorden, en ook niet meer dan dat: ik geef ze gewoon maar even mee.

 

Bibliografietje

Burger, Peter & Jaap De Jong (1991). "De vraag naar goed of fout. Normen." In: Burger & De Jong (reds). Onze taal! Zestig jaar strijd en liefde voor het Nederlands. Den Haag: SdU Uitgeverij, 77-89.

Deygers, Katrien (1998). "Normen voor goed Nederlands in Noord en Zuid." Handelingen van de Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 52, 77-94.

Renkema, Jan (1985). "De Taaladviesdienst. Over regels en normen in taalgebruik." Onze Taal 54 (11), 138-141.

 

Gijngs

Blogbericht van Grytolle | Maandag 14 juni 2010

mee maane vlieger? nieje mee den bus! (meh mijne vlieger? neê met den bus)

 

Reklammeke voor de bus te nemen tijdens de Gentse feesten!

 

Brokstuk één en een half: socialisatie

Blogbericht van stijfvreter | Donderdag 3 juni 2010

Nauw verwant aan het onderscheid tussen constitutieve en regulatieve regels is dat tussen primaire en secundaire socialisatie, oftewel de twee - chronologisch - verschillende manieren waarop sociale regels door een individu geleerd worden. Primaire socialisatie is de verwerving van gebruikelijke gedragspatronen tijdens de eerste levensjaren van een kind. Het gebeurt in de context van het gezin (niet toevallig heet je eerste taal je moedertaal) en is verder typisch onbewust. Primaire socialisatie bestaat namelijk in wezen in conformatie: het kind neemt instinctief en 'automatisch' de gedragsgewoonten van andere individuen uit zijn naaste omgeving over. Nadat het kind vanaf een jaar of zes ongeveer een basisset van regels heeft verworven treedt de secundaire socialisatie in. Secundaire socialisatie bestaat erin dat het kind leert welke gedragingen gepast zijn in de ruimere sociale omgang en welke niet. Deze regels hebben dan ook een evaluatief of prescriptief karakter, in tegenstelling tot de regels uit de primaire socialisatie die zoals gezegd veeleer descriptieve habituele generalisaties zijn. Verwerving van secundaire regels gebeurt niet meer via imitatie maar door middel van expliciete instructie, en is de typische context ervoor is dan ook de school.

 

Het verband tussen primaire en secundaire socialisatie enerzijds en constitutieve en regulatieve regels anderzijds zal duidelijk zijn: constitutieve regels worden grotendeels tijdens de primaire socialisatie verworven, regulatieve regels in essentie bij de secundaire socialisatie. In het prille begin van je leven conformeer je je vooral aan de regelmatigheden die je in je nabije omgeving opmerkt (sinds kort kan Krommenaas hier ongetwijfeld over uitweiden) om nadien eerder expliciet geïnstrueerd te worden over wat allemaal wel en niet mag als je met anderen interageert.

 

Ten slotte kan nog de link gelegd worden met een derde begrippenpaar: dat van dialect versus standaardtaal. Daarbij moeten we er evenwel voor oppassen om niet te kort door de bocht de verwerving van het dialect zonder meer gelijk te stellen met primaire socialisatie en constitutieve regels, tegenover de standaardtaal met secundaire socialisatie en regulatieve regels. Uiteindelijk is ook in Vlaanderen het proces van dialectverlies massaal (per slot van rekening houdt de post-industriële modernisering met haar toename van mobiliteit natuurlijk niet halt voor de Belgische en/of Vlaamse grens) en in se kadert de verbreiding van de tussentaal daar net in: de bekende uitspraak van de Brusselse linguïst José Cajot indachtig dat het "Verkavelingsvlaams de moedertaal [is] van veel dialectlozen en de doeltaal van veel dialectsprekenden" (zie vrijwel elke publicatie van zijn hand) leren steeds meer Vlamingen steeds minder nog een oorspronkelijk dialect aan. Voor de oudere generaties gold het dialect daarom misschien nog als een constitutieve taalvariëteit die tijdens de primaire socialisatie verworven wordt; voor de jongere (en mobielere) generaties gaat dat stellig niet meer op. De tweede pool van de associatie - standaardtaal, secundaire socialisatie, en regulatieve regels - klopt daarentegen wel, en daar gaat het nu natuurlijk juist om: de standaardtaal in Vlaanderen is een geheel van regulatieve (lees: prescriptieve en/of normatieve) regels die pas in secundaire fase expliciet en veelal door schoolse training geïnstrueerd worden.

 

TV-programma's meh' Vlaamse namen

Blogbericht van Krommenaas | Zaterdag 15 mei 2010

Ik bedacht da' der recent nogal wa TV-programma's zijn meh' Vlaamse namen. Hier een lijsje, mankeer ek er nog?

 

  • De jaren stillekes
  • Goesting
  • Komen eten (lijkt me ne Vlaamsen uitroep)
  • Mag ik u kussen? ('k neem aan da' de "u" hier ni als AN-beleefdheidsvorm bedoeld is maar als voorwerpsvorm van "gij")
  • Meneer doktoor

 

Van TV gesproken: 'k was vanmorgen meh m'n boeleke naar kinderprogramma's aan 't kijken en m'neigen aan 't doodergeren aan 't feit da' die op de Vlaamsen TV allemaal Hollands gesproken zijn - zelfs ni AN maar echt Hollands - maar in Kabouter Plop kon ik tot m'n tevredenheid toch wa' Vlaamse woordsjes horen, sevves bijvoorbeeld. Ge moet uit weinig hoop putten wa' da betreft.

 

Zalige verwarring

Blogbericht van Grytolle | Woensdag 12 mei 2010

Uit dezen draad op 9lives.be, "Sex op een vreemde plaats ...".

dieje 'kik vond door op "ne week" of "ne vrouw" te googelen, en ni door een of ander vieze bezigheid(!) - hier volgd in elk geval een discussie tussen e paar posters die duidelijk wel iet afweten van verbuiging

 

Jack Malibu:

De zee (af te raden), trein, kleedhok zwembad.

Nekeer ene gevingerd in de glijbaan (dezelfde als van in da kleedhok) en in den boiler op pkp.

 

a143290:

O_o' als in: van het mannelijk geslacht?

 

JackM:

Euhm, nee? ene is vrouwelijk, enen mannelijk

Als is, kheb er daar ene goe gepakt in de tent en toen der enen kwam gluren heb ek em toch wa lappen moeten geven.

 

a143290:

Maar neen

Ik heb er een gevingerd vrouwelijk

Ik heb er ene gevingerd mannelijk

 

JackM:

Ge zijt mis, ga nu maar zelfmoord plegen.

 

GregoryCO:

toch wel

 

in w-vl:

ke jin gevingerd () mannelijk

ke jinne gevingerd vrouwelijk

 

Sorryfreak (in antwoord op a143290):

Hier is dat ook zo. ^^

Maarja, sommige hebben een dommer dialect eh.

 

JackM:

Of sommige zijn vrouw en zijn bijgevolg dom

 

Sorryfreak:

a143290 is mannelijk en denkt er hetzelfde over als ik, dus uw theorie klopt niet.

 

[...]

 

Z'hebben allemaal wel gelijk vôr hun respectievelijk Vlaams, vergelijkt dees deêl van de grammatica in 't West-Vlaams meh den tegenhanger vôr 't AV (of tenminste vôr de rest van Vlaanderen).

 

Stokhof (2000) over regulatieve vs. constitutieve regels

Blogbericht van stijfvreter | Maandag 8 maart 2010

De Nederlandse taalfilosoof Martin Stokhof legt in zijn boekje Taal en betekenis. Een inleiding in de taalfilosofie uit 2000 het onderscheid tussen regulatieve en constitutieve regels uit in contrast met een derde soort regels, descriptieve regels:

 

"Descriptieve regels zijn beschrijvingen van feitelijke regelmatigheden, die al dan niet uitzonderingen toelaten. Dergelijke regels hebben de status van empirische generalisaties en zijn dus feitelijk en contingent. Onder deze noemer vallen regels van vrij uiteenlopende aard: van strikte natuurkundige wetten, zoals de regel voor het berekenen van de valsnelheid van een voorwerp in de buurt van het oppervlak van de aarde, tot biologische generalisaties, zoals de beschrijving van het trekgedrag van boerenzwaluwen. Sommige regels kunnen uitzonderingen toestaan (één honkvaste zwaluw weerlegt de regel niet), terwijl andere echt universeel zijn en dus in principe door een uitzondering worden weerlegd.

Regulatieve regels zijn nadere bepalingen van gedrag dat onafhankelijk van de regel als zodanig bestaat. Typische voorbeelden van dit soort regels vinden we bij sociale regels, zoals etiquetteregels ('Een mes wordt niet gebruikt om aardappelen te snijden'), of regels die een bepaalde vorm van ritueel of ceremonieel gedrag (zoals een begrafenis) bepalen. Regulatieve regels zijn geen beschrijvingen en dus niet feitelijk en contingent. Ook als niemand zich er aan houdt, kunnen ze nog van kracht zijn. Ze kunnen hun oorsprong hebben in bepaalde feitelijke aspecten van de werkelijkheid (zoals bepaalde aspecten van rituelen ooit functioneel geweest kunnen zijn), maar die oorsprong speelt in hun functioneren meestal geen rol meer.

Constitutieve regels, ten slotte, zijn bepalingen die definiërend zijn voor een bepaalde vorm van gedrag of voor een institutie. Een constitutieve regel roept iets in het leven dat onafhankelijk van die regel niet bestaat. Spelregels zijn een goed voorbeeld van constitutieve regels. Schaken bijvoorbeeld is wat het is louter en alleen door de regels die ervoor zijn opgesteld. Ook bepaalde sociale en politieke instituties hebben dit karakter. Constitutieve regels zijn net als regulatieve regels geen descripties en dus niet feitelijk en contingent. Het verschil tussen een constitutieve en een regulatieve regel is dat de laatste iets beregelt dat er al is, terwijl de eerste juist iets creëert."

(Stokhof 2000, 226-227)

 

't Studentenambtenèrke

Blogbericht van Grytolle | Dinsdag 2 maart 2010

In de lespauze vond ik een boekske liggen met daarin een artikel med een beke Vlaams ingewerkt

 

"'t Studentenambtenèrke"

"al dat jong geweld"

"Gent ziet u graag"

"bij het huisvuil" - ongemarkeerd in VanDale maar we leerden in onze cursus taalzorg "vuil" te vervangen door "vuilnis"...

"(je ergert je toch dood aan) diene hoela die persé [...]"

 

De moedertaal van Vlaamse kinderen

Blogbericht van Krommenaas | Dinsdag 23 februari 2010

Op de 6e januari ben ik voor den eerste keer vader geworden. Ik kan vanaf nu dus van op d'eerste rij observeren hoe een Vlaams kind heden ten dage zijn moedertaal verwerft.

 

Hoewel mijne kleine nog maar een boeleke van goe zes weken is heb ik al bij verschillende personen - o.a. twee kraamvrouwen, een dokteres en een tante - opgemerkt da ze der jij tegen zeggen, hoewel ze da woord nooit ofte nimmer tegen mij of tegen andere volwassenen zouden gebruiken. Ik zien de taalindoctrinatie van de Vlamingen, die hen dicteert da ze tegen kinderen Hollands/AN moeten spreken, zich dus voor mijn ogen manifesteren.

 

Als ouder hebde vier mogelijkheden:

  1. meh uw kind spreken gelijk ge tegen d'ander mensen in uw directe omgeving spreekt. Voor de meeste Vlamingen betekend da verwaterd dialect spreken.
  2. tegen uw kind bewust Hollands/AN proberen spreken.
  3. tegen uw kind bewust algemeen Vlaams proberen spreken.
  4. tegen uw kind bewust zuivere streektaal spreken.

 

Heel veel mensen proberen, onder invloed van de decennialange hetze tegen Vlaams taalgebruik, Hollands/AN tegen hun kinderen te spreken maar kunnen helemaal ni consistent AN spreken. Ze spreken dan eigenlijk ne verbasterde vorm van hun dialect waarin de klanken vervangen zijn door AN-klanken en d'opvallende dialectwoorden weggelaten worden. Het is juist op die manier dad et verkavelingsvlaams is ontstaan. De perceptie van het AN is ondertussen zodanig verzwakt da veel mensen 90% algemeen Vlaams tegen hun kinderen spreken en denken da da AN is.

 

Helaas slagen deze mensen der wel regelmatig in ne jij, ne jou of een verkleinwoord op -je in hun zinnen te gooien en contamineren ze zo toch het taalgebruik van het kind. De grote ironie is echter da ze, door tegen ander volwassenen gewoon algemeen Vlaams of streektaal te spreken, meh' deze Hollandse woorden een taaltsje vormen dad eigenlijk alleen maar kindertaal is. Aangezien kinderen vanaf nen bepaalde leeftijd alles wa kinderlijk is afwerpen ziede dad oudere kinderen veel minder jij en jou zeggen dan peuters en kleuters.

 

Ik wil mijne kleine ni dwingen op een bepaalde manier te spreken, en ik zal ook ni toelaten dad anderen da wel proberen doen. Als mensen er tegen beginnen jij-jouwen terwijl ze normaal zo ni spreken gaan ek me daar dus tegen verzetten. Zelf gaan ek proberen zo consistent mogelijk mijn streektaal - Antwerps - tegen hem te spreken, en andere mensen aanmoedigen hetzelfde te doen met hun streektaal - van mijn schoonfamilie zal 'em zo regelmatig Dendermonds en Kruishoutems opvangen. Van zijn moeder zal 'em typisch verkavelingsvlaams (AV meh een paar Hollandse elementen) horen, en op 't school zal 'em onvermijdelijk Hollands ingelepeld krijgen. Benieuwd hoe zijn eigen taalgebruik zal evolueren!

 

Naar een verklaring voor het Verkavelingsvlaams, brokstuk één: deregulering

Blogbericht van stijfvreter | Dinsdag 26 januari 2010

Het cruciale punt achter het Verkavelingsvlaams - om maar meteen met de deur in huis te vallen - is om aannemelijk te maken hoe de stijging van de welvaart en levensstandaard er überhaupt toe kan leiden dat men zich los kon maken van normatieve voorschriften. Nuttig daartoe is om normen te onderscheiden van gewoontes of gebruiken. Die laatste zijn historisch gegroeide patronen van gedrag die nu eenmaal factueel gestabiliseerd zijn doordat wij er ons allemaal aan aangepast hebben. Normen zijn daarentegen bij wijze van spreken daaraan toegevoegd: zij stipuleren nog eens extra hoe bepaalde gedragingen zich zouden moeten voltrekken. In de taalwetenschap spreekt men ook wel van constitutieve versus regulatieve regels. Het begrippenpaar stamt van onder meer de taalfilosoof John Searle. Constitutieve regels specificeren de criteria die iets maken tot wat het is. Het typevoorbeeld zijn spelregels. De regel die zegt dat je schaak staat als één van de pionnen van de tegenpartij jouw koning kan slaan specificeert wat het betekent om schaak te staan (met name, zoals gezegd, als één van de pionnen van de tegenpartij jouw koning kan slaan). Een ander voorbeeld is de regel dat bisschoppen diagonaal moeten bewegen, terwijl een toren over rechte lijnen. Je zou een variant van het schaakspel kunnen bedenken waarbij het de bisschop is die over rechte lijnen beweegt en de torens diagonaal, maar in principe speel je dan een ander spel dan wat we traditioneel kennen als het schaakspel. Nu zou je die variant weliswaar ook "schaken" kunnen noemen (uiteindelijk is het maar een kleine wijziging die je doorgevoerd hebt), maar op de keper beschouwd heb je daarmee de definitie van het schaakspel veranderd. Die vergelijking met een definitie is niet zonder belang, want vaak worden constitutieve regels opgevat als definities: een constitutieve regel specificeert de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn opdat er überhaupt van een bepaalde kwestie sprake kan zijn.

 

Regulatieve regels beregelen daarentegen iets dat ook los van die regel bestaat. Een typisch voorbeeld zijn verkeersregels. In principe zou je zowel rechts als links van de weg kunnen rijden, maar het is de (regulatieve) regel dat het in België rechts moet (net zoals het in Groot-Brittannië de regulatieve regel is dat het daar links moet); in principe zou je bij een rood licht door kunnen rijden in plaats van te stoppen en integendeel juist bij een groen licht stoppen, maar het is de (regulatieve) regel dat het andersom hoort. Een ander voorbeeld van regulatieve regels zijn wetten: bijvoorbeeld, dat je niet zomaar iemand mag doden.

 

Toegepast op taal kunnen we het onderscheid tussen constitutieve en regulatieve regels verduidelijken aan de hand van het bepaald lidwoord de. Een constitutieve regel van het Nederlands zegt dat het bepaald lidwoord bij het woord boom het woord de is, en niet the zoals in het Engels of le zoals in het Frans: "le boom" of "the boom" zou gewoonweg geen Nederlands zijn. Een regulatieve regel zegt dan weer dat het de boom moet zijn en niet het tussentalige dem boom, bijvoorbeeld: in principe kunnen beide, maar de is "beter" dan dem. Dat laatste licht meteen de sluier op van wat de regels van de standaardtaal primair zijn: standaardtaalregels zijn regulatief. De regels van de standaardtaal beregelen namelijk taalgebruik dat zonder die regels ook zou bestaan; er is de conventionele manier waarop sprekers met elkaar communiceren, en standaardtaalregels specificeren daarvan additief welk taalgebruik toegestaan is en welk niet.

 

Daarmee is dan een eerste kentrek geschetst van het losser worden van normen zoals aan het begin van dit bericht vermeld. Doordat standaardtaalregels regulatieve, supplementaire voorschriften zijn, bestaat in se de mogelijkheid om ze niet na te komen en terug te vallen op een meer spontane, habituele manier van spreken - een proces dat dan ook heel toepasselijk de naam deregulering mag dragen. Doordat standaardtaalregels regulatief zijn, zijn ze facultatief en kan men ze altijd naast zich neerleggen. Het komt er dan op aan om de precieze voorwaarden te achterhalen die ertoe geleid hebben dat de deregulering zich ook daadwerkelijk ingezet heeft.

 

Na de samenvatting, nogal wiedes, de voortzetting: Verkavelingsvlaams als 'conspicuous leisure'

Blogbericht van stijfvreter | Zaterdag 10 oktober 2009

Het wordt tijd om de draad weer op te nemen. In de vorige berichten werd er getracht om uit de doeken te doen hoe Verkavelingsvlaams samenhangt met de ontwikkelingen van welvaartstoename, economische groei, post-industrialisering, verburgerlijking, democratisering en emancipatie. Die berichten werden overgeheveld van mijn eigen blog - http://www.bloggen.be/stijfvreter/ - door Krommenaas, waarvoor ik hem uitdrukkelijk wil bedanken.

 

De oude blog zal zich voortaan toespitsen op de meer technische aspecten achter kuddegedrag evenals de filosofische bespiegelingen daaromtrent; hier zal het vooral gaan over de 'paradox', die in de vorige berichten al even aangehaald werd: met name, dat het proces van emancipatie en opwaartse mobiliteit niet geresulteerd heeft in een verdere verbreiding van het Standaardnederlands, maar juist in een met dialectelementen doorspekte tussentaal.

 

Tot op zekere hoogte is dat een gevolg, zoals in de vorige berichten betoogd, van de gestegen mobiliteit zelf: als het aantal interregionale contacten tussen sprekers uit verschillende gebieden aangroeit, dan geeft dat dialectkenmerken de kans op een ruimere verspreiding, waardoor zich 'van onderuit' een dialectisch gekleurde algemene omgangstaal kan ontwikkelen. Toch is hiermee niet alles a priori verklaard: in landen zoals Frankrijk, Engeland of Nederland - kortom: de 'klassiek' gestandaardiseerde taalgemeenschappen - bracht de toegenomen vervlechting van het sociale verkeer net een sterkere verankering van de standaardtaal met zich mee - dat was bij uitstek het geval tijdens de eerste industrialisatiegolf in de negentiende eeuw. Het verschil is echter dat in deze omstandigheden de standaardtaal (nog) fungeert als een middel om hogerop te klimmen in de samenleving, en precies daarin schuilt de verklaring van de opkomst van het Verkavelingsvlaams in de twintigste eeuw. Zonder meteen al de hele sluier op te lichten (de uiteenzetting van onze theorie vormt net het onderdeel van de komende berichten op deze blog), is die erin gelegen - samen met de massale informalisering die in het algemeen de sociale omgang in dit tijdvak gekarakteriseerd heeft - dat er na de Tweede Wereldoorlog een generatie opstaat die dermate welgesteld en bemiddeld is dat ze zich probleemloos kan onthouden van een strikte naleving van de regels, omdat ze nu eenmaal een voldoende gevrijwaard niveau van welstand heeft weten te vergaren. Deze sprekers hebben een zodanige levensstandaard opgebouwd dat ze niet langer genoodzaakt zijn om hun gedrag in de richting van de gestelde normen bij te schaven. Zij zijn, om in één woord hun (pas) verworven positie samen te vatten, ontheven van het leveren van inspanningen om sociaal vooruit te komen.

 

Hun informalisering is daarmee niets minder dan een statuskenmerk, een manier om zich van de lager geplaatsten in de maatschappij (en gelet op de socio-economische geschiedenis van Vlaanderen zijn dat dus in de regel sprekers uit de oudere generaties) te onderscheiden. Die laatsten moeten namelijk wel nog inspanningen leveren; zij verkeren niet in de mogelijkheid, het prinselijke privilege, om zich ten opzichte van regels zulke vrijblijvendheid te veroorloven: willen zij meedraaien in het spel, dan moeten zij zich eenvoudigweg schikken naar de bestaande voorschriften. Dat de 'nieuwe rijken' in Vlaanderen zich daaraan kunnen onttrekken is dan ook een teken van hun maatschappelijk welslagen. Informalisering is de ontegensprekelijke uiting van sociaal succes.

 
Pagina's: 1 | 2 | 3