Algemeen Vlaams

Deze site is nog in vollen opbouw. Den boomstructuur hieronder word geleidelijk uitgebouwd op basis van onze discussies in de forums - komd gerust meediscussiŽren!
I. Beschouwingen
II. Spelling en uitspraak
III. Grammatica
IV. Woordenschat
V. Teksten

Blogs over Vlaamse taal

Ga naar den blog van

Wonkruid onder de tarwe (1)

Blogbericht van Grytolle | Zaterdag 6 oktober 2012

Deze keer gaad et mij om den derde zin uit Van Istendael zijn betoog:

 

Ze zeggen et nu wook al aan dunief, in d'afdeling taalkunde, en asse taar nie wete, waar dan wel?

 

Ne rappen blik op de zin zegd mij da Van Istendael ons aandacht op de volgende afwijkingen wild vestigen:

 

1) De h in het word nie uitgesproken

2) Der word nen overgangsklank ingeschoven tussen /y:/ en /o:/ in u ook

3) De sjwa van het vrouwelijk of meervoudig lidwoord de vald weg als der ne klinker op volgd

4) As ze of als ze - de l zal der weinig mee te maken hebben - word uitgesproken als a(l)s se

5) ít daar word uitgesproken als ít taar

6) De t van niet word nie uitgesproken

 

Gelijk da ge zie zijn dad heel wa dingen om na te gaan, dus ik gaan wel meer dan eÍn lang bericht nodig hebben voor dad allemaal te behandelen:

 

1) Den overgangsklank [w]

2) De gereduceerde uitspraak van de lidwoorden de en het, en van niet

3) De correcte assimilatie in als ze en ít daar

 

Díeerste kwestie sluit goed aan bij mijn vorig bericht over den tussenklank [j], dus daarom wil ek die eerst bespreken. Er is pertang een ander mogelijke reden voor die schrijfwijze: Misschien wou Van Istendael díuitspraak van de scherplange /o/ in oŰk weergeven, maar dad is nie zo waarschinlijk, want dieje klank word op ander plaatsen in den tekst nooit onderscheiden. Maar ook als dad de bedoeling was geweest zou het geen goei notatie zijn, vermits da die uitspraak nergens voorkomd, bij mijn weten. Grosso modo zijn er drie wijdverspreide uitspraken in Vlaanderen: /o:ə/, /y:ə/ en /u:ə/. In West-Vlaanderen hoorde echter soms, gelijk in de liekes van Flip Kowlier, díuitspraak /wɔ/, of misschien /wo/ - maar hoe dan ook meh ne korte klinker. Ďt Ligd gewoon nie voor díhand dad den Brusselaar Geert Van Istendael die uitspraak zou bezigen, en de schrijfwijze <wook> wijsd sowieso nie echt op een uitspraak <wok>.

 

Van Istendael zal dus weer van mening zijn da ge genen overgangsklank moogd laten horen tussen twee klinkers, en hij loopt evenzeer de mist in als in het vorig geval, en wel om de redenen die ik daar beschreef.

 

Noggiz wadaandagt aang Geert besteje

Blogbericht van Grytolle | Vrijdag 28 september 2012

Na twee blogberichten zijn we al tot den tweede zin in Van Istendael zijnen tekst geraakt:

 

Da stom Abeejen

 

Wat heefd 'em daar allemaal gedaan? In het eerste woord heefd 'em de t van weggelaten, wat in dit geval volgens Paardekoper aanvaardbaar is in het ABN1, maar verzorgder is het volgens al mijn naslagwerken van de in alle klankomgevingen uit te spreken. In het tweede woord heefd 'em het bijvoeglijk naamwoord stom op zijn Vlaams verbogen, namelijk zonder uitgang in het onbepaald onzijdig. Tot nu toe niks dad ons overrast als we de grammatica die op deze site beschreven staad in ons achterhoofd houden.

 

Het derde woord daarentegen heefd 'em op een curieuze manier gespeld. Ongetwijfeld geefd zijn schrijfwijze meh wa goeie wil d'uitspraak in het Vlaams tegoei weer, maar voor zover da 'kik weet verschild die uitspraak nie van de uitspraak van ABN in het Abeejen zelf. Eer da we die stelling van mij toetsen aan d'uitspraakgidsen, wil 'kik echter efkes stilstaan bij de schrijfwijze zelf, haar adequaatheid. Ik zien der namelijk direct een paar gebreken aan, ook al besef 'kik wel welke uitspraak da Van Istendael daarmee probeerd in geschrifte weer te geven: [a:be:j'ɛn], of mogelijks [ɑbe:j'ən].

 

1) Hij volgd de spellingregels nie. Normaal gezien schrijfde de [j] achter ne lange klinker als <i>: aaien, nie ajen.

2) Moesten we de j achter lange klinkers spellen als , dan zou het woord moeten geschreven worden volgens de regels voor een open lettergreep, want j is immers een medeklinker: Abejen. We schrijven tenslotte zagen, en nie zaagen.

 

't Was pertang duidelijk nie het plan van Van Istendael van te gaan spellen volgens alle regels van de kunst, dus spelfouten die geen effect hebben op d'uitspraak van 't woord kunnen we hem wel vergeven. We gingen der immers van uit dat 'em nooit nie op 't idee zou komen van 't Vlaams extra achterlijk voor te stellen door het verkeerd te gaan spellen. Het lijkt mij logisch om der ook van uit te gaan, dad als 'em nie fonetisch wou ridiculiseren, dan zal 'em ook nie hebben willen grafemisch ridiculiseren, door de grafemen van de taal anders te gaan spellen. De volgende mankementen aan zijn manier van schrijven zijn nochtans van nen andere, velen ernstigeren aard:

 

3) Zijn schrijfwijze, doorda ze 't feit da 't om e letterwoord ga verdoezeld, suggereerd eigenlijk d'uitspraak [abeejən], t.t.z. med een doffe e in de laatste lettergreep, med de klemtoon ofwel op de <ee>, ofwel op de <a>. Den uitgang Ėen doed immers aan het suffix Ėen denken da we kennen uit o.a. werkwoorden (gelijk leven) en bijvoeglijke naamwoorden die van stofnamen afgeleid zijn (gelijk katoenen).

4) Dad is dan ook het tweede ernstig mankement: Zijn spelling verbergd de status als afkorting, waardoor da 't nie meer duidelijk is waar in 't woord dad de klemtoon moe liggen. Afkortingen volgen immers nen duidelijke regel voor de klemtoon: Als ze twee lettergrepen bevatten, vald 'em op d'eerste lettergreep, gelijk in wc, en als ze der drie of meer hebben, op de laatste, gelijk in adhd, www, of zelfs ABN.

 

Nu kunnen we dus e paar dingen identificeren da Van Istendael eventueel voor fout Nederlands houd:

1) Vlamingen leggen de klemtoon verkeerd in d'afkorting en zeggen dus ABN of ABN

2) Vlamingen spreken d'afkorting daarbij misschien ook nog med een sjwa uit

3) Vlamingen bedienen huneigen in d'uitspraak van d'afkorting van nen tussenklank [j], diejen volgens Van Istendael nie toegestaan zou zijn in de standaardtaal.

 

Punt een en twee kunnen w'al uitsluiten op basis van 't feit dad der geen kat die fouten maakt. Het moet dus de tussenklank zijn geweest waarda 't de waarde schrijver om ging.

 

We kunnen der eigenlijk al op voorhand van uitgaan da Van Istendael der in dezen serieus neffest zit, vermits da' ge in 't ABN het foneem /e:/ als ne lichten diftong moogd uitspreken: [e:i]. Da kunde voortdurend horen als ge ne keer tegoei naar de Vlaamse nieuwslezers op tv ([te:'ve:]) luisterd (just gelijk dad de Ruud ons in den tijd aanspoorde!). Af en toe gaade dan ook soms horen da z'hunnen tweeklank een beke verlagen, zoda 't eerste element dervan in de buurt komd van een [ɛ], en da ze het j-element geprononceerder laten worden. Als die twee eigenschappen gecombineerd worden hebde al rap een beslist naar Hollands ruikende realisatie van de /e:/. Laat dad ons er echter nie van tegenhouden om efkes d'uitspraakgidsen en ander bronnen in te duiken voor te zien wad da die te zeggen hebben over overgangsklanken.

 

Paardekooper zegd niks over overgangsklanken, voor zover ik kan zien, behalve wanneer dad een d door een j of w vervangen word. Hij lijkt ook geen tussenklanken te noteren in de woordenboek zelf, als ik mijn steekproef bestaande uit alinea en zee-engte mag geloven. Of dad 'em dergelijke overgangsklanken dus verkeerd acht is nie zo duidelijk, maar ik zou denken van nie, want anders had 'em daar iet over geschreven, en het zou ook raar zijn gezien zijn vele pagina's gewijd aan de tussenklanken j en w waar een d weggevallen is, gelijk in geleden [gəle:jə(n)].

 

In Klink klaar vind ek niks over [j] of [w] als overgangsklank.

 

Blancquaert beschrijfd den overgangsklank [w] een beken op blz.83.

 

De Nederlandse [w] wordt in de spelling niet weergegeven wanneer zij gereduceerde overgangsklank is tussen de geronde vokalen [u], [o], [y] en een volgende vokaal, bv. in Februari, douarie, stoa, uit te spreken als [febry'wa:ri], [duwɑ'riˑ], ['stɔwa].

 

Over den overgangsklank [j] vind ek spijtig genoeg niks.

 

Wa googelen liet mij echter toe om dit citaat te vinden uit een of ander beschrijving van het EWN:

 

Overgangsklank. Een klank, w of j, die tussen twee klinkers ingeschoven wordt. In het Frans en het Duits worden twee klinkers na elkaar zonder overgang uitgesproken, bijv. in thť‚tre, Theater; in het Nederlands wordt daar een overgangsklank j ingeschoven, met als resultaat tejater. Franse woorden of namen met twee opeenvolgende klinkers krijgen in Vlaamse dialecten een overgangsklank j/w; noŽl wordt bijv. nowŤl, nojŤl, gruet wordt gruwee. Ook de w in Nederlands duwen is een overgangsklank, duwen staat tegenover Oudhoogduits dŻhen.

 

Dezen blog diejen ek een tijdje geleden las behandeld ook overgangsklanken.

 

D'uitspraakgidsen hadden dus nie zoveel te zeggen over het onderwerp, maar we kunnen Van Istendael alvast aanraden van zijn liefde voor het Duits nie te laten doorschijnen in zijn ABN door overgangsklanken op een gekunsteld klinkende manier te onderdrukken ten voordele van Knacklauten. Kwestie van ['vɔlksfɐʔˌhɛfɪŋ].

 


 

1. "Voor p, t, k, b, d, f, s, x valt de t meestal weg; anders niet:

/wɑ'prɛtəx/ /wɑ'kɔsbar/ /wɑ(t)'snʌgər/ /wɑ(t)xrot/ ('wat prettig, kostbaar, snugger, groot')

/wɑt'wɪljə/ /wɑt'loptihɑrt/('wat wil je', 'wat loopt ie hard')

In alle andere gevallen klinkt wɑ dialectisch: /wɑlÝk/, /wɑɛrɔgər/, /hɛikɑɱwɑ/ ('wat leuk', 'wat erger', 'hij kan wat')"

 

VoŰr die geÍn n geweld 'n doe

Blogbericht van Grytolle | Dinsdag 18 september 2012

Eindelijk, eindelijk moge we ne keer iet anders spreken az dad ambetant Schoo Vlaams.

 

In diejen openingszin van Geert Van Istendael schuilen meÍr interessante ideeŽn over uitspraak dan die eÍn assimilatorische twijfelachtigheid waar dad het mij in mijn eÍrste bericht om te doen was.

 

Uit de zin kunnen we namelijk oŰk afleiden da Van Istendael de weglating van de slot-n in mogen voŰr een typisch Vlaamse fout houd. 't Zal de meÍste Vlamingen wel bekend zijn da ge in 't ABN die n moogd weglaten. Hoe het dan komd da Van Istendael da nie wist is mij e geraadsel, maar ik ben (ůf zijn, alletweÍ mogen - 'k weet het goe - hoe grotesk nen tolerante norm oŰk mag overkomen op Van Istendael) dervan overtuigd dad 'em nie te dom is voŰr ABN te lÍren.

 

Maar voŰr toch maar zeker te zijn van de regels over de slot-n, gaan ek efkes in de boeken gaan zien:

 

Blancquaert (p. 108-109) zegd (med IPA herspeld in gewŰne spelling):

De slot-n na doffe e wordt in het algemeen beschaafd door de enen weggelaten, door de anderen uitgesproken. Men hoort dus de mense zulle kome of de mensen zullen komen. De laatste uitspraak is nog overwegend in de westelijke helft van Vlaams-BelgiŽ en ook in aanzienlijke gedeelten van Noord-Nederland. Toch geloven wij dat de uitspraak zonder slot-n bij de algemeen beschaafd sprekenden overwegend is. Alleen als overgangsklank voor een volgende vokaal, of in geijkte uitdrukkingen, of bij plechtig en nadrukkelijk spreken en ten slotte in sommige woorden die niet onder regels kunnen gebracht worden, blijft de n bewaard. Men zegt dus wel: de zeve zone van m'n oom kwame same naar Scheveninge; maar aan de andere kant ook nog ogen ope - op den duur - in arren moede; en steeds ik teken - reken - zegen; een degen - een wapen - de regen.

 

Beslist dialektisch klinkt het wanneer men, zoals in West-Vlaanderen en ook in sommige Noordnederlandse provincies, de doffe e vůůr slot-n weglaat, en de slot-n dan nog sonantisch wordt, of gewijzigd door voorafgaande of volgende konsonanten; bv. Westvlaams: zettn, koŰpm, rebbm (ribben), Oostvlaams: zinkng, drinkng; ne groovm boot (boterham). Waar deze fout voorkomt zal de beste manier om ze te korrigeren wel zijn, de slot-n in het gewone spreken weg te laten: aldus zal de doffe e des te gemakkelijker bewaard blijven.

 

Paardekooper zegd in essentie hetzelfste, maar voegd der e paar details aan toe:

* Soms kunde de slot-e oŰk weglaten als er ne klinker op volgd: de mensen in de tuin kan dus ofwel de mensen in de tuin worden, ofwel de mens in de tuin.

* In meÍrvouden van woorden op -en is de n "erg formeel", gelijk in guldens, dekens, enz.

* De n is "absoluut verplicht" "na een tweede hoofdvorm (=vt) + 'm, 't, enz.": Hij pakten 'et en Ik schopten 'em.

* De n word altijd uitgesproken in "woorden zoals hoorn", en in tegendeel en bovendien.

 

Klink klaar, ten slotten, zegd oŰk ongeveer hetzelfste, maar voegd deraan toe da 't, hoewel da 't nie verplicht is, verzorgder is van de slot-n in eigennamen altijd uit te spreken: Denemarken, Paul Van Ostaijen. D'uitspraak waarbij da de doffe e van den uitgang word weggelaten sta gerangschikt onder regionale uitspraakbasis, en word dus oŰk in dit werk afgekeurd.

 

Van Istendael ga dus just gelijk 'kik verheugd zijn van t'hŰren da die liberale taalkundige die dees uitspraakgidsen schreven nie alle verkeÍrsborden hebben verwijderd. Ge moogd namelijk zeker nie den uitgang -en op de tweÍde mogelijke manier inkorten, namelijk door de doffe e te verzwijgen. Een lichtekes verheven uitspraak waarbij da ge alle letters uitspreekt gelijk da ze geschreven staan, da mag dus, maar als het om varianten uit de spreektaal ga, dan is er maar eÍn variŽteit die hare variant mag laten doorklinken: het Hollands Beschaafd. In Vlaanderen mogen Brabanders en Limburgers hun tweÍ pollen kussen da zij toevallig da kenmerk med et Hollands dÍlen. D'uitspraak meh gesyllabiseerde slot-n (die pertang beschaafd genoeg is voŰr de allermeÍste situaties in het Duits), gelijk da zŰ goed als alle West-Vlamingen en de meÍste OŰst-Vlamingen die hebben, blijfd echter als een fout gelden. VoŰrwa? Da zijn uw zakens nie, hŤ.

 

Hieruit blijkt da Van Istendael in dit geval op zijn dialectaal taalgevoel mag vertrouwen, maar oŰk dad 'em daar voŰral geÍn gewoŰnte mag van maken. 't Is nie omda 't zijn moedertaal genoemd word dad 'em moe denken dad 'em ze zŰmaar kan spreken! Ik heb het med hem nochtans hoŰg op en denk dad 'em oŰit is goe Nederlands kan lÍren spreken. Ik wil hem daarom door emancipoosts gelijk den dezen daarbij een handje toesteken. Waar zou 'em anders ABN lÍren, nu da die taalkundige uit Antwerpen hem die kans wild ontseggen, dan van ne Zweed op VlaamseTaal.be?

 

A ja, zegde gij als lezer dan over mij, diejen heefd het hoŰg in zijnen bol. Maar vergeet nie, ABN-strijders gelijk Van Istendael waren oŰk nog maar zeÍr jonge studenten die huneigen, paradoxaal genoeg, eÍrst van het volk moesten distantiŽren om het vervolgens te kunnen verheffen. Van Istendael verdiend het beste, en daarom moet 'em zijn leesuitspraak meh bewaarde slot-n'en dringend aflÍren.

 


Offline bronnen

Timmermans, B. (2008). Klink klaar. Uitspraak- en intonatiegids voor het Nederlands.

(tweede uitgave). Leuven: Davidsfonds Uitgeverij.

 

Blancquaert, E. (1957). Praktische uitspraakleer van de Nederlandse taal. (vijfde uitgave, p. 154-161). Antwerpen: Uitgeverij De Sikkel N.V.

 

Gebroken lans voor Vlaams taalgebruik

Blogbericht van Grytolle | Vrijdag 14 september 2012

Vandaag heb ik mij ingeschreven voor mijn masterjaar, en wat zie ik bij het invullen van het formulier?

 

 

Ik ben ťn man ťn vrouw!? Achter een paar seconden realiseerde 'kik mij wel da 't gewoon de in Nederland gangbare manier was van een nationaliteit aan te duiden dat ze overgepakt hadden:

 

Meer uitleg daarover vindt ge op VlaamsWoordenboek.be en op de taaladviessite vad de Taalunie.

 

Dat kon ik vaneigens niet zo laten, dus ik heb Zweedse efkes gecorrigeerd naar Zweed. Hopelijk trekt er ne formuliermaker daar lering uit, maar dat betwijfel ik helaas ten zeersten.

 

Klinkt den derde variant diejen in het taaladvies van de Taalunie gegeven wordt goed in Vlaamse oren? Nationaliteit: Belgisch/Zweeds, dus.

 

Beschaafde uitspraak volgens Van Istendael

Blogbericht van Grytolle | Donderdag 13 september 2012

Wat kunnen we leren uit Geert Van Istendaels opiniestuk in De Morgen op 30 augustus 2012?

 

Als ik er even mag van uitgaan dat Van Istendael door de keuze om zijn bijdrage aan het debat in Vlaamse omgangstaal te schrijven, ten eersten wou illustreren hoe ongepast dat dat hem lijkt en ten tweeden nen helen hoop Vlaamse taalfouten - t.t.z., verschillen tegenover de huidige standaardtaal - in de verf zetten, dan moet het ook mogelijk zijn van indirect 't een en 't ander te leren over zijn opvattingen over hoe die standaardtaal moet klinken, door zijn spellingkeuzes onder de loep te nemen en zodoende zijn kennis van het ABN te inspecteren.

 

Vermits dat ne verlichte mens diejen een eerlijke discussie van allerhoogst belang vindt het nooit in zijne kop zou halen van doodnormale uitspraakverschijnselen die ook tot de standaardtaal behoren fonetisch te gaan spellen als nen oneerlijken discussiezet voor de Vlaamse omgangstaal extra te ridiculiseren, mag ik er ook wel van uitgaan dat Van Istendael wanneer dat hij bijvoorbeeld als dat als az dad* schrijft drie afwijkingen tegenover de standaardtaal wilt illustreren:

 

1) De l moet uitgesproken worden in het woord als

2) De slotmedeklinker in dat mag niet uitgesproken worden als een [d] voor ne volgende klinker

3) Een <s> mag niet als een [z] uitgesproken worden onder invloed van een volgende d

 

Veronderstelde fout eÍn, hoewel ze in heel(?) het Nederlandse taalgebied gangbaar is, geldt inderdaad als minder verzorgd dan de uitspraak met een goed gearticuleerde l, en dat ge de t niet moogt uitspreken al een d in dat is wel iets dat ge terugvindt in elken uitspraakgids, maar de laatste veronderstelde fout is interessant. Hoe Van Istendael denkt dat ge die combinatie dan wel moet uitspreken weet ik niet, maar ik kan direct twee mogelijkheden bedenken:

 

1) Ge moet als dat uitspreken als [ɑlstat], dat wilt zeggen, met progressieve assimilatie

2) Ge moogt Łberhaupt niet assimileren, en Ė hoewel dat het vrijwel onmogelijk is in een normaal spreektempo - als dat uitspreken precies zoals het geschreven staat: [ɑlsdɑt]

 

Alternatief twee lijkt vrijwel uitgesloten, dus hij zal wel van mening zijn dat ge "als tat" moet zeggen in het ABN. Wat zeggen de uitspraakgidsen daarover?

 

Paardekooper (1987) geeft dat alternatief inderdaad aan als een mogelijkheid naast de uitspraak [zd], maar alleen voor de woorden de, dat, dit, die, deze, daar, dan, dus, en en d'r. Is te baas hier / Iz de baas hier. Aan wie in zijn dialect niet doen als niet toen uitspreekt - d.w.z vrijwel alle Vlamingen -, geeft hij echter het advies van altijd een d uit te spreken. Die uitspraak niet toen keurt hij overigens af als een "ernstige fout", alhoewel "een sandhigewoonte veranderen erg moeilijk [is]; enkel gevorderde ABN-sprekers zullen de fout met kans op slagen kunnen gaan verbeteren".

 

Blancquaert (1957) staat heel wat assimilaties toe die vandaag niet door den beugel kunnen, bijvoorbeeld Dat iz waar, naast Dat is waar. Hij maakt echter geen melding van die t-varianten die we bij Paardekooper vonden, maar rangschikt ze onder de dialectische afwijkingen: Hij zit taar of het tak (dat laatste is dus fout ook volgens Paardekooper) mag niet als variant van Hij zid daar, respectievelijk hed dak. (Trouwens stelt hij dat de uitspraak met [d] voor ne klinker ook in Noord-Nederland voorkomt in de derde persoon enkelvoud Het gaad op en neer en in "enkele andere verbindingen", zoals met "wat" en "dat" - dus gelijk in de grammatica op deze site -, maar afkeuring verdient).

 

De VRT wilt zoals bekend de norm voor de standaardtaal bepalen, en veel taalgebruikers erkennen ook haar gezag:

 

Als twee medeklinkers coarticuleren, wordt (of blijft) hun verbinding stemloos.

[...]

Uitzondering: komen b of d op de tweede plaats bij de coarticulatie, dan wordt de verbinding stemhebbend.

afbreken: f wordt v, b blijft b → [av∑bree∑kən]

opdoeken: p wordt b, d blijft d → [ob∑doe∑kən]

ontdekken: t wordt d, d blijft d → [on∑dek∑kən] (vrt.be/taal)

 

Op die pagina worden dus geen t-varianten vermeld. In Klink klaar (2008) dat voor medewerkers van de VRT geschreven is (als ik het goed begrijp), wordt ook den hoofdregel gegeven:

 

Als twee medeklinkers assimileren, blijft of wordt hun verbinding stemloos, tenzij de [b] of [d] op de tweede plaats staat. In dat geval wordt de verbinding stemhebbend

 

Onderaan dezelfde pagina wordt echter een cryptische opmerking daar bij gegeven:

 

De woorden 'de', 'die', 'dat', 'deze', 'dit', 'daar', 'dus' en 'door' moet je stemhebbend uitsrpeken als de klemtoon op die woordjes valt. Bijvoorbeeld: 'Je moet dat geval eens bekijken' - 'Je moet dat geval eens bekijken'. In de tweede zin ligt de klemtoon niet op 'dat' maar op 'bekijken' en blijft de [t] van 'moet' stemloos.

 

Omdat den achterliggende regel niet expliciet wordt vermeld is het echter onmogelijk van na te gaan wat dat der geldt voor als dat. In de oefeningen achteraan in den boek worden echter geen pogingen gemaakt om t-varianten aan te leren: geef dit moete als geev dit uitspreken, en geef dat hier als geev dat hier. Misschien diende die opmerking der dan ook toe om een paar gevallen te definiŽren waar dat Vlamingen iets minder op hun assimilatie moet letten, omdat de Vlaamse regel van t+d wordt t dan toevallig samenvalt met de Hollandse t-varianten.

 

Het lijkt der dus op dat Van Istendael ne nog strenger op het noorden gerichte norm hanteert dan dees uitspraakgidsen, die de voor Vlaamse oren normaalste variant [alz dat] immers toestaan, of er zelfs de voorkeur aan geven.

 

Gezien dat der intussen nen duidelijke consensus is dat Vlaanderen nen eigen uitspraaknorm mag hebben - al was het maar omdat de Noord-Nederlandsen zo zeer veranderd is - kunde u afvragen waarom dat Van Istendael nog altijd de kant kiest van Paardekooper, diejen der geen geheim van maakte dat hij de Vlamingen Hollandse spreektaal wou leren. Ge kunt u eigenlijk afvragen waarom dat er Łberhaupt op zo'n assimilatiepatronen wordt gezien, wanneer dat het sowieso niet meer de doelstelling is van gelijk ne Nederlander te klinken, maar dat terzijde.

 

Op basis van Van Istendaels tekst kunnen we stellen dat zijn persoonlijke assimilatorische voorkeur wat dit kenmerk betreft toegestaan is in de standaardtaal, tenminsten als we aannemen dat hij geen dingen gelijk als tagelijks zou zeggen - alle gevallen van "z d" en dergelijke in zijnen tekst zijn namelijk verdedigbaar als t-varianten (al is "efkes dad" aardig genoeg niet als "efkez dad" geschreven). Voorlopig mag hij zich dus ABN-spreker noemen, maar een beke vervlaamsing, of tenminste een stuk tolerantie is aanbevolen.

 

De allerbeste uitspraak voor iemand diejen vlekkeloze standaardtaal in haren huidige vorm wilt spreken is dus [ɑlzdɑt], vermits dat dat naast [ɑls tɑt] mogelijk is, maar veel gangbaarder is in ne Vlaamse context.

 


Noten

  • Eindelijk, eindelijk moge we ne keer iet anders spreken az dad ambetant Schoo Vlaams.

 

Offline bronnen

Timmermans, B. (2008). Klink klaar. Uitspraak- en intonatiegids voor het Nederlands.

(tweede uitgave). Leuven: Davidsfonds Uitgeverij.

 

Blancquaert, E. (1957). Praktische uitspraakleer van de Nederlandse taal. (vijfde uitgave, p. 154-161). Antwerpen: Uitgeverij De Sikkel N.V.

 

Semantische moves

Blogbericht van Grytolle | Zaterdag 8 september 2012

Verleden week kwam ek op Facebook een uiting tegen die der zo begon:

 

Ik ben niet voor Verkavelingsvlaams, maar ...

 

Toevallig had ek den dag dervoor een examen gehad voor het vak Tekstwetenschap, waarvan eÍn van de behandelde thema's "racisme en de media" was, waarin racistisch taalgebruik in het algemeen ook aan bod kwam. In dat gedeelte werd onder andere iet vernoemd dat ze "semantische moves" noemden en het voorbeeld dat ze gaven was:

 

Ik ben geen racist, maar ...

 

Ik vond mijneigen wel nogal spitsvondig toen ek in ne commentaar op dat facebookbericht op de gelijkenis tussen de twee uitingen wees, maar de poster kon het blijkbaar niet echt appreciŽren, want de volgenden ochtend was mijne post spoorloos verdwenen:

 

*hoopt heimelijk dat de opening "Ik ben niet voor Verkavelingsvlaams, maar ..." de tegenhanger is van "Ik ben geen racist, maar ..." :D*

 

Het leek mij daarom e goed idee van dat efkes te verduidelijken. De zin is iet dat ge zegt voor e gestigmatiseerd standpunt toch te kunnen ventileren, of om iet te kunnen zeggen dat inconsequent is met uw overige standpunten, maar op grond van de truthiness van de zaak toch wel just moet zijn. Zo hoorde weleens Amerikanen op tv die godsdienstvrijheid uitermate belangrijk vinden, maar der toch enorm moeite mee hebben dat der ne moskee gebouwd wordt in New York.

 

Gelijkaardig - maar onschuldiger - kunde het volstrekt vanzelfsprekend vinden dat Vlamingen het recht hebben om hun eigen varianten in de standaardtaal te gebruiken wat de woordeschat betreft, met de motivatie dat "iedereen nu eenmaal die woorden gebruikt" - zonder daarom van mening te zijn dat e mannelijk verbogen lidwoord of e stuk - onherkenbaar, maar toch - letterlijk vertaald Frans geen doodzonde is buiten de privťsfeer.

 

Ik wou dus helemaal niet insinueren dat degenen diejen die opening gebruikte ne racist is, maar gewoon laten blijken dat ek het extreem komiek vind dat het blijkbaar even suspect is van (tot op zekere hoogte) ne voorstander te zijn van Vlaams taalgebruik als het is van meer dan e gezond stuk argwaan te koesteren tegenover mensen met een ander huidskleur. Want anders zou de persoon de noodzaak niet hebben gevoeld van zijneigen op die manier te verontschuldigen.

 

Dus, mijn oprechte excuses aan de poster als hij door mijne commentaar gekwetst was, want het was helemaal niet de bedoeling om hem persoonlijk te attakeren, en ook niet het standpunt dat hij na die opening in dieje post verkondigde.

 

Voilŗ, da's al da 'k moeste zeggen!

 

Brokstuk twee en een half: op hol geslagen selectie

Blogbericht van stijfvreter | Woensdag 21 maart 2012

(Na lang weggeweest te zijn)

 

In het laatste bericht hebben we de analyse gemaakt hoe mensen zich aan normen aanpassen als ze voor hun behoeftevoorziening afhankelijk zijn van anderen. Nu zullen we de keerzijde van die medaille belichten en uitleggen hoe afhankelijkheid mensen zelf omgekeerd ook selectiever maakt in de beoordeling van anderen. Vergelijk nogmaals de vrager en de aanbieder uit het vorige bericht: in principe kan van die aanbieder namelijk gezegd worden dat hij zijn macht over de vrager uitbuit, als hij tegenover de behoeftevoorziening een wederdienst stelt (dat de vrager zich namelijk een bepaald gedrag aanmeet). De vrager verkeert niet in een positie om daarover te onderhandelen, dus is dat opleggen van een norm van de aanbieder aan de vrager eigenlijk je reinste boerenbedrog. Daar valt zeker iets voor te zeggen, maar het verklaart nog niet waarom de aanbieder dat Łberhaupt doet: waarom stelt de aanbieder eigenlijk een norm als wederdienst in? Hij kan er bijvoorbeeld een sardonisch genoegen in scheppen om de vrager te doen kruipen, en gegeven de inzichten van de evolutiebiologie is het niet onwaarschijnlijk dat de mens inderdaad een zeker instinct heeft tot wreedheid. Toch verklaart dat nog niet waarom we Łberhaupt met dat instinct opgezadeld zitten. Waarom zijn we niet gewoon onvoorwaardelijk barmhartig, als we behoeftige individuen zien? Ga maar na: in de vorige berichten hebben we het ontstaan van normen gekaderd in speltheoretische mechanismen van prijsbepaling en -onderhandeling, maar wat kan die normerende aanbieder daarmee dan winnen? Axiomatisch aan speltheoretische onderhandelingen is namelijk dat elke betrokken partij zijn eigen voordeel probeert te maximaliseren, maar wat is het voordeel voor een aanbieder, die in de behoefte van een andere kan voorzien, om daar een wederdienst tegenover te stellen? In die behoefte kan hij toch sowieso voorzien. We hebben kortom uiteindelijk nog niets verklaard: in de vorige berichten hebben we beschreven hoe afhankelijkheid individuen motiveert tot het volgen van normen, maar het is tot nu toe een vraagteken waar normen zelf eigenlijk vandaan komen.

 

Het cruciale aangrijpingspunt (dat in de vorige berichten impliciet is gebleven) is dat normen terug te voeren zijn op preferenties of voorkeuren die bij individuen leven. Een norm is een voorkeur die iemand heeft over het gedrag dat hij gemanifesteerd wilt zien, en als iemand anders van hem afhankelijk is, dan wordt die voorkeur voor die laatste een norm. In die zin bestaan normen dan ook enkel "in de hoofden van mensen". Tot op zekere hoogte was dat ook de boodschap in sommige vorige berichten over de essentialistische misvatting van taalregels als inherente natuurlijkheden. Normen zijn niet te zoeken in een of andere hogere, ideŽle wereld, maar bestaan in de vorm van preferenties in de psyche van individuen. Omdat normen evenwel betrekking hebben op sociale relaties, moet het meer specifiek gaan om wat we "gedeelde" preferenties zullen noemen: voorkeuren die bij meerdere individuen gelijk zijn. Dat kunnen we uiteindelijk ook in een definitie gieten:

 

Definitie: Een norm is een gedeelde preferentie onder individuen over de onderlinge omgang.

 

Een verklaring van normering is daarmee in laatste instantie een theorie over het selectiever worden van preferenties. Wat zorgt ervoor dat individuen restrictiever worden in hun omgang met anderen? Nogmaals, het is op het eerste gezicht onduidelijk welk voordeel het heeft om minder vrijgevig of behulpzaam te zijn. Het zou zelfs kunnen dat het iemand op den duur alleen maar schade berokkent, omdat het de anderen tegen hem doet keren. Is er dus een manier waarop het loont om selectief te zijn?

 

Nu is de selectie, die individuen op elkaar toepassen, een vaak bediscussieerd onderwerp in de reflecties over samenlevingsverbanden tussen individuen (of die nu sociologisch, filosofisch, of biologisch zijn). Het basale inzicht is daarbij dat selectie eveneens voortvloeit uit de omstandigheden van afhankelijkheid. Zelf zijn we ook behoeftig: we kunnen bijvoorbeeld wel een stuk brood hebben voor iemand die honger heeft, maar hij kan voor ons dan weer een kledingstuk maken als het vriest of stormt. In de vorige berichten hebben we aangegeven hoe dat aanleiding geeft tot ruil: we wisselen beide goederen aan elkaar uit, zodat we elk in onze behoefte voorzien worden en we er allebei beter van worden. Sociale ruilhandel hoeft geen nulsomspel te zijn.

 

Alleen is er een belangrijk aspect - en het mag echt wel een "criterium" genoemd worden - impliciet gebleven: wij worden er enkel maar beter van, als de andere ook ons iets te bieden heeft; aan een eenzijdige vrager (om het zo maar eens even cru uit te drukken) hebben we niets. Met andere woorden, het voordeel is voor beide partijen, dus ook voor ons, pas groter als we allebei niet alleen vrager maar ook elk aanbieder zijn. Die "nutafweging" kan in de volgende regel samengevat worden:

 

Het voordeel wordt groter bij een vrager die ook aanbieder is; bij iemand die louter vrager is, blijft het voordeel gelijk (in het beste geval).

 

Op die manier is selectie een haast automatische consequentie: het is in ons eigenbelang om onze diensten niet aan zomaar om het even wie te verlenen, maar bij voorkeur aan diegenen die ook ons zullen voorzien, als wij eens behoeftig zijn. We willen niet iedereen in zijn behoefte voorzien, maar enkel iemand die ons een wederdienst kan bewijzen. Daarmee willen we hier voor alle duidelijkheid geen rechtvaardiging leveren voor dat soort opportunisme (want dat is het eigenlijk); wel willen we het causaal verklaren waarom selectie ooit is kunnen ontstaan.

 

Het onthult nog een ander belangrijk aspect van sociale ruil: de uitgewisselde diensten worden door de uitwisselende partijen gebruikt als pasmunt. Niet toevallig wordt dat mooi uitgedrukt door het woord "pas": ik doe pas iets voor jou, als jij iets voor mij doet.

 

De gevolgen zijn ingrijpend. In de vorige berichten hebben we gezien hoe onze behoeftigheid ons afhankelijk maakt van anderen (die daardoor macht over ons krijgen). Nu blijkt dat er ook een keerzijde van de medaille is: diezelfde behoeftigheid maakt ons ook kieskeurig, waardoor de balans in zekere zin hersteld wordt. Niet iedereen zal nog zomaar op onze diensten kunnen rekenen, maar voortaan gaan we de anderen zorgvuldig screenen op het eventuele voordeel dat het ons oplevert. We voorzien niet (langer) sowieso in iemand behoeften, maar in plaats daarvan zullen we er nauwlettend op toekijken - we zullen er een neus voor ontwikkelen - of individuen ons ook iets te bieden hebben.

 

En zo kwam er sociale selectie in de wereld.

 

(Overigens is dit ook de finale ontkrachting van de "organicistische" theorie over samenlevingen, die opgeld deed in de negentiende eeuw, en waarvan Herbert Spencer en Emile Durkheim misschien de voornaamste vertegenwoordigers zijn: die theorie stelde dat behoeftigheid en afhankelijkheid individuen "in elkaars armen dreef" en hen stimuleerde tot het vormen van coŲperatieve netwerken. Hier zien we dat behoeftigheid echter ook gepaard gaat met een zekere distantiŽring ten opzichte van elkaar: individuen gaan zich wat meer terughoudend tegenover de anderen opstellen. Op die manier leidt afhankelijkheid dan ook niet tot sociale solidariteit, maar draagt het integendeel bij tot vervreemding. Dat moet nog eens nader uitgewerkt worden, maar het kernidee is wel duidelijk: noties zoals solidariteit en coŲperatie impliceren individuen die autonoom zijn; afhankelijkheid is een conditie die intrinsiek conflictueus is.)

 

Maar wat heeft dat nu allemaal te maken met gedragsnormen? De elementen waarop er geselecteerd wordt, zoals de manier waarop we ons gedragen of hoe we spreken, zijn toch alleen maar uiterlijkheden; die zijn op zich toch niet relevant, als het draait om de behoeftevoorzieningen die uitgewisseld worden? Het antwoord daarop is de laatste component in de verklaring van gedrags- en taalnormen. De sociale onderhandelingen tussen individuen zijn, wat men noemt, een spel met imperfecte informatie: zoals zo-even gezegd, zullen we de anderen screenen om uit te vinden of ze ook iets te ruilen hebben. Nogmaals, het klinkt cru, maar aan iemand die ons niets te bieden heeft, hebben we niets. Alleen, hoe weten we of dat niet eigenlijk het geval is? Hoe kunnen we met andere woorden weten of de andere een betrouwbare hulpverlener zal zijn? Nu is het net het inzicht achter de civilisatietheorie van Norbert Elias geweest dat we daartoe historisch een heel complex van indicatoren ontwikkeld hebben (wat we natuurlijk niet bewust gedaan hebben: dat is geleidelijk aan gegroeid, en de link met de evolutietheorie wordt zo meteen nog gelegd), die aangeven hoe succesvol we zijn. Gedragsvormen zoals de manier waarop we ons kleden, hoe we eten, of (waar het hier uiteindelijk om draait) hoe we spreken, e.d. zijn inderdaad uiterlijkheden, maar ze zijn tegelijk ook signalen van de kwaliteit die we te bieden hebben. Om dat te begrijpen (en de uitleg ervan in Het Civilisatieproces 1982 beslaat meer dan achthonderd bladzijden), kunnen we ons het mechaniekje, waarop zich dat complex van successignalen gevormd heeft (dat dus niet bewust is), als volgt voorstellen: stel, er was eens een deelverzameling individuen, die net dat tikkeltje succesvoller dan de anderen was (ze hadden bv. die kleine comparatieve voorsprong gehad dat ze meer goederen hadden, waardoor ze meer konden ruilen met behoeftige individuen, en daardoor nog meer goederen verwierven). Gegeven het combinatorische aantal variaties dat er in hun gedragingen mogelijk is, zullen er wel enkele eigenaardigheden geweest zijn, waarmee ze geÔdentificeerd konden worden. Voor alle overige, minder succesvolle individuen waren die eigenaardigheden het middel om die succesvolle individuen te herkennen (laten we die eigenaardigheden daarom de "kenmerken" noemen). Door het voordeel dat die minder succesvolle individuen hebben om met die succesvolle individuen te interageren, zou er bij die minder succesvollen dan ook een preferentie ontstaan voor individuen met de kenmerken van de succesvollen. Dat hoeft trouwens niet automatisch opgevat te worden als het preferentiŽle gevolg op een oorzakelijke situatie van behoeftigheid maar kan ook "externalistisch" begrepen worden: in het begin waren er zowel individuen met de preferentie voor de kenmerken als individuen zonder de preferentie, en die leefden gewoon samen naast elkaar en interageerden allebei met de succesvolle individuen. De individuen met de preferentie werden evenwel frequenter in hun behoeften voorzien, waardoor de individuen zonder de preferentie verhoudingsgewijs steeds vaker benadeeld werden. Op die manier werd het hebben van de preferentie uiteindelijk een noodzakelijke voorwaarde voor behoeftebevrediging: de situatie van behoeftigheid impliceert dus niet automatisch de ontwikkeling van de preferentie, maar de voorziening in de behoefte impliceert wel het bestaan van de preferentie (dat klinkt misschien als logisch gegoochel, maar ga zelf maar dat het de essentie van het argument vat). Daarmee verbreidde die preferentie zich geleidelijk aan in de hele populatie. Economen noemen dat een "contractie" van de markt, en het heeft te maken met de numerieke meerderheid die de minder succesvolle, afhankelijke individuen normaal gezien wel hebben: niet iedereen is een succesvol individu, maar we zijn wel allemaal behoeftig, en daarom is elk van ons uiteindelijk op zoek naar de kenmerken van succes.

 

Vervolgens treedt de heel eigen dynamiek van vraag en aanbod in werking, waarvan het bekend is dat die soms onverwachte en onvoorspelbare sneeuwbaleffecten kan hebben. Dat zal ook hier het geval zijn. Aangezien er namelijk een massale preferentie is voor de succeskenmerken, wordt het ook omgekeerd voordelig om die kenmerken zelf te vertonen. Dat zal wel evident zijn: als er een grote vraag is naar een bepaald product, en iemand heeft dat product toevallig, dan zal hij probleemloos kandidaten vinden voor onderhandeling. Op dezelfde manier loont het om de succeskenmerken te signaleren, als daar zoveel preferentie voor bestaat. Dat is vanzelfsprekend voor de succesvolle individuen, maar het geldt ook voor de minder succesvolle individuen, die er hun eigen voordeel nog wat mee kunnen vergroten. Welke bijzondere gevolgen dat bovendien nog genereert zullen we zo meteen belichten, maar het algemene resultaat zal het wel duidelijk zijn. De interactie tussen de individuen - d.w.z. tussen de succes(signaal)zoekende individuen en de succes(signaal)hebbende individuen - wordt er namelijk in zekere zin door "kortgesloten": door de vraag naar succeskenmerken wordt het voordelig om een aanbod aan succeskenmerken te hebben, net zoals het omgekeerd door het aanbod aan succeskenmerken voordelig wordt om een vraag naar succeskenmerken te hebben. Op die manier zullen vraag en aanbod elkaar wederzijds versterken (wat in de economie een "positieve externaliteit" heet): de preferentie voor succeskenmerken voedt de proliferatie ervan onder de individuen, en de aanwezigheid van succeskenmerken voedt omgekeerd de aanwakkering van de preferenties ervoor. Uiteindelijk zullen preferentie en succeskenmerken samen "hand in hand" steeds meer individuen in hun greep krijgen: op den duur zal elk individu de succeskenmerken prefereren, zal ze ook effectief vertonen, zal ze ook willen hebben, zal willen dat de anderen willen dat ze die hebben, enzovoort.

 

Dat soort situaties, waarbij individuen anderen selecteren op basis van hun uiterlijke kenmerken en waarbij de anderen die kenmerken vertonen om bij de eerste groep in de gratie te vallen, komt in zoveel verschillende gedaantes voor dat ze ook apart bestudeerd worden. In de speltheorie worden ze signaalspelen genoemd. Een typische toepassing is het model van jobsollicitaties, dat door de econoom Michael Spence ontwikkeld is in zijn boek Market signaling: Informational transfer in hiring and related screening processes (1974): een werkgever probeert sollicitanten te screenen op basis van hun kwalificaties, terwijl de sollicitanten de werkgever proberen te overtuigen van hun competenties. De meest tot de verbeelding sprekende toepassing is evenwel die in de biologie, waar signaalspelen de verklaring vormen voor seksuele selectie op basis van fitnessindicatoren: wijfjesdieren proberen mannetjesdieren te selecteren met de beste indicatoren voor fitness, en de mannetjes proberen die fitnessindicatoren zo opvallend mogelijk te tonen om de wijfjes te lokken. Die fitnessindicatoren worden daarom ook seksuele ornamenten genoemd, en de illustere voorbeelden zijn wel bekend: de imposante staart van de pauw, het betoverende zangspel van de nachtegaal, het vervaarlijke gewei van het hert, enzoverder. Nu houdt seksuele selectie uiteindelijk rechtstreeks verband met het soort Eliasiaanse civilisatieproces bij de mens (voor wie zich afvroeg wat flirtgedrag bij dieren in godsnaam te maken heeft met taalnormen): de klassieke theorie in de evolutiebiologie luidt dat wat we "cultuur" noemen geŽvolueerd is uit zulke ornamenten, die indruk op de anderen moeten maken om zo onze reproductie veilig te stellen. Cultuur is meer bepaald een generalisering van seksuele ornamenten: niet alleen de vrouwelijke individuen moeten erdoor aangetrokken worden, maar alle andere individuen in het algemeen. De details van die theorie worden met verve uiteengezet door de evolutiepsycholoog Geoffrey Miller in zijn twee boeken The mating mind: How sexual choice shaped the evolution of human nature (2000) en Spent: Sex, status and the evolution of consumerism (2009).

 

Ook processen van sociale normering zijn met andere woorden een toepassing van het signaalspel. Voor omgangsvormen in het algemeen is dat, zoals gezegd, beschreven in de civilisatietheorie van Norbert Elias. Van standaardtalen is het daarnaast bekend dat ze in de regel de taal zijn van de sociale elite, oftewel per definitie de meest succesvolle individuen in een samenleving (behalve in Vlaanderen, en dat vormt nu net het cruciale verschil, dat in de volgende blogberichten uitgewerkt zal worden). Het ligt dan ook voor de hand dat er preferenties ontstaan voor individuen die de standaardtaal spreken, net zoals het omgekeerd vanzelfsprekend is dat steeds meer individuen de standaardtaal gaan gebruiken om zo hun succeskansen te vergroten. In de sociolinguÔstiek zegt men dat standaardtalen "prestige" hebben, en misschien is het gepast om ook de synoniemen even te vermelden: de "geciviliseerdheid" van Elias is er ťťn van, net zoals "distinctie" van de Franse socioloog Pierre Bourdieu een ander is. Het gevolg van dat prestige is dat zowel het gebruik van als de preferentie voor de standaardtaal zich uitbreidt onder de individuen in de samenleving. Dat bewijst dus de stelling, waarmee we dit blogbericht geopend hebben: onze afhankelijkheid maakt dat we niet alleen bereid zijn om ons aan te passen aan de preferenties van anderen, maar dat we op onze beurt zelf ook restrictiever worden in onze preferenties tegenover anderen.

 

Nu is er ťťn belangrijk aspect van signaalspelen onbesproken gebleven, maar het is wel van wezenlijk belang. Bedenk namelijk eens wat die preferentie voor succeskenmerken betekent voor de minder succesvolle individuen. Voor de succesvolle toplaag is er geen probleem; de preferentie was van meet af aan bedoeld om hen te identificeren. Dat geldt echter niet voor de andere, minder succesvolle individuen, die hun interactiekansen drastisch verminderd zien. De minder succesvolle individuen worden door de preferentie voor succeskenmerken met andere woorden benadeeld (hoewel ze die preferentie paradoxaal genoeg wel zelf kunnen hebben; tja, selectie trekt zich natuurlijk niets aan van paradoxen). Ze zullen dan ook hun toevlucht nemen tot de enige strategie die hen als minder succesvol individu ter beschikking staat, en die een inherent onderdeel van signaalspelen vormt: misleiding. De minder succesvolle individuen zullen (moeten) simuleren: ze zullen doen alsůf ze volmaakt succesvol zijn, doen alsůf ze tot die toplaag van succesvollen behoren. Bij gebrek aan reŽel succes zullen de minder succesvollen met andere woorden vals spel moeten spelen. Het is niet onbelangrijk om even te beklemtonen dat het hier wel degelijk om bedrog gaat: door te veinzen dat ze succesvol zijn, bedotten ze namelijk iemand die op zoek is naar een echt succesvol individu (wat zij niet zijn), om er zelf beter van te worden. De gevolgen daarvan zijn navenant. Natuurlijk zullen de screenende individuen de eerste keren flink bedrogen worden, maar na verloop van tijd zullen ze hun lesje wel leren... en er de gepaste conclusies uit trekken. De preferentie voor succeskenmerken was er namelijk gekomen om de succesvolle individuen te kunnen selecteren, en als er vervolgens valse succeskenmerken opduiken, dan is de logische voordelige reactie om een nog fijnzinnigere gevoeligheid voor succeskenmerken te ontwikkelen (om zo de echte van de valse succeskenmerken te kunnen onderscheiden). De misleiding, die tot doel had om de selectie te omzeilen, heeft zo het paradoxale gevolg dat de selectie erdoor verhardt: op termijn is simulering dan ook gemiddeld gezien een contraproductieve strategie. Het betekent wel dat de wisselwerking tussen selectie en misleiding in een permanente impasse zit: voor elk vals successignaal zullen de preferenties verscherpen, en voor elke verscherpte preferentie zullen er nieuwe vormen van misleiding ontwikkeld worden. Selectie lijkt zo in een situatie te zitten, die de bioloog Garrett Hardin the tragedy of the commons (1968) genoemd heeft en die nogal archaÔsch vertaald wordt als "de tragedie van de meent": een gemeenschappelijk stuk weiland wordt aan verschillende boeren gegeven om hun vee op te laten grazen, maar omdat elke boer een zo groot mogelijke opbrengst wilt, zijn ze er allemaal meer mee bezig om maar geen stuk weide aan de anderen over te laten. Zulke tragedies zijn echter niet ongewoon bij sociale selectie. De patstelling, waarin de selectie verzeild is geraakt, staat namelijk ook wel bekend als een rode-koningineffect. De naam komt uit de passage in Through the looking-glass van Lewis Carroll, waar Alice de Rode Koningin ontmoet en ze samen beginnen te rennen, om vast te stellen dat ze gewoon op dezelfde plaats blijven. Om die reden is de term "patstelling" trouwens zo toepasselijk, omdat de Rode Koningin in Through the looking-glass eigenlijk een van de stukken uit het schaakspel is. De passage gaat als volgt:

 

Alice looked around in great surprise. "Why, I do believe we've been under this tree the whole time! Everything's just as it was!"

"Of course it is," said the Queen. "What would you have it?"

"Well, in our country," said Alice, still panting a little, "you'd generally get to somewhere else - if you ran very fast for a long time as we've been doing."

"A slow sort of country!" said the Queen. "Now, here, you see, it takes all the running you can do, to keep in the same place."

(The annotated Alice. The definitive edition., 174)

 

Het rode-koningineffect slaat met andere woorden op het verschijnsel dat, hoewel alle individuen zich inspannen om een voordeel ten opzichte van elkaar te behalen, alles verhoudingsgewijs echter gelijk blijft, en wel omdat iedereen die inspanning doet: daartoe worden ze omgekeerd namelijk verplicht, omdat ze anders hun voordeel juist zouden verliezen. Het verband met selectie wordt uitgebreid beschreven in het boek The red queen: Sex and the evolution of human nature (1993) van de bioloog Matt Ridley. Het onvermijdelijke gevolg van een rode-koningineffect, wat dan ook zijn cruciale eigenschap is, is natuurlijk ongebreidelde escalatie. De geneticus/statisticus Ronald Aylmer Fisher heeft om die reden het begrip runaway selection gelanceerd, wat we kunnen vertalen als "op hol geslagen selectie". De notie van "ongebreideld" is daarbij fundamenteel: bij dit type selectie is letterlijk "het einde zoek". Het wederzijds versterken van vraag en aanbod, dat bovendien verscherpt wordt door de mogelijkheid van misleiding, resulteert in een explosie van steeds complexer wordende vormen van selectie.

 

Op dezelfde manier kunnen de sociale omgangsvormen escaleren in steeds complexere patronen. Die kunnen een gunstige uitwerking hebben op de individuen in de samenleving, en in dat geval spreken we van "cultuur". Ze kunnen echter ook een belemmering betekenen voor de interacties tussen de individuen. De pauwstaart of het gewei zijn bijvoorbeeld handicaps, die de bewegingsvrijheid van de pauw en het hert beperken. Bij omgangsvormen gaat het in dat opzicht meer bepaald om allerhande maniŽristische gekunsteldheden, die een hypertrofie zijn van gewone interindividuele omgang. Het is in die zin dat in Vlaanderen de vergelijking met de standaardtaal zich wel aandient. Volgens de uiteenzetting in dit blogbericht zal het maniŽrisme opduiken, als individuen geen wezenlijk selectievoordeel boeken met hun omgangsvormen. In dat geval blijven ze namelijk ter plaatse trappelen (dat is het rode-koningineffect), zodat de enige toevlucht erin bestaat om hun preferenties nog verder te verstrakken - in een straatje zonder einde. Als gevolg daarvan zullen zich omgangsvormen ontwikkelen, die steeds verder afstaan van de spontane interactie. Met betrekking tot taal, zullen die maniŽrismen op die manier de uitdrukking vormen van wat in Vlaanderen het legendarische taalprobleem is: taalonzekerheid, en daar zullen de volgende blogberichten dan ook over uitweiden.

 

Brokstuk twee en een kwart: de adhesie aan normen

Blogbericht van stijfvreter | Woensdag 6 juli 2011

In de vorige berichten hebben we (tot vervelens toe) de stelling verdedigd dat alle taalvormen conventioneel zijn, dat er dus geen inherent natuurlijke vormen bestaan, en dat de mate van artificieelheid van een vorm uiteindelijk een kwestie van gewenning is. Het is daarmee hoog tijd om te verklaren waarom sprekers er Łberhaupt toe komen om zich aan te passen aan taalregels: wat beweegt er sprekers eigenlijk toe om bepaalde taalregels over te nemen? Als leidraad herhalen we daarbij het al eerder vermelde principe dat individuen regels volgen als die hen voordeel opleveren.

 

Ons vertrekpunt vormt het taalgedrag dat tijdens de primaire socialisatie spontaan en 'automatisch' verworven wordt. Die taalovername beschouwen we als feitelijk gegeven en verklaren we niet nader. Dat moet ooit nog het onderwerp vormen van wat ik eens de 'kuddetheorie' genoemd heb, maar wat ik nu eerder de 'harmonietheorie' wil noemen, en waarvan de uitwerking er tot nu toe nooit is kunnen komen. De harmonietheorie blijft dan ook toekomstmuziek, en de reden is dat we het in de context van standaardisering en/of informalisering eigenlijk ook niet nodig hebben. Het globale idee zal namelijk wel duidelijk zijn, en laat zich samenvatten onder de noemer absorptie: tijdens onze eerste ca. zes levensjaren absorberen we het gedrag dat we waarnemen in onze directe omgeving. Dat gebeurt 'automatisch' en spontaan, omdat het een aangeboren instinct is: we hebben de genetisch bepaalde dispositie om (in onze kindertijd) ons gedrag te 'modelleren' (om de term van sociaalpsychologen te gebruiken) naar dat van anderen in onze nabije omgeving. Als kinderen zijn we met andere woorden de (taal)gedragsmatige 'copy-cats' van onze ouders.

 

Nu is daarmee echter niet alles gezegd. Zodra onze primaire taalverwerving namelijk voorbij is, gaan we taal gebruiken in onze interacties met derden, en die gaan we natuurlijk niet aan om alleen maar hun gedrag te kopiŽren: sociale betrekkingen gaan we aan om onze doelstellingen te verwezenlijken en te verkrijgen wat we nodig hebben. Sociale verbanden (waarin taal als bindmiddel fungeert) ontstaan met andere woorden vanuit onze behoeftigheid en vanuit ons streven om daarin te voorzien. In de praktijk betekent dat natuurlijk altijd onderhandeling, en omdat taal nu eenmaal onderdeel vormt van sociale interactie, draagt taal onvermijdelijk het potentieel in zich om voorwerp van onderhandeling te worden. Ook taal is met andere woorden onderhevig aan de allesoverheersende wet van vraag en aanbod.

 

Om dat te begrijpen kunnen we een typesituatie schetsen waarin de behoeftigheid van individuen hen drijft tot interactie, en het gebruikelijke voorbeeld is wel dat van voedselverdeling: stel dat jij honger hebt en je 'buur' (d.i. die ene andere persoon in de buurt) heeft een stuk brood. Nu kan hij dat aan jou geven, maar niets verplicht hem er natuurlijk toe om dat zomaar te doen: hij kan er evengoed een wederdienst van jou tegenover stellen. Hij stelt je dan een voorwaarde, waaraan jij moet voldoen, opdat hij jou in je behoefte voorziet. Het punt is dat dat om het even wat kan zijn: het maakt niet uit welke voorwaarde hij je precies oplegt, zolang jij die maar beantwoordt. De gestelde voorwaarde is met andere woorden volstrekt willekeurig: ga maar na, er is geen enkele formule die zegt hoe de voorwaarde op welke wijze dan ook verband zou moeten houden met jouw oorspronkelijke vraag. Waar het om draait, is dat jou een wederdienst gesteld wordt, die je moet nakomen, wil je dat je behoefte bevredigd wordt. Zo is het dan ook mogelijk dat die voorwaarde betrekking heeft op je taalgedrag, bijvoorbeeld je manier van uitdrukken als je dat stuk brood van hem vraagt. Als dat zo is, dan kun jij daar weinig aan veranderen, en zul jij je expressie moeten verzorgen. Je kunt nu wel vinden dat taalgedrag een volslagen irrelevante voorwaarde is, die op geen enkele manier in verhouding staat tot het stuk brood, maar alles welbeschouwd koop je daar weinig voor: jij kunt je die bedenking wel maken, maar als dat de voorwaarde is die de aanbieder je stelt, dan heb je weinig andere keuze dan die gewoon te accepteren (tenminste, als je wilt dat je het stuk brood van hem krijgt). Doe je dat namelijk niet, dan kan hij altijd weigeren om jou het stuk brood te geven en dan blijf jij - letterlijk - alleen maar 'op je honger zitten'. De gestelde voorwaarde, hoe willekeurig ook, is kortom de prijs die jij betaalt voor de door hem geleverde behoeftevoorziening.

 

Vervolgens laten we de complexiteit een beetje toenemen. Bij het samenleven van individuen is meestal niet zo dat de ene partij eenzijdig over de middelen beschikt die in de behoefte van de andere(n) voorzien, terwijl de andere partij eenzijdig behoeftig is en dus afhankelijk van de eerste(n). Doorgaans zijn we allemaal een beetje afhankelijk van elkaar. Het voorbeeld bij uitstek is dat waar je buur de broden bakt die jouw honger stillen, terwijl jij dan weer de kleren maakt die hem kunnen beschermen tegen regen en koude. Het principe, waarop hier gealludeerd wordt, is met name dat van arbeidsdeling, dat Adam Smith in zijn boek The Wealth of Nations uit 1776 heeft omschreven als hťt elementaire 'bindende' mechanisme dat geÔsoleerde individuen 'tot elkaar' brengt (een gedachte die later is uitgewerkt door Emile Durkheim in De la Division du Travail Social uit 1893 tot een heuse theorie over sociale cohesie: arbeidsdeling als de sociale 'lijm' die individuen tot collectieve gehelen smeedt). Het idee is dat elk individu zich specialiseert in net dat waar er bij alle andere individuen behoefte aan is (elk individu zoekt met andere woorden een eigen 'niche' op). Als die wederzijds behoeftige individuen vervolgens hun behoeftevoorzieningen aan elkaar gaan uitwisselen, ontstaat er zo spontaan een collectief gecoŲrdineerde samenleving. Het zal wel duidelijk zijn welke weerslag dat heeft op de omgangsvormen, zoals taalregels, bijvoorbeeld. In het meest basale model worden de twee behoeftevoorzieningen namelijk op zich als gelijkwaardig tegen elkaar uitgewisseld: een kledingstuk voor een stuk brood, en verder komt daar niets anders bij kijken. Subtielere situaties zijn echter die waar er tegen elkaar opgeboden (of afgedongen) wordt. Omdat een van de partijen niet akkoord gaat met de gelijke waarde van de twee uitgewisselde voorzieningen (hij vindt bijvoorbeeld dat het hele bakproces van een brood beduidend meer investeringen vergt dan het aan elkaar naaien van een kledingstuk), zal hij ertoe overgaan om bijkomende voorwaarden te stellen (zoals hierboven beschreven). Het punt, dat daarmee evenwel blootgelegd wordt, is dat elke onderhandeling een impliciet conflictueuze activiteit is, hoe vredig en constructief alles aan de oppervlakte ook mag lijken: iedere partij in het geding wil er primair het beste voor zichzelf uit halen, dus zal niemand zich zomaar zonder slag of stoot neerleggen bij de voorwaarden die hem opgelegd worden. Uiteindelijk heeft de andere namelijk ook jou nodig (voor zijn kleren), dus moet ook hij een aanpassing doen. Dat impliceert dat de tweede partij haast onvermijdelijk zal reageren door op zŪjn beurt zijn eigen bijkomende voorwaarden te formuleren. Hij vermeerdert met andere woorden het aantal bijkomende voorwaarden, maar hij doet dat om de onderhandeling (weer) in equilibrium te brengen. Om dat op ons taalvoorbeeld toe te passen: als je buur bijvoorbeeld jou het stuk brood pas wilt geven als jij bepaalde woordkeuzes maakt, dan kun jij hem enkel het kledingstuk geven als hij op zijn uitspraak let.

 

Dat toont aan hoe taalregels, zoals alle bijkomende voorwaarden, vooral middelen zijn om je in het onderhandelingsproces te laten gelden: je wilt geen doetje zijn en je door de andere in een hoekje laten drummen; je wilt dat hij ook rekening met jou houdt. Welnu, taalregels zijn dan een manier om de andere voor voldongen feiten te plaatsen. Dat is eigen aan elke onderhandeling, en het heet retributie: ik dek jou(w rug) als jij op de mijne krabt, maar als jij bij mij een appel steelt, dan hak ik jouw notelaar om. "Oog om oog, tand om tand" is een andere naam, maar omdat die teveel louter het negatieve aspect van bestraffing benadrukt, en de positieve connotatie van wederzijdse dienstverlening een beetje verbergt, is de betere uitdrukking misschien (zeker voor wie nu aan het googlen slaat): tit for tat. Wat dat voor de omgangsvormen betekent laat zich wel raden: de retribuerende strategieŽn van individuen in onderhandeling vormen namelijk hťt mechanisme dat leidt tot de genese van allerhande normen en prescriptieve regels. Als dat niet meteen duidelijk is voor twee individuen, bedenk dan eens wat er gebeurt in samenlevingen met tien individuen, of honderd, duizend, een miljoen,... of zes miljoen. Ieder individu in die samenleving is gespecialiseerd in een bepaalde niche van behoeftigheid waarin hij kan voorzien; allemaal zullen ze daar elk op zich gebruik van maken om voor zichzelf het grootste voordeel te verkrijgen en de anderen zoveel mogelijk te verplichten om met hen rekening te houden. Elk van hen zal dan ook aan de samenleving deelnemen door zijn of haar bijkomende voorwaarde(n) te stellen - denk namelijk aan de zonet aangestipte eigenschap van onderhandeling dat het het aantal bijkomende voorwaarden per definitie vermeerdert en nooit vermindert. Het resultaat is een hele mikmak van normatieve regels, die bepalen hoe iedereen zich in sociale betrekkingen met elkaar moet gedragen.

 

Uiteindelijk is net dat het hele idee achter de civilisatietheorie van Norbert Elias. Ook Elias zag in de retributieve praktijken van gespecialiseerde individuen de oorzaak ('als door een onzichtbare hand geleid', om aan die andere notie van Adam Smith te appelleren) voor het ontstaan van allerhande regels voor de 'beschaafde omgang' - en in het geval van Elias mogen dat echt wel 'etiquetteregels' genoemd worden. Elias' theorie over 'civilisering' is dan ook in elk opzicht een theorie over regulering.

 

Vlaams als vreemde taal voor Vlamingen

Blogbericht van Krommenaas | Dinsdag 5 juli 2011

In nen ouwen Humo (van 19 april 2011) las ik een lang interview met twee grafittispuiters. Bijzonder is dat den interviewer (Kristoff Tilkin) regelmatig stukskes van d'antwoorden van zijn twee onderwerpen weergeeft gelijk zij ze zeiden:

  • Kweenie. Omdat treinen schoon zijn, denk ik.
  • Dat kunde niet menen
  • Keitof, mannekes, doe zo voort
  • Wette, ...
  • Nadat ik er stillekes was uitgekropen
  • Ik raak dat spel aan en er gaat een alarm af
  • Mijn oor.
  • 't Is een spelleke
  • Allez, vind je dat nu zelf mooi?
  • Ik dacht: "Wat is dees?"
  • Ik had zjust een actie in de metro in Brussel gedaan
  • die madam haar voordeur
  • of we vandalen of kunstenaars zijn, of iet daartussenin
  • Al de rest is zever
  • we mogen ook al eens iet onnozel doen
  • zonder diploma kunde alleen van die mongolenjobs krijgen
  • man, dat is zo mottig
  • Wa hadde gedacht
  • Amai, ik moet dringend gaan graffen

 

De cursieven tekst is ook in den Humo cursief, om aan te geven da 't geen AN is. Engelse termen, die z'ook veel gebruiken, worden precies hetzelfde weergegeven.

 

Eerst en vooral lof aan de journalist om het taalgebruik van zijn onderwerpen tenminste voor een stuk authentiek weer te geven. Maar het stemt tot nadenken: hoe absurd is onze taalsituatie ni dat onze pers interviews afneemt in het Vlaams, van mensen die Vlaams spreken, maar dat ze die interviews dan vertaalt naar het Nederlands en ze in het Nederlands presenteert, om gelezen te worden door mensen die nochtans ook Vlaams spreken? En hoe absurd is het ni dat de stukken die ni vertaald worden op dezelfde manier weergegeven worden als vreemde talen?

 

Postscriptum over taalnatuurlijkheid

Blogbericht van stijfvreter | Donderdag 7 april 2011

Dat de opvatting over taalnatuurlijkheid teruggaat tot de Bijbelse tijden is trouwens niet toevallig: de allereerste discussie in de geschiedenis van de taalfilosofie ging er al over. Onder de sofisten werd er namelijk veel gedebatteerd over "de juistheid van namen", zoals dat heette, en daarbij waren er twee kampen: aan de ene kant waren er de aanhangers van de zogenaamde fusei-theorie, die geloofden dat er een natuurlijke band is tussen taal en wereld (vandaar "fusei" dat ook de stam is van fysica), en anderzijds waren er die van de thesei-theorie, voor wie taal een kwestie is van "nomos", oftewel wet of conventie. De antipoden Parmenides (die vond dat er niets in de wereld echt veranderde en dat alle worden maar schijn was) en Heraclitus (die net beweerde dat alles altijd in wording was en dat "je nooit twee keer in dezelfde rivier kunt stappen") waren ook hier elkaars tegenstanders, want Parmenides was een overtuigde voorstander van de thesei-theorie, terwijl van Heraclitus vermoed wordt dat hij eerder neigde naar de fusei-theorie (maar echt zeker is men niet).

 

In die vorm komt het debat tussen fusei- en thesei-theoretici ook voor in de enige dialoog van Plato die aan het probleem van "de juistheid van namen" gewijd is, de Cratylus. Daarin blijkt dat de natuurlijkheid van taal vooral begrepen wordt - door de aanhangers van de fusei-theorie - in termen van klanksymboliek. We citeren De Pater & Swiggers (2000: 65): 'de r is geŽigend voor bewegingen, l roept het vloeibare op, o beeldt het ronde uit, de i het kleine, enzovoort.' Het is dan ook niet moeilijk voor Plato (bij monde van Socrates die met Cratylus dialogeert) om de fusei-theorie te weerleggen: het adjectief 'hard' in het Grieks is "skleros", dat echter een l bevat en dus net vloeibaarheid en zachtheid oproept. Plato laat Cratylus daarom ook toegeven dat "skleros" een "minder juiste" naam is, maar daarmee is de discussie uiteindelijk beslecht: de woorden van de taal zijn conventioneel.

 

De tegenstelling tussen de fusei- en de thesei-opvatting duikt ook op in Through the looking-glass (het vervolg op Alice's adventures in Wonderland) van Lewis Carroll, met name wanneer Alice in hoofdstuk 6 Humpty-Dumpty ontmoet. Humpty-Dumpty hangt een wel zeer extreme versie van de thesei-theorie aan, zoals blijkt uit de volgende, overbekende passage:

 

"'When I use a word,' Humpty-Dumpty said, in rather a scornful tone, 'it means just what I choose it to mean - neither more or less.'

'The question is,' said Alice, 'whether you can make words mean so many different things.'

'The question is,' said Humpty-Dumpty, 'which is to be master - that's all.'"

 

Om af te sluiten citeren we de notitie (in haar geheel) die Martin Gardner daarbij maakt in zijn vermaarde, geannoteerde editie van de Alice-boeken:

 

"Lewis Carroll was fully aware of the profundity in Humpty Dumpty's whimsical discourse on semantics. Humpty takes the point of view known in the Middle Ages as nominalism; the view that universal terms do not refer to objective existences but are nothing more than flatus vocis, verbal utterances. The view was skillfully defended by William of Occam and is now held by almost all contemporary logical empiricists.

Even in logic and mathematics, where terms are usually more precise than in other subject matters, enormous confusion often results from a failure to realize that words mean 'neither more of less' than what they are intended to mean. In Carroll's time a lively controversy in formal logic concerned the 'existential import' of Aristotle's four basic propositions. Do the universal statements 'All A is B' and 'No A is B' imply that A is a set that actually contains members? Is it implied in the particular statements 'Some A is B' and 'Some A is not B'?

Carroll answers these questions at some length on page 165 of his Symbolic Logic. The passage is worth quoting, for it is straight from the broad mouth of Humpty Dumpty.

 

The writers, and editors, of the Logical textbooks which run in the ordinary grooves - to whom I shall hereafter refer by the (I hope inoffensive) title 'The Logicians' - take, on this subject, what seems to me to be a more humble position than is at all necessary. They speak of the Copula of a Proposition 'with bated breath'; almost as if it were a living, conscious Entity, capable of declaring for itself what it chose to mean, and that we, poor human creatures, had nothing to do but to ascertain what was its sovereign will and pleasure, and submit to it.

In opposition to this view, I maintain that any writer of a book is fully authorised in attaching any meaning he likes to any word or phrase he intends to use. If I find an author saying, at the beginning of his book: 'Let it be understood that by the word 'black' I shall always mean 'white', and that by the word 'white' I shall always mean 'black',' I meekly accept his ruling, however injudicious I may think it.

And so, with regard to the question whether a Proposition is or is not to be understood as asserting the existence of its Subject, I maintain that every writer may adopt his own rule, provided of course that it is consistent with itself and with the accepted facts of Logic.

Let us consider certain views that may logically be held, and thus settle which of them may conveniently be held; after which I shall hold myself free to declare which of them I intend to hold.

 

The view adopted by Carroll (that both 'all' and 'some' imply existence but that 'no' leaves the question open) did not finally win out. In modern logic only the 'some' propositions are taken to imply that a class is not a null class. This does not, of course, invalidate the nominalistic attitude of Carroll and his egg. The current point of view was adopted solely because logicians believed it to be the most useful.

When logicians shifted their interest from the class logic of Aristotle to the propositional or truth-value calculus, another furious and funny debate (though mostly among non-logicians) raged over the meaning of 'material implication'. Most of the confusion sprang from a failure to realize that 'implies' in the statement 'A implies B' has a restricted meaning peculiar to the calculus and does not refer to any causal relation between A and B. A similar confusion still persists in regard to the multivalued logics in which terms such as and, not and implies have no common-sense or intuitive meaning; in fact, they have no meaning whatever other than that which is exactly defined by the matrix tables, which generate these 'connective' terms. Once this is fully understood, most of the mystery surrounding these queer logics evaporates.

In mathematics equal amounts of energy have been dissipated in useless argumentation over the 'meaning' of such phrases as 'imaginary number', 'transfinite number', and so on; useless because such words mean precisely what they are defined to mean; no more, no less.

On the other hand, if we wish to communicate accurately we are under a kind of moral obligation to avoid Humpty's practice of giving private meanings to commonly used words. 'May we ... make our words mean whatever we choose them to mean?' asks Roger W. Holmes in his article 'The Philosopher's Alice in Wonderland' (Antioch Review, Summer 1959). 'One thinks of a Soviet delegate using 'democracy' in a UN debate. May we pay our words extra, or is this the stuff that propaganda is made of? Do we have an obligation to past usage? In one sense words are our masters, or communication would be impossible. In another we are the masters; otherwise there could be no poetry.'"

(Lewis Carroll 2001. The Annotated Alice. The Definitive Edition., 224-227)

 

Versimpeling van den tussen-n-regel

Blogbericht van Grytolle | Maandag 21 maart 2011

'k Heb een beke zitten nadenken, en als ekik van d'SN-mensen was, dan zou ekik de tusssen-n zo regelen:

 

(0. enkelvoud eindigt op -en-: schrijft -en- want het is genen tussenklank)

1. enkelvoud eindigt op -e: -schrijft -e-

 

2. enkelvoud eindigt niet op -e:

a) gij zou het woord een meervoud op -en geven: schrijft -en-

b) gij zou het een meervoud op -s geven: schrijft -e-

 

(3. Klinkerbotsingen zou ik volgens de goede uitspraak willen oplossen met een -n- omdat dat naar mijn mening veel beter oogt dan een trema of een strepeke - zo deden ze het trouwens in de regeling de Vries-Te Winkel, met uitzondering van "minne".)

 

Veel variatie gaat dat niet opleveren want de meeste gevallen met meervoud op -en ťn -s eindigen op -e en vallen dus onder 1, en andere woorden met -s-meervouden zijn ofwel leenwoorden en krijgen sowieso heel zelden (nooit?) nen tussenklinker, ofwel eindigen ze op -el, -en, -er, -em en krijgen dan ook genen tussenklinker.

 

Ik wil dus alle uitzonderingsregels over planten, versteende samenstellingen en weet-ik-veel schrappen, en de moeilijkheid om te weten of er ťťn of twee meervouden mogelijk zijn oplossen door regel 1.

 

(Omdat dees niet echt over het Vlaams gaat heb ik het maar in nen blogpost gezet ipv op het forum)

 

Nogmaals taalnatuurlijkheid, of toch net niet

Blogbericht van stijfvreter | Zaterdag 12 maart 2011

We zullen nog een laatste keer terugkomen op de zogenaamde natuurlijkheid van dialecten en/of het inherent artificiŽle van standaardisering: dat is dan het derde bericht, en zo kunnen we het onderwerp als een trilogie afsluiten. De invalshoek die we hier zullen kiezen is die van wetenschappelijke hypothese: de theorie van wat we maar de 'taalnatuurlijkheid' zullen noemen beweert dan dat endogene elementen intrinsiek spontaan zijn en dat sprekers een automatische neiging zullen vertonen om ze te gebruiken, en dat exogene of opgelegde elementen per definitie gevoelens van weerstand zullen oproepen.

 

Het is een vaak geuite gedachte, vooral in populaire discussies (op al even populaire fora), en het valt gemakkelijk in te zien dat ze pertinent onwaar is. Op de website 'Red het Belgisch Nederlands' wordt nu bijvoorbeeld al berichtenlang de teloorgang aangekaart van aloude Vlaamse worden zoals "plezant", "goesting", "kleed" etc. Vandaag de dag gebruiken we in toenemende mate en ongestoord "leuk", "zin", "jurk" e.d. Als de hypothese van de taalnatuurlijkheid waar was, dan zou dat natuurlijk niet kunnen: we zouden een spontane neiging moeten voelen om de woorden uit het laatste rijtje te weren, en in plaats daarvan terug te grijpen naar de woorden uit het eerste rijtje. De realiteit is echter dat woorden zoals "leuk", "zin", "jurk" volstrekt geen problemen (meer) oproepen, en dat is het net wat de bezorgdheid van de Belnedblogger (d.i. de beheerder van 'Red het Belgisch Nederlands') wekt: we (of toch steeds meer Vlamingen) voelen helemaal geen tegenstand of zelfs maar onwennigheid om ze te gebruiken. Integendeel, voor de meeste Vlamingen klinken ze steeds vlotter.

 

Of neem de discussies over het woordgenus, die ook op deze site al over veel berichten uitgesmeerd zijn. Is het niet vreemd dŠt er gewoon nog maar over woordgeslachten gediscussieerd wordt? Ooit was het namelijk zo klaar als een klontje wat het genus is van woorden zoals "helft", "abces" en "leugen", maar blijkbaar zijn daarin ongemerkt verschuivingen opgetreden die we, sterker nog, vandaag volstrekt normaal vinden. Naar het zich laat aanzien is er toch niet zoiets als een 'intrinsiek geslacht' dat woorden hebben, en waar wij dan altijd naartoe zouden neigen.

 

Nu betreffen deze voorbeelden allemaal lexicale aspecten, en er is in de taalwetenschap een hele school die beweert dat het lexicon maar een perifeer deel is van de taal. De kern van de taal, zo luidt de theorie, is de grammatica: syntaxis en morfologie, daar draait het om. Nu valt er op die theorie nogal wat af te dingen (zo zijn lexicon en grammatica namelijk niet zo scherp van elkaar te scheiden, zoals bijvoorbeeld blijkt uit vaste verbindingen, zegswijzen, uitdrukkingen, enz.), maar hoe dan ook maakt het eigenlijk niet veel uit: zelfs als we dat uitgangspunt for the sake of the argument nu maar even aannemen, dan verandert dat weinig aan onze discussie over de artificieelheid van standaardisering. Er zijn namelijk tal van grammaticale voorbeelden te geven waarvan de hedendaagse standaardvariant ons helemaal niet als onnatuurlijk voorkomt. Neem bijvoorbeeld de aanvoegende wijs, de Nederlandse pendant van de Latijnse conjunctief. In het Oud- en Middelnederlands was dat de geijkte manier om een wens enzomeer uit te drukken met een compleet systeem voor alle zes personen (1-ste, 2-de en 3-de, in zowel enkelvoud als meervoud), in volmaakte concurrentie met de indicatief. Vandaag leeft het alleen nog voort in vaste uitdrukkingen zoals "leve de koning" en/of "het ga u goed", maar er is niemand die vindt dat de Nederlandse grammatica nu 'lege plekken' vertoont. De morfologie bevat daarbij misschien nog wel het meest illustere voorbeeld van teloorgegane elementen die eigenlijk door niemand gemist worden: de naamvallen. Het Middelnederlands had een volledig systeem van uitgangen voor 4 verschillende naamvallen: de nominatief, genitief, datief, en accusatief, en dat voor zowel een 'sterke' als een 'zwakke' klasse van substantieven. Is er echter iemand die het tegen de borst stuit dat die vormen er vandaag niet meer zijn? Vindt er iemand dat dit een natuurlijkere toestand van het Nederlands zou representeren?

 

Integendeel, we kennen allemaal www.vlaamsetaal.info waar dit soort ideeŽn aangehangen worden, wat bij Krommenaas ooit de bewering heeft ontlokt: "diej mens is persies al een paar eeuwen ni meer buiten geweest".

 

Dus: neen, niemand voelt die oudere vormen, die soms nog lokaal bewaard gebleven zijn, als 'authentieker' aan, en niemand percipieert de huidige, meer geŁniformiseerde toestand (die er grotendeels door de standaardisering gekomen is) als op ťťn of andere manier onnatuurlijk en weerstandwekkend. Eerder lijkt het zo te zijn, en daar zouden de hierboven gegeven voorbeelden het bewijs van hebben moeten leveren, dat die perceptie van natuurlijkheid gewoon het product is van gewenning: we beschouwen een bepaald element als natuurlijk dan wel artificieel naarmate we er (respectievelijk) meer of minder aan blootgesteld zijn, en doorslaggevend is daarbij de primaire socialisatie tijdens de kinderjaren. Natuurlijkheid en/of artificieelheid zijn zo zelf het gevolg van wat in de sprekersgemeenschap de facto habitueel gangbaar is.

 

Alleen, daarmee wordt de theorie van de taalnatuurlijkheid volslagen circulair: als het natuurlijke dan wel artificiŽle statuut van bepaalde taalelementen afhangt van hun verankering in het habituele taalgebruik, dan kun je die natuurlijkheid of artificieelheid natuurlijk niet inroepen als verklaring waarom een sprekersgemeenschap die elementen habitueel wel of niet gebruikt. Veel accurater is het om te beweren dat sprekers in een bepaald habitueel patroon gesocialiseerd zijn, en dat die socialisatie tegelijk hun perceptie van natuurlijkheid en artificieelheid verklaart.

 

We alluderen daarmee op de centrale notie van Saussure: alles aan taal is door en door conventioneel. Het maakt ook duidelijk wat het pijnpunt is waar de theorie van de taalnatuurlijkheid aan lijdt: die theorie is een vorm van essentialisme. Het doet het voorkomen alsof er in taal een onvervreemdbare, 'innerlijke vorm' van spreken is, die onveranderlijk is en onaantastbaar. Het is de voorstelling die bepaalde mystici hebben over de taal van het Aards Paradijs, waarin de woorden (nog) de 'ware aard' van de dingen uitdrukken (wat dat dan ook moge betekenen), maar die sinds de spraakverwarring van Babel in verbasteringen verloren geraakt is. Het is de reden waarom de school van de Kabbala al sinds de vroege Middeleeuwen zichzelf verliest in allerhande typografische praktijken zoals het van achter naar voren en/of van onder naar boven plaatsen van de letters uit de Thoraboeken, het vervangen ervan door cijfers om daar rekenkundige bewerkingen op te doen en de uitkomst daarvan opnieuw om te zetten in woorden, de beginletter van elk woord combineren tot nieuwe woorden, of gewoon letters cryptografisch vervangen door andere letters, en dat allemaal in ťťn titaanse poging om het Ware Woord van God te achterhalen.

 

Het is volstrekte illusie: in taal zijn er geen natuurlijke essenties maar enkel gehabitualiseerde conventies. Nu internaliseren we die conventies weliswaar, waardoor sommige praktijken inderdaad min of meer 'natuurlijk' en vanzelfsprekend kunnen lijken, maar dat komt alleen maar omdat we ons niet (meer) bewust zijn van onze socialisering.

 

Tegelijk wijst dat echter op twee belangrijke implicaties, een ethische en een wetenschappelijke. Ten eerste betekent natuurlijkheid als effect van gewenning dat het handen uit de mouwen is voor wie ijvert voor het behoud van endogene Vlaamse elementen: de massale verspreiding van het Standaardnederlands in de media e.d. als middel voor officiŽle communicatie en de blootstelling van zoveel sprekers daaraan maakt dat die sprekers die situatie op den duur automatisch normaal zullen beginnen vinden. In het huidige Vlaamse taalklimaat is de dominantie van de standaardtaal met andere woorden onvermijdelijk. Ruud Hendrickx heeft dan ook gelijk als hij zijn taalbeleid verdedigt om net dezelfde reden als waarom de Belnedblogger het aan de kaak stelt: onder deze omstandigheden gaan we de varianten van de standaardtaal van langsom meer overnemen. Het betekent wel een wake-up call voor wie minzame bezorgdheid koestert voor de dialecten en hun varianten: naar het zich laat aanzien blijven er steeds minder uitwegen over dan om vroeg of laat over te gaan tot politieke actie.

 

De wetenschappelijke implicatie is ten tweede dat we nu op zoek moeten naar meer gefundeerde verklaringsfactoren om de verbreiding van informalisering en het Verkavelingsvlaams te kaderen dan een simplistisch en circulair beroep op 'natuurlijkheid' - en dat is het waar het dit bericht om te doen is geweest. We hebben gezien dat de natuurlijkheid die sprekers bij taalvarianten voelen er het gevolg van is hoe gangbaar de variant is in het habituele taalgebruik. Het komt er dan ook op aan om de factoren te achterhalen die bepalen hoe ruim of beperkt verspreid een variant Łberhaupt geraakt: wat maakt dat de ene variant in het algemeen publieke verkeer gangbaar wordt, terwijl de andere variant geÔsoleerd blijft tot lokale situaties?

 

Het antwoord op die vraag is een in de sociologie klassiek principe: het hangt allemaal van de mobiliteit van de sprekers af welke varianten het ruimst verspreid geraken en welke beperkt blijven tot de lokale en/of uitzonderlijke omgang. Het zijn namelijk de mobiele sprekers die het sterkst de publieke sfeer in de samenleving "penetreren", en zo de communicatieve omgang "inpalmen" met hun endogene varianten. Voor alle andere sprekers betekent dat ofwel dat ze zich zullen moeten aanpassen aan de gevestigde varianten, ofwel dat ze andere en/of nieuwe middelen dienen te vinden om zich in de samenleving "te laten gelden". Vooral die verwijzing naar 'middelen' maakt duidelijk dat het ultieme mechanisme achter de reikwijdte van taalverspreiding uiteindelijk dat van macht is - en daarmee sluiten we aan bij wat de algemene lijn van deze blog is geweest sinds de aller-vroegste berichten (oef, is me dat eindelijk een opluchting, zeg!): het zijn de sprekers met de meeste middelen - en die zijn van socio-economische aard - die zich het sterkst in de samenleving kunnen "doorzetten" en daarmee de sociale omgang naar hun hand zetten. In die zin ďciviliserenĒ zij de omgangsvormen, zoals het in de terminologie van Norbert Elias heet. Het komt er dan ook op aan om de distributie van de socio-economische middelen en de verschuivingen daarin te achterhalen die samenhangen met het variatiespectrum in het hedendaagse Belgische Nederlands. Als we dat gedaan hebben, dan hebben we er werkelijk een verklaring voor gevonden waarom het Vlaamse taallandschap eruit ziet zoals het er nu eenmaal uit ziet.

 

Zo, daarmee is dan de laatste argumentatieve hindernis uit de weg geruimd en is het nu linea recta naar de finale!

 

athleten drinken genen tee

Blogbericht van Grytolle | Vrijdag 25 februari 2011

Bron: Wikipedia: Geschiedenis van de Nederlandse spelling

Spelling-Marchant (1934, Nederland)

(...)

de 'th' (met niet uitgesproken h) bleef soms (thans, theater, thee, katholiek) en verdween soms (atleet, auteur, retoriek, panter).

 

Hoe dom was da nu? Elke keer als 'kik een woord moet schrijven waarvan da 'k weet da 't in 't Engels een /th/ heefd moet ek gaan opzoeken dewelke de willekeurige schrijfwijze van het Nederlands is. Compleet idioot. Z'hadden toen al moeten beseffen da dad ongelofelijk onhandig ging zijn. Of zijn ekik misschien den enigen die 't Engels en 't Nederlands, talen die ik alle dagen gebruik, daardoor dooreen haal?

 

Neffenst de werkwoordspelling meh -t op z'n Duits en de volkomen willekeurige uitzonderingen op den tussen-n-regel vind ik dees een van de grootste vergissingen uit de spellinggeschiedenis.

 

Citaten uit Freud (1930) 'Het onbehagen in de cultuur'

Blogbericht van stijfvreter | Zondag 19 december 2010

Het werk waarin Freud voor de eerste keer zijn ideeŽn heeft uiteengezet over de negatieve impact van samenleven in een cultuur op de emotionele drifthuishouding bij elk individu is Het onbehagen in de cultuur uit 1930, en hier volgen enkele citaten daaruit (de gebruikte uitgave is de Nederlandse vertaling uit 1999 bij Uitgeverij Boom onder redactie van Wilfred Oranje):

 

"Het lijden dreigt van drie kanten: vanuit ons eigen lichaam, dat tot verval en ontbinding is voorbestemd en zelfs pijn en angst als waarschuwingssignalen niet kan missen; vanuit de buitenwereld, die met oppermachtige, meedogenloze, vernietigende krachten tegen ons tekeer kan gaan; en ten slotte vanuit onze betrekkingen met andere mensen. Het lijden dat uit deze laatste bron voortkomt ondergaan wij misschien met de meeste smart; wij zijn geneigd het als een in zekere zin nodeloze toegift te beschouwen, hoewel het waarschijnlijk even fataal en onafwendbaar is als het lijden uit andere bron.

Geen wonder als mensen onder de druk van deze mogelijkheden tot lijden hun aanspraken op geluk plegen te matigen, zoals immers ook het lustprincipe zelf onder invloed van de buitenwereld tot het bescheidener realiteitsprincipe werd omgevormd..." (p. 314)

 

"Onbeperkte bevrediging van alle behoeften dringt zich als de meest aanlokkelijke wijze van leven op de voorgrond, maar dat betekent het genot laten prevaleren boven de voorzichtigheid en dat straft zichzelf na korte tijd." (pp. 314-315)

 

"Kunnen wij niet alle lijden opheffen, dan toch wel een deel ervan, en ander lijden kunnen wij verzachten, zoals de ervaring van duizenden jaren ons heeft geleerd. Een andere houding nemen wij aan tegenover de derde, sociale bron van lijden. Deze willen wij in het geheel niet accepteren, wij kunnen niet inzien waarom de inrichtingen die wij zelf geschapen hebben ons allen niet veeleer weldadige bescherming bieden. En toch, als wij overwegen hoe slecht juist dit middel om lijden te voorkomen ons is gelukt, rijst de verdenking dat ook hier een onderdeel van de onoverwinnelijke natuur in het spel is - ditmaal onze eigen psychische gesteldheid.

Als wij ons met deze mogelijkheid gaan bezighouden, stuiten wij op een bewering die zo verbazingwekkend is dat wij erbij willen stilstaan. Ze luidt dat onze miserie voor een groot deel te wijten is aan wat wij onze cultuur noemen; wij zouden veel gelukkiger zijn als wij haar zouden opgeven en naar primitiever toestanden zouden terugkeren. Ik noem deze bewering verbazingwekkend omdat - hoe men het begrip cultuur ook wil definiŽren - toch vaststaat dat alles waarmee wij ons tegen de bedreiging uit de bronnen pogen te beschermen, juist deel uitmaakt van diezelfde cultuur." (pp. 324-325)

 

"Het samenleven van mensen wordt pas mogelijk als zich een meerderheid aaneensluit die sterker is dan ieder individu, en deze eenheid tegenover ieder individu weet te bewaren. De macht van deze gemeenschap stelt zich nu als 'recht' tegenover de macht van het individu, die als 'bruut geweld' wordt veroordeeld. Deze vervanging van de macht van het individu door die van de gemeenschap is de beslissende culturele stap. De essentie ervan is dat de leden van de gemeenschap hun mogelijkheden tot bevrediging beperkingen opleggen, terwijl het individu zulke barriŤres niet kende." (p. 334)

 

"...[T]en slotte, en dat lijkt het allerbelangrijkste, kan men onmogelijk over het hoofd zien hoezeer de cultuur op driftverzaking is gebouwd, hoezeer ze juist het niet-bevredigen (onderdrukken, verdringen of nog iets anders?) van machtige driften als premisse heeft." (p. 336)

 

"Voor het overige stel ik mij dus op het standpunt dat de neiging tot agressie een oorspronkelijke, zelfstandige driftdispositie van de mens is, en herhaal mijn uitspraak dat de cultuur hier op haar grootste hindernis stuit. Ergens eerder in deze studie heeft het inzicht zich aan ons opgedrongen dat de cultuur een bijzonder proces is dat zich aan de mensheid voltrekt, en dit denkbeeld beheerst ons nog steeds. Wij voegen eraan toe dat dit proces in dienst staat van de Eros, die geÔsoleerde menselijke individuen, later families, dan stammen, volken, naties tot een grote eenheid, de mensheid wil verenigen. Waarom dat moet, weten wij niet; dat is nu juist het werk van de Eros. Deze mensenmassa's moeten libidineus aan elkaar worden gekoppeld; alleen de dwang der omstandigheden, de voordelen van het werken in een gemeenschap zullen hen niet bij elkaar houden. Tegen dit program van de cultuur verzet zich echter de natuurlijke agressiedrift van de mensen, de vijandigheid vaan ťťn tegen allen en allen tegen ťťn. Deze agressiedrift is het derivaat en de voornaamste vertegenwoordiger van de doodsdrift, die wij naast de Eros hebben ontdekt en die met hem de heerschappij over de wereld deelt. En nu, dunkt mij, is de zin van de culturele ontwikkeling ons niet langer duister. Ze moet ons de strijd tonen tussen Eros en Dood, tussen levensdrift en destructiedrift, zoals die zich aan de menselijke soort voltrekt. Deze strijd is de wezenlijke inhoud van het leven als zodanig, en daarom kunnen wij de culturele ontwikkeling kortweg de strijd om het bestaan van de menselijke soort noemen." (p. 361)

 

"Van welke middelen bedient de cultuur zich om de haar weerstrevende agressie af te remmen, onschadelijk te maken, eventueel buiten werking te stellen? Enkele van deze middelen hebben wij reeds leren kennen, de vermoedelijk belangrijkste echter nog niet. Wij kunnen ze bestuderen aan de hand van de ontwikkelingsgeschiedenis van het individu. Wat gebeurt er met hem dat zijn agressielust onschadelijk maakt? Iets heel merkwaardigs, dat wij niet zouden hebben geraden en dat toch zo voor de hand ligt. Zijn agressie wordt geÔntrojecteerd, verinnerlijkt, maar eigenlijk teruggestuurd naar haar plaats van oorsprong, dus tegen het eigen Ik gericht. Daar wordt ze overgenomen door een bestanddeel van het Ik, dat zich als Boven-Ik tegenover de rest stelt en nu als 'geweten' tegenover het Ik dezelfde strenge bereidheid tot agressie betracht die het Ik graag aan de andere, vreemde individuen bevredigd zou hebben. De spanning tussen het strenge Boven-Ik en het daaraan onderworpen Ik noemen wij het schuldgevoel; ze uit zich als behoefte aan straf. De cultuur bedwingt dus de gevaarlijke agressielust van het individu door het te verzwakken, te ontwapenen en te laten bewaken door een instantie in zijn innerlijk, als een veroverde stad door bezettingstroepen." (pp. 363-364)

 

"Zo zien wij dat het schuldgevoel een dubbele oorsprong heeft: de angst voor de autoriteit en later de angst voor het Boven-Ik. De eerste dwingt tot het afzien van driftbevredigingen, de tweede vraagt bovendien dringend om bestraffing, daar het voortbestaan van de verboden wensen het Boven-Ik niet verborgen kan blijven." (p. 367)

 

"De chronologische volgorde zou dus zijn: eerst driftverzaking uit angst voor agressie van de externe autoriteit - daarop komt de angst voor liefdeverlies immers neer, de liefde biedt bescherming tegen deze agressie die de straf is -, vervolgens vestiging van de interne autoriteit, driftverzaking uit angst daarvoor, gewetensangst. In het tweede geval gelijkstelling van slechte daad en slechte intentie, vandaar schuldbewustzijn, behoefte aan straf. De agressie van het geweten conserveert de agressie van de autoriteit." (p. 368)

 

"Mij dunkt dat wij nu eindelijk twee dingen in alle duidelijkheid begrijpen: het aandeel van de liefde in het ontstaan van het geweten en de noodlottige onvermijdelijkheid van het schuldgevoel. De vraag is werkelijk niet beslissend of men de vader heeft gedood dan wel zich van die daad heeft onthouden; in beide gevallen moet men zichzelf schuldig achten, want het schuldgevoel is de uitdrukking van het ambivalentieconflict, van de eeuwige strijd tussen Eros en destructie- of doodsdrift. Dit conflict laait op zodra de mensen voor de taak gesteld worden met elkaar in gemeenschap te leven; zolang deze gemeenschap slechts de vorm van het gezin kent, moet het conflict in het Oedipus-complex tot uitdrukking komen, het geweten installeren, het eerste schuldgevoel scheppen. Wanneer uitbreiding van deze gemeenschap wordt beproefd, wordt ditzelfde conflict voortgezet in vormen die een produkt van het verleden zijn, het wordt verhevigd en leidt tot een verdere groei van het schuldgevoel. Daar de cultuur aan een immanente erotische aandrift gehoorzaamt die haar gebiedt de mensen tot een innig verbonden massa te verenigen, kan ze dit doel alleen bereiken door het schuldgevoel voortdurend te versterken. Wat tegen de vader werd begonnen, wordt voltooid tegen de massa. Indien de cultuur de noodzakelijke ontwikkelingsgang van gezin naar mensheid is, dan is onlosmakelijk daarmee verbonden de vergroting - ten gevolge van het aangeboden ambivalentieconflict, van de eeuwige twist tussen liefde en streven naar de dood - van het schuldgevoel, tot een omvang wellicht die voor het individu moeilijk te verdragen is." (pp. 372-373)

 

Freuds 'Het onbehagen in de cultuur' is zo belangrijk omdat zijn beweringen erin de inspiratiebron hebben gevormd voor nogal wat sociale analyse. Dat is niet het minst het geval voor de marxisten van de 'Frankfurter Schule', van wie Herbert Marcuse in dit opzicht misschien wel de meest relevante naam is: zijn boeken Eros en civilisatie (1955) en De ťťndimensionale mens (1964) werden tijdens het studentenoproer in de late jaren '60 namelijk stukgelezen, en menig academicus is er dan ook door beÔnvloed. Een ander paradigma waarin de sociologische implicaties van Freuds model uitgewerkt werden is de Civilisatietheorie van Norbert Elias (en die werd dan weer in Tussen spreek- en standaardtaal aangehaald - spijtig genoeg).

 
Pagina's: 1 | 2 | 3