Algemeen Vlaams

Deze site is nog in vollen opbouw. Den boomstructuur hieronder word geleidelijk uitgebouwd op basis van onze discussies in de forums - komd gerust meediscussiëren!
I. Beschouwingen
II. Spelling en uitspraak
III. Grammatica
IV. Woordenschat
V. Teksten

Den blog van stijfvreter

Brokstuk twee en een half: op hol geslagen selectie

Blogbericht van stijfvreter | Woensdag 21 maart 2012

(Na lang weggeweest te zijn)

 

In het laatste bericht hebben we de analyse gemaakt hoe mensen zich aan normen aanpassen als ze voor hun behoeftevoorziening afhankelijk zijn van anderen. Nu zullen we de keerzijde van die medaille belichten en uitleggen hoe afhankelijkheid mensen zelf omgekeerd ook selectiever maakt in de beoordeling van anderen. Vergelijk nogmaals de vrager en de aanbieder uit het vorige bericht: in principe kan van die aanbieder namelijk gezegd worden dat hij zijn macht over de vrager uitbuit, als hij tegenover de behoeftevoorziening een wederdienst stelt (dat de vrager zich namelijk een bepaald gedrag aanmeet). De vrager verkeert niet in een positie om daarover te onderhandelen, dus is dat opleggen van een norm van de aanbieder aan de vrager eigenlijk je reinste boerenbedrog. Daar valt zeker iets voor te zeggen, maar het verklaart nog niet waarom de aanbieder dat überhaupt doet: waarom stelt de aanbieder eigenlijk een norm als wederdienst in? Hij kan er bijvoorbeeld een sardonisch genoegen in scheppen om de vrager te doen kruipen, en gegeven de inzichten van de evolutiebiologie is het niet onwaarschijnlijk dat de mens inderdaad een zeker instinct heeft tot wreedheid. Toch verklaart dat nog niet waarom we überhaupt met dat instinct opgezadeld zitten. Waarom zijn we niet gewoon onvoorwaardelijk barmhartig, als we behoeftige individuen zien? Ga maar na: in de vorige berichten hebben we het ontstaan van normen gekaderd in speltheoretische mechanismen van prijsbepaling en -onderhandeling, maar wat kan die normerende aanbieder daarmee dan winnen? Axiomatisch aan speltheoretische onderhandelingen is namelijk dat elke betrokken partij zijn eigen voordeel probeert te maximaliseren, maar wat is het voordeel voor een aanbieder, die in de behoefte van een andere kan voorzien, om daar een wederdienst tegenover te stellen? In die behoefte kan hij toch sowieso voorzien. We hebben kortom uiteindelijk nog niets verklaard: in de vorige berichten hebben we beschreven hoe afhankelijkheid individuen motiveert tot het volgen van normen, maar het is tot nu toe een vraagteken waar normen zelf eigenlijk vandaan komen.

 

Het cruciale aangrijpingspunt (dat in de vorige berichten impliciet is gebleven) is dat normen terug te voeren zijn op preferenties of voorkeuren die bij individuen leven. Een norm is een voorkeur die iemand heeft over het gedrag dat hij gemanifesteerd wilt zien, en als iemand anders van hem afhankelijk is, dan wordt die voorkeur voor die laatste een norm. In die zin bestaan normen dan ook enkel "in de hoofden van mensen". Tot op zekere hoogte was dat ook de boodschap in sommige vorige berichten over de essentialistische misvatting van taalregels als inherente natuurlijkheden. Normen zijn niet te zoeken in een of andere hogere, ideële wereld, maar bestaan in de vorm van preferenties in de psyche van individuen. Omdat normen evenwel betrekking hebben op sociale relaties, moet het meer specifiek gaan om wat we "gedeelde" preferenties zullen noemen: voorkeuren die bij meerdere individuen gelijk zijn. Dat kunnen we uiteindelijk ook in een definitie gieten:

 

Definitie: Een norm is een gedeelde preferentie onder individuen over de onderlinge omgang.

 

Een verklaring van normering is daarmee in laatste instantie een theorie over het selectiever worden van preferenties. Wat zorgt ervoor dat individuen restrictiever worden in hun omgang met anderen? Nogmaals, het is op het eerste gezicht onduidelijk welk voordeel het heeft om minder vrijgevig of behulpzaam te zijn. Het zou zelfs kunnen dat het iemand op den duur alleen maar schade berokkent, omdat het de anderen tegen hem doet keren. Is er dus een manier waarop het loont om selectief te zijn?

 

Nu is de selectie, die individuen op elkaar toepassen, een vaak bediscussieerd onderwerp in de reflecties over samenlevingsverbanden tussen individuen (of die nu sociologisch, filosofisch, of biologisch zijn). Het basale inzicht is daarbij dat selectie eveneens voortvloeit uit de omstandigheden van afhankelijkheid. Zelf zijn we ook behoeftig: we kunnen bijvoorbeeld wel een stuk brood hebben voor iemand die honger heeft, maar hij kan voor ons dan weer een kledingstuk maken als het vriest of stormt. In de vorige berichten hebben we aangegeven hoe dat aanleiding geeft tot ruil: we wisselen beide goederen aan elkaar uit, zodat we elk in onze behoefte voorzien worden en we er allebei beter van worden. Sociale ruilhandel hoeft geen nulsomspel te zijn.

 

Alleen is er een belangrijk aspect - en het mag echt wel een "criterium" genoemd worden - impliciet gebleven: wij worden er enkel maar beter van, als de andere ook ons iets te bieden heeft; aan een eenzijdige vrager (om het zo maar eens even cru uit te drukken) hebben we niets. Met andere woorden, het voordeel is voor beide partijen, dus ook voor ons, pas groter als we allebei niet alleen vrager maar ook elk aanbieder zijn. Die "nutafweging" kan in de volgende regel samengevat worden:

 

Het voordeel wordt groter bij een vrager die ook aanbieder is; bij iemand die louter vrager is, blijft het voordeel gelijk (in het beste geval).

 

Op die manier is selectie een haast automatische consequentie: het is in ons eigenbelang om onze diensten niet aan zomaar om het even wie te verlenen, maar bij voorkeur aan diegenen die ook ons zullen voorzien, als wij eens behoeftig zijn. We willen niet iedereen in zijn behoefte voorzien, maar enkel iemand die ons een wederdienst kan bewijzen. Daarmee willen we hier voor alle duidelijkheid geen rechtvaardiging leveren voor dat soort opportunisme (want dat is het eigenlijk); wel willen we het causaal verklaren waarom selectie ooit is kunnen ontstaan.

 

Het onthult nog een ander belangrijk aspect van sociale ruil: de uitgewisselde diensten worden door de uitwisselende partijen gebruikt als pasmunt. Niet toevallig wordt dat mooi uitgedrukt door het woord "pas": ik doe pas iets voor jou, als jij iets voor mij doet.

 

De gevolgen zijn ingrijpend. In de vorige berichten hebben we gezien hoe onze behoeftigheid ons afhankelijk maakt van anderen (die daardoor macht over ons krijgen). Nu blijkt dat er ook een keerzijde van de medaille is: diezelfde behoeftigheid maakt ons ook kieskeurig, waardoor de balans in zekere zin hersteld wordt. Niet iedereen zal nog zomaar op onze diensten kunnen rekenen, maar voortaan gaan we de anderen zorgvuldig screenen op het eventuele voordeel dat het ons oplevert. We voorzien niet (langer) sowieso in iemand behoeften, maar in plaats daarvan zullen we er nauwlettend op toekijken - we zullen er een neus voor ontwikkelen - of individuen ons ook iets te bieden hebben.

 

En zo kwam er sociale selectie in de wereld.

 

(Overigens is dit ook de finale ontkrachting van de "organicistische" theorie over samenlevingen, die opgeld deed in de negentiende eeuw, en waarvan Herbert Spencer en Emile Durkheim misschien de voornaamste vertegenwoordigers zijn: die theorie stelde dat behoeftigheid en afhankelijkheid individuen "in elkaars armen dreef" en hen stimuleerde tot het vormen van coöperatieve netwerken. Hier zien we dat behoeftigheid echter ook gepaard gaat met een zekere distantiëring ten opzichte van elkaar: individuen gaan zich wat meer terughoudend tegenover de anderen opstellen. Op die manier leidt afhankelijkheid dan ook niet tot sociale solidariteit, maar draagt het integendeel bij tot vervreemding. Dat moet nog eens nader uitgewerkt worden, maar het kernidee is wel duidelijk: noties zoals solidariteit en coöperatie impliceren individuen die autonoom zijn; afhankelijkheid is een conditie die intrinsiek conflictueus is.)

 

Maar wat heeft dat nu allemaal te maken met gedragsnormen? De elementen waarop er geselecteerd wordt, zoals de manier waarop we ons gedragen of hoe we spreken, zijn toch alleen maar uiterlijkheden; die zijn op zich toch niet relevant, als het draait om de behoeftevoorzieningen die uitgewisseld worden? Het antwoord daarop is de laatste component in de verklaring van gedrags- en taalnormen. De sociale onderhandelingen tussen individuen zijn, wat men noemt, een spel met imperfecte informatie: zoals zo-even gezegd, zullen we de anderen screenen om uit te vinden of ze ook iets te ruilen hebben. Nogmaals, het klinkt cru, maar aan iemand die ons niets te bieden heeft, hebben we niets. Alleen, hoe weten we of dat niet eigenlijk het geval is? Hoe kunnen we met andere woorden weten of de andere een betrouwbare hulpverlener zal zijn? Nu is het net het inzicht achter de civilisatietheorie van Norbert Elias geweest dat we daartoe historisch een heel complex van indicatoren ontwikkeld hebben (wat we natuurlijk niet bewust gedaan hebben: dat is geleidelijk aan gegroeid, en de link met de evolutietheorie wordt zo meteen nog gelegd), die aangeven hoe succesvol we zijn. Gedragsvormen zoals de manier waarop we ons kleden, hoe we eten, of (waar het hier uiteindelijk om draait) hoe we spreken, e.d. zijn inderdaad uiterlijkheden, maar ze zijn tegelijk ook signalen van de kwaliteit die we te bieden hebben. Om dat te begrijpen (en de uitleg ervan in Het Civilisatieproces 1982 beslaat meer dan achthonderd bladzijden), kunnen we ons het mechaniekje, waarop zich dat complex van successignalen gevormd heeft (dat dus niet bewust is), als volgt voorstellen: stel, er was eens een deelverzameling individuen, die net dat tikkeltje succesvoller dan de anderen was (ze hadden bv. die kleine comparatieve voorsprong gehad dat ze meer goederen hadden, waardoor ze meer konden ruilen met behoeftige individuen, en daardoor nog meer goederen verwierven). Gegeven het combinatorische aantal variaties dat er in hun gedragingen mogelijk is, zullen er wel enkele eigenaardigheden geweest zijn, waarmee ze geïdentificeerd konden worden. Voor alle overige, minder succesvolle individuen waren die eigenaardigheden het middel om die succesvolle individuen te herkennen (laten we die eigenaardigheden daarom de "kenmerken" noemen). Door het voordeel dat die minder succesvolle individuen hebben om met die succesvolle individuen te interageren, zou er bij die minder succesvollen dan ook een preferentie ontstaan voor individuen met de kenmerken van de succesvollen. Dat hoeft trouwens niet automatisch opgevat te worden als het preferentiële gevolg op een oorzakelijke situatie van behoeftigheid maar kan ook "externalistisch" begrepen worden: in het begin waren er zowel individuen met de preferentie voor de kenmerken als individuen zonder de preferentie, en die leefden gewoon samen naast elkaar en interageerden allebei met de succesvolle individuen. De individuen met de preferentie werden evenwel frequenter in hun behoeften voorzien, waardoor de individuen zonder de preferentie verhoudingsgewijs steeds vaker benadeeld werden. Op die manier werd het hebben van de preferentie uiteindelijk een noodzakelijke voorwaarde voor behoeftebevrediging: de situatie van behoeftigheid impliceert dus niet automatisch de ontwikkeling van de preferentie, maar de voorziening in de behoefte impliceert wel het bestaan van de preferentie (dat klinkt misschien als logisch gegoochel, maar ga zelf maar dat het de essentie van het argument vat). Daarmee verbreidde die preferentie zich geleidelijk aan in de hele populatie. Economen noemen dat een "contractie" van de markt, en het heeft te maken met de numerieke meerderheid die de minder succesvolle, afhankelijke individuen normaal gezien wel hebben: niet iedereen is een succesvol individu, maar we zijn wel allemaal behoeftig, en daarom is elk van ons uiteindelijk op zoek naar de kenmerken van succes.

 

Vervolgens treedt de heel eigen dynamiek van vraag en aanbod in werking, waarvan het bekend is dat die soms onverwachte en onvoorspelbare sneeuwbaleffecten kan hebben. Dat zal ook hier het geval zijn. Aangezien er namelijk een massale preferentie is voor de succeskenmerken, wordt het ook omgekeerd voordelig om die kenmerken zelf te vertonen. Dat zal wel evident zijn: als er een grote vraag is naar een bepaald product, en iemand heeft dat product toevallig, dan zal hij probleemloos kandidaten vinden voor onderhandeling. Op dezelfde manier loont het om de succeskenmerken te signaleren, als daar zoveel preferentie voor bestaat. Dat is vanzelfsprekend voor de succesvolle individuen, maar het geldt ook voor de minder succesvolle individuen, die er hun eigen voordeel nog wat mee kunnen vergroten. Welke bijzondere gevolgen dat bovendien nog genereert zullen we zo meteen belichten, maar het algemene resultaat zal het wel duidelijk zijn. De interactie tussen de individuen - d.w.z. tussen de succes(signaal)zoekende individuen en de succes(signaal)hebbende individuen - wordt er namelijk in zekere zin door "kortgesloten": door de vraag naar succeskenmerken wordt het voordelig om een aanbod aan succeskenmerken te hebben, net zoals het omgekeerd door het aanbod aan succeskenmerken voordelig wordt om een vraag naar succeskenmerken te hebben. Op die manier zullen vraag en aanbod elkaar wederzijds versterken (wat in de economie een "positieve externaliteit" heet): de preferentie voor succeskenmerken voedt de proliferatie ervan onder de individuen, en de aanwezigheid van succeskenmerken voedt omgekeerd de aanwakkering van de preferenties ervoor. Uiteindelijk zullen preferentie en succeskenmerken samen "hand in hand" steeds meer individuen in hun greep krijgen: op den duur zal elk individu de succeskenmerken prefereren, zal ze ook effectief vertonen, zal ze ook willen hebben, zal willen dat de anderen willen dat ze die hebben, enzovoort.

 

Dat soort situaties, waarbij individuen anderen selecteren op basis van hun uiterlijke kenmerken en waarbij de anderen die kenmerken vertonen om bij de eerste groep in de gratie te vallen, komt in zoveel verschillende gedaantes voor dat ze ook apart bestudeerd worden. In de speltheorie worden ze signaalspelen genoemd. Een typische toepassing is het model van jobsollicitaties, dat door de econoom Michael Spence ontwikkeld is in zijn boek Market signaling: Informational transfer in hiring and related screening processes (1974): een werkgever probeert sollicitanten te screenen op basis van hun kwalificaties, terwijl de sollicitanten de werkgever proberen te overtuigen van hun competenties. De meest tot de verbeelding sprekende toepassing is evenwel die in de biologie, waar signaalspelen de verklaring vormen voor seksuele selectie op basis van fitnessindicatoren: wijfjesdieren proberen mannetjesdieren te selecteren met de beste indicatoren voor fitness, en de mannetjes proberen die fitnessindicatoren zo opvallend mogelijk te tonen om de wijfjes te lokken. Die fitnessindicatoren worden daarom ook seksuele ornamenten genoemd, en de illustere voorbeelden zijn wel bekend: de imposante staart van de pauw, het betoverende zangspel van de nachtegaal, het vervaarlijke gewei van het hert, enzoverder. Nu houdt seksuele selectie uiteindelijk rechtstreeks verband met het soort Eliasiaanse civilisatieproces bij de mens (voor wie zich afvroeg wat flirtgedrag bij dieren in godsnaam te maken heeft met taalnormen): de klassieke theorie in de evolutiebiologie luidt dat wat we "cultuur" noemen geëvolueerd is uit zulke ornamenten, die indruk op de anderen moeten maken om zo onze reproductie veilig te stellen. Cultuur is meer bepaald een generalisering van seksuele ornamenten: niet alleen de vrouwelijke individuen moeten erdoor aangetrokken worden, maar alle andere individuen in het algemeen. De details van die theorie worden met verve uiteengezet door de evolutiepsycholoog Geoffrey Miller in zijn twee boeken The mating mind: How sexual choice shaped the evolution of human nature (2000) en Spent: Sex, status and the evolution of consumerism (2009).

 

Ook processen van sociale normering zijn met andere woorden een toepassing van het signaalspel. Voor omgangsvormen in het algemeen is dat, zoals gezegd, beschreven in de civilisatietheorie van Norbert Elias. Van standaardtalen is het daarnaast bekend dat ze in de regel de taal zijn van de sociale elite, oftewel per definitie de meest succesvolle individuen in een samenleving (behalve in Vlaanderen, en dat vormt nu net het cruciale verschil, dat in de volgende blogberichten uitgewerkt zal worden). Het ligt dan ook voor de hand dat er preferenties ontstaan voor individuen die de standaardtaal spreken, net zoals het omgekeerd vanzelfsprekend is dat steeds meer individuen de standaardtaal gaan gebruiken om zo hun succeskansen te vergroten. In de sociolinguïstiek zegt men dat standaardtalen "prestige" hebben, en misschien is het gepast om ook de synoniemen even te vermelden: de "geciviliseerdheid" van Elias is er één van, net zoals "distinctie" van de Franse socioloog Pierre Bourdieu een ander is. Het gevolg van dat prestige is dat zowel het gebruik van als de preferentie voor de standaardtaal zich uitbreidt onder de individuen in de samenleving. Dat bewijst dus de stelling, waarmee we dit blogbericht geopend hebben: onze afhankelijkheid maakt dat we niet alleen bereid zijn om ons aan te passen aan de preferenties van anderen, maar dat we op onze beurt zelf ook restrictiever worden in onze preferenties tegenover anderen.

 

Nu is er één belangrijk aspect van signaalspelen onbesproken gebleven, maar het is wel van wezenlijk belang. Bedenk namelijk eens wat die preferentie voor succeskenmerken betekent voor de minder succesvolle individuen. Voor de succesvolle toplaag is er geen probleem; de preferentie was van meet af aan bedoeld om hen te identificeren. Dat geldt echter niet voor de andere, minder succesvolle individuen, die hun interactiekansen drastisch verminderd zien. De minder succesvolle individuen worden door de preferentie voor succeskenmerken met andere woorden benadeeld (hoewel ze die preferentie paradoxaal genoeg wel zelf kunnen hebben; tja, selectie trekt zich natuurlijk niets aan van paradoxen). Ze zullen dan ook hun toevlucht nemen tot de enige strategie die hen als minder succesvol individu ter beschikking staat, en die een inherent onderdeel van signaalspelen vormt: misleiding. De minder succesvolle individuen zullen (moeten) simuleren: ze zullen doen alsóf ze volmaakt succesvol zijn, doen alsóf ze tot die toplaag van succesvollen behoren. Bij gebrek aan reëel succes zullen de minder succesvollen met andere woorden vals spel moeten spelen. Het is niet onbelangrijk om even te beklemtonen dat het hier wel degelijk om bedrog gaat: door te veinzen dat ze succesvol zijn, bedotten ze namelijk iemand die op zoek is naar een echt succesvol individu (wat zij niet zijn), om er zelf beter van te worden. De gevolgen daarvan zijn navenant. Natuurlijk zullen de screenende individuen de eerste keren flink bedrogen worden, maar na verloop van tijd zullen ze hun lesje wel leren... en er de gepaste conclusies uit trekken. De preferentie voor succeskenmerken was er namelijk gekomen om de succesvolle individuen te kunnen selecteren, en als er vervolgens valse succeskenmerken opduiken, dan is de logische voordelige reactie om een nog fijnzinnigere gevoeligheid voor succeskenmerken te ontwikkelen (om zo de echte van de valse succeskenmerken te kunnen onderscheiden). De misleiding, die tot doel had om de selectie te omzeilen, heeft zo het paradoxale gevolg dat de selectie erdoor verhardt: op termijn is simulering dan ook gemiddeld gezien een contraproductieve strategie. Het betekent wel dat de wisselwerking tussen selectie en misleiding in een permanente impasse zit: voor elk vals successignaal zullen de preferenties verscherpen, en voor elke verscherpte preferentie zullen er nieuwe vormen van misleiding ontwikkeld worden. Selectie lijkt zo in een situatie te zitten, die de bioloog Garrett Hardin the tragedy of the commons (1968) genoemd heeft en die nogal archaïsch vertaald wordt als "de tragedie van de meent": een gemeenschappelijk stuk weiland wordt aan verschillende boeren gegeven om hun vee op te laten grazen, maar omdat elke boer een zo groot mogelijke opbrengst wilt, zijn ze er allemaal meer mee bezig om maar geen stuk weide aan de anderen over te laten. Zulke tragedies zijn echter niet ongewoon bij sociale selectie. De patstelling, waarin de selectie verzeild is geraakt, staat namelijk ook wel bekend als een rode-koningineffect. De naam komt uit de passage in Through the looking-glass van Lewis Carroll, waar Alice de Rode Koningin ontmoet en ze samen beginnen te rennen, om vast te stellen dat ze gewoon op dezelfde plaats blijven. Om die reden is de term "patstelling" trouwens zo toepasselijk, omdat de Rode Koningin in Through the looking-glass eigenlijk een van de stukken uit het schaakspel is. De passage gaat als volgt:

 

Alice looked around in great surprise. "Why, I do believe we've been under this tree the whole time! Everything's just as it was!"

"Of course it is," said the Queen. "What would you have it?"

"Well, in our country," said Alice, still panting a little, "you'd generally get to somewhere else - if you ran very fast for a long time as we've been doing."

"A slow sort of country!" said the Queen. "Now, here, you see, it takes all the running you can do, to keep in the same place."

(The annotated Alice. The definitive edition., 174)

 

Het rode-koningineffect slaat met andere woorden op het verschijnsel dat, hoewel alle individuen zich inspannen om een voordeel ten opzichte van elkaar te behalen, alles verhoudingsgewijs echter gelijk blijft, en wel omdat iedereen die inspanning doet: daartoe worden ze omgekeerd namelijk verplicht, omdat ze anders hun voordeel juist zouden verliezen. Het verband met selectie wordt uitgebreid beschreven in het boek The red queen: Sex and the evolution of human nature (1993) van de bioloog Matt Ridley. Het onvermijdelijke gevolg van een rode-koningineffect, wat dan ook zijn cruciale eigenschap is, is natuurlijk ongebreidelde escalatie. De geneticus/statisticus Ronald Aylmer Fisher heeft om die reden het begrip runaway selection gelanceerd, wat we kunnen vertalen als "op hol geslagen selectie". De notie van "ongebreideld" is daarbij fundamenteel: bij dit type selectie is letterlijk "het einde zoek". Het wederzijds versterken van vraag en aanbod, dat bovendien verscherpt wordt door de mogelijkheid van misleiding, resulteert in een explosie van steeds complexer wordende vormen van selectie.

 

Op dezelfde manier kunnen de sociale omgangsvormen escaleren in steeds complexere patronen. Die kunnen een gunstige uitwerking hebben op de individuen in de samenleving, en in dat geval spreken we van "cultuur". Ze kunnen echter ook een belemmering betekenen voor de interacties tussen de individuen. De pauwstaart of het gewei zijn bijvoorbeeld handicaps, die de bewegingsvrijheid van de pauw en het hert beperken. Bij omgangsvormen gaat het in dat opzicht meer bepaald om allerhande maniëristische gekunsteldheden, die een hypertrofie zijn van gewone interindividuele omgang. Het is in die zin dat in Vlaanderen de vergelijking met de standaardtaal zich wel aandient. Volgens de uiteenzetting in dit blogbericht zal het maniërisme opduiken, als individuen geen wezenlijk selectievoordeel boeken met hun omgangsvormen. In dat geval blijven ze namelijk ter plaatse trappelen (dat is het rode-koningineffect), zodat de enige toevlucht erin bestaat om hun preferenties nog verder te verstrakken - in een straatje zonder einde. Als gevolg daarvan zullen zich omgangsvormen ontwikkelen, die steeds verder afstaan van de spontane interactie. Met betrekking tot taal, zullen die maniërismen op die manier de uitdrukking vormen van wat in Vlaanderen het legendarische taalprobleem is: taalonzekerheid, en daar zullen de volgende blogberichten dan ook over uitweiden.

 

Brokstuk twee en een kwart: de adhesie aan normen

Blogbericht van stijfvreter | Woensdag 6 juli 2011

In de vorige berichten hebben we (tot vervelens toe) de stelling verdedigd dat alle taalvormen conventioneel zijn, dat er dus geen inherent natuurlijke vormen bestaan, en dat de mate van artificieelheid van een vorm uiteindelijk een kwestie van gewenning is. Het is daarmee hoog tijd om te verklaren waarom sprekers er überhaupt toe komen om zich aan te passen aan taalregels: wat beweegt er sprekers eigenlijk toe om bepaalde taalregels over te nemen? Als leidraad herhalen we daarbij het al eerder vermelde principe dat individuen regels volgen als die hen voordeel opleveren.

 

Ons vertrekpunt vormt het taalgedrag dat tijdens de primaire socialisatie spontaan en 'automatisch' verworven wordt. Die taalovername beschouwen we als feitelijk gegeven en verklaren we niet nader. Dat moet ooit nog het onderwerp vormen van wat ik eens de 'kuddetheorie' genoemd heb, maar wat ik nu eerder de 'harmonietheorie' wil noemen, en waarvan de uitwerking er tot nu toe nooit is kunnen komen. De harmonietheorie blijft dan ook toekomstmuziek, en de reden is dat we het in de context van standaardisering en/of informalisering eigenlijk ook niet nodig hebben. Het globale idee zal namelijk wel duidelijk zijn, en laat zich samenvatten onder de noemer absorptie: tijdens onze eerste ca. zes levensjaren absorberen we het gedrag dat we waarnemen in onze directe omgeving. Dat gebeurt 'automatisch' en spontaan, omdat het een aangeboren instinct is: we hebben de genetisch bepaalde dispositie om (in onze kindertijd) ons gedrag te 'modelleren' (om de term van sociaalpsychologen te gebruiken) naar dat van anderen in onze nabije omgeving. Als kinderen zijn we met andere woorden de (taal)gedragsmatige 'copy-cats' van onze ouders.

 

Nu is daarmee echter niet alles gezegd. Zodra onze primaire taalverwerving namelijk voorbij is, gaan we taal gebruiken in onze interacties met derden, en die gaan we natuurlijk niet aan om alleen maar hun gedrag te kopiëren: sociale betrekkingen gaan we aan om onze doelstellingen te verwezenlijken en te verkrijgen wat we nodig hebben. Sociale verbanden (waarin taal als bindmiddel fungeert) ontstaan met andere woorden vanuit onze behoeftigheid en vanuit ons streven om daarin te voorzien. In de praktijk betekent dat natuurlijk altijd onderhandeling, en omdat taal nu eenmaal onderdeel vormt van sociale interactie, draagt taal onvermijdelijk het potentieel in zich om voorwerp van onderhandeling te worden. Ook taal is met andere woorden onderhevig aan de allesoverheersende wet van vraag en aanbod.

 

Om dat te begrijpen kunnen we een typesituatie schetsen waarin de behoeftigheid van individuen hen drijft tot interactie, en het gebruikelijke voorbeeld is wel dat van voedselverdeling: stel dat jij honger hebt en je 'buur' (d.i. die ene andere persoon in de buurt) heeft een stuk brood. Nu kan hij dat aan jou geven, maar niets verplicht hem er natuurlijk toe om dat zomaar te doen: hij kan er evengoed een wederdienst van jou tegenover stellen. Hij stelt je dan een voorwaarde, waaraan jij moet voldoen, opdat hij jou in je behoefte voorziet. Het punt is dat dat om het even wat kan zijn: het maakt niet uit welke voorwaarde hij je precies oplegt, zolang jij die maar beantwoordt. De gestelde voorwaarde is met andere woorden volstrekt willekeurig: ga maar na, er is geen enkele formule die zegt hoe de voorwaarde op welke wijze dan ook verband zou moeten houden met jouw oorspronkelijke vraag. Waar het om draait, is dat jou een wederdienst gesteld wordt, die je moet nakomen, wil je dat je behoefte bevredigd wordt. Zo is het dan ook mogelijk dat die voorwaarde betrekking heeft op je taalgedrag, bijvoorbeeld je manier van uitdrukken als je dat stuk brood van hem vraagt. Als dat zo is, dan kun jij daar weinig aan veranderen, en zul jij je expressie moeten verzorgen. Je kunt nu wel vinden dat taalgedrag een volslagen irrelevante voorwaarde is, die op geen enkele manier in verhouding staat tot het stuk brood, maar alles welbeschouwd koop je daar weinig voor: jij kunt je die bedenking wel maken, maar als dat de voorwaarde is die de aanbieder je stelt, dan heb je weinig andere keuze dan die gewoon te accepteren (tenminste, als je wilt dat je het stuk brood van hem krijgt). Doe je dat namelijk niet, dan kan hij altijd weigeren om jou het stuk brood te geven en dan blijf jij - letterlijk - alleen maar 'op je honger zitten'. De gestelde voorwaarde, hoe willekeurig ook, is kortom de prijs die jij betaalt voor de door hem geleverde behoeftevoorziening.

 

Vervolgens laten we de complexiteit een beetje toenemen. Bij het samenleven van individuen is meestal niet zo dat de ene partij eenzijdig over de middelen beschikt die in de behoefte van de andere(n) voorzien, terwijl de andere partij eenzijdig behoeftig is en dus afhankelijk van de eerste(n). Doorgaans zijn we allemaal een beetje afhankelijk van elkaar. Het voorbeeld bij uitstek is dat waar je buur de broden bakt die jouw honger stillen, terwijl jij dan weer de kleren maakt die hem kunnen beschermen tegen regen en koude. Het principe, waarop hier gealludeerd wordt, is met name dat van arbeidsdeling, dat Adam Smith in zijn boek The Wealth of Nations uit 1776 heeft omschreven als hét elementaire 'bindende' mechanisme dat geïsoleerde individuen 'tot elkaar' brengt (een gedachte die later is uitgewerkt door Emile Durkheim in De la Division du Travail Social uit 1893 tot een heuse theorie over sociale cohesie: arbeidsdeling als de sociale 'lijm' die individuen tot collectieve gehelen smeedt). Het idee is dat elk individu zich specialiseert in net dat waar er bij alle andere individuen behoefte aan is (elk individu zoekt met andere woorden een eigen 'niche' op). Als die wederzijds behoeftige individuen vervolgens hun behoeftevoorzieningen aan elkaar gaan uitwisselen, ontstaat er zo spontaan een collectief gecoördineerde samenleving. Het zal wel duidelijk zijn welke weerslag dat heeft op de omgangsvormen, zoals taalregels, bijvoorbeeld. In het meest basale model worden de twee behoeftevoorzieningen namelijk op zich als gelijkwaardig tegen elkaar uitgewisseld: een kledingstuk voor een stuk brood, en verder komt daar niets anders bij kijken. Subtielere situaties zijn echter die waar er tegen elkaar opgeboden (of afgedongen) wordt. Omdat een van de partijen niet akkoord gaat met de gelijke waarde van de twee uitgewisselde voorzieningen (hij vindt bijvoorbeeld dat het hele bakproces van een brood beduidend meer investeringen vergt dan het aan elkaar naaien van een kledingstuk), zal hij ertoe overgaan om bijkomende voorwaarden te stellen (zoals hierboven beschreven). Het punt, dat daarmee evenwel blootgelegd wordt, is dat elke onderhandeling een impliciet conflictueuze activiteit is, hoe vredig en constructief alles aan de oppervlakte ook mag lijken: iedere partij in het geding wil er primair het beste voor zichzelf uit halen, dus zal niemand zich zomaar zonder slag of stoot neerleggen bij de voorwaarden die hem opgelegd worden. Uiteindelijk heeft de andere namelijk ook jou nodig (voor zijn kleren), dus moet ook hij een aanpassing doen. Dat impliceert dat de tweede partij haast onvermijdelijk zal reageren door op zíjn beurt zijn eigen bijkomende voorwaarden te formuleren. Hij vermeerdert met andere woorden het aantal bijkomende voorwaarden, maar hij doet dat om de onderhandeling (weer) in equilibrium te brengen. Om dat op ons taalvoorbeeld toe te passen: als je buur bijvoorbeeld jou het stuk brood pas wilt geven als jij bepaalde woordkeuzes maakt, dan kun jij hem enkel het kledingstuk geven als hij op zijn uitspraak let.

 

Dat toont aan hoe taalregels, zoals alle bijkomende voorwaarden, vooral middelen zijn om je in het onderhandelingsproces te laten gelden: je wilt geen doetje zijn en je door de andere in een hoekje laten drummen; je wilt dat hij ook rekening met jou houdt. Welnu, taalregels zijn dan een manier om de andere voor voldongen feiten te plaatsen. Dat is eigen aan elke onderhandeling, en het heet retributie: ik dek jou(w rug) als jij op de mijne krabt, maar als jij bij mij een appel steelt, dan hak ik jouw notelaar om. "Oog om oog, tand om tand" is een andere naam, maar omdat die teveel louter het negatieve aspect van bestraffing benadrukt, en de positieve connotatie van wederzijdse dienstverlening een beetje verbergt, is de betere uitdrukking misschien (zeker voor wie nu aan het googlen slaat): tit for tat. Wat dat voor de omgangsvormen betekent laat zich wel raden: de retribuerende strategieën van individuen in onderhandeling vormen namelijk hét mechanisme dat leidt tot de genese van allerhande normen en prescriptieve regels. Als dat niet meteen duidelijk is voor twee individuen, bedenk dan eens wat er gebeurt in samenlevingen met tien individuen, of honderd, duizend, een miljoen,... of zes miljoen. Ieder individu in die samenleving is gespecialiseerd in een bepaalde niche van behoeftigheid waarin hij kan voorzien; allemaal zullen ze daar elk op zich gebruik van maken om voor zichzelf het grootste voordeel te verkrijgen en de anderen zoveel mogelijk te verplichten om met hen rekening te houden. Elk van hen zal dan ook aan de samenleving deelnemen door zijn of haar bijkomende voorwaarde(n) te stellen - denk namelijk aan de zonet aangestipte eigenschap van onderhandeling dat het het aantal bijkomende voorwaarden per definitie vermeerdert en nooit vermindert. Het resultaat is een hele mikmak van normatieve regels, die bepalen hoe iedereen zich in sociale betrekkingen met elkaar moet gedragen.

 

Uiteindelijk is net dat het hele idee achter de civilisatietheorie van Norbert Elias. Ook Elias zag in de retributieve praktijken van gespecialiseerde individuen de oorzaak ('als door een onzichtbare hand geleid', om aan die andere notie van Adam Smith te appelleren) voor het ontstaan van allerhande regels voor de 'beschaafde omgang' - en in het geval van Elias mogen dat echt wel 'etiquetteregels' genoemd worden. Elias' theorie over 'civilisering' is dan ook in elk opzicht een theorie over regulering.

 

Postscriptum over taalnatuurlijkheid

Blogbericht van stijfvreter | Donderdag 7 april 2011

Dat de opvatting over taalnatuurlijkheid teruggaat tot de Bijbelse tijden is trouwens niet toevallig: de allereerste discussie in de geschiedenis van de taalfilosofie ging er al over. Onder de sofisten werd er namelijk veel gedebatteerd over "de juistheid van namen", zoals dat heette, en daarbij waren er twee kampen: aan de ene kant waren er de aanhangers van de zogenaamde fusei-theorie, die geloofden dat er een natuurlijke band is tussen taal en wereld (vandaar "fusei" dat ook de stam is van fysica), en anderzijds waren er die van de thesei-theorie, voor wie taal een kwestie is van "nomos", oftewel wet of conventie. De antipoden Parmenides (die vond dat er niets in de wereld echt veranderde en dat alle worden maar schijn was) en Heraclitus (die net beweerde dat alles altijd in wording was en dat "je nooit twee keer in dezelfde rivier kunt stappen") waren ook hier elkaars tegenstanders, want Parmenides was een overtuigde voorstander van de thesei-theorie, terwijl van Heraclitus vermoed wordt dat hij eerder neigde naar de fusei-theorie (maar echt zeker is men niet).

 

In die vorm komt het debat tussen fusei- en thesei-theoretici ook voor in de enige dialoog van Plato die aan het probleem van "de juistheid van namen" gewijd is, de Cratylus. Daarin blijkt dat de natuurlijkheid van taal vooral begrepen wordt - door de aanhangers van de fusei-theorie - in termen van klanksymboliek. We citeren De Pater & Swiggers (2000: 65): 'de r is geëigend voor bewegingen, l roept het vloeibare op, o beeldt het ronde uit, de i het kleine, enzovoort.' Het is dan ook niet moeilijk voor Plato (bij monde van Socrates die met Cratylus dialogeert) om de fusei-theorie te weerleggen: het adjectief 'hard' in het Grieks is "skleros", dat echter een l bevat en dus net vloeibaarheid en zachtheid oproept. Plato laat Cratylus daarom ook toegeven dat "skleros" een "minder juiste" naam is, maar daarmee is de discussie uiteindelijk beslecht: de woorden van de taal zijn conventioneel.

 

De tegenstelling tussen de fusei- en de thesei-opvatting duikt ook op in Through the looking-glass (het vervolg op Alice's adventures in Wonderland) van Lewis Carroll, met name wanneer Alice in hoofdstuk 6 Humpty-Dumpty ontmoet. Humpty-Dumpty hangt een wel zeer extreme versie van de thesei-theorie aan, zoals blijkt uit de volgende, overbekende passage:

 

"'When I use a word,' Humpty-Dumpty said, in rather a scornful tone, 'it means just what I choose it to mean - neither more or less.'

'The question is,' said Alice, 'whether you can make words mean so many different things.'

'The question is,' said Humpty-Dumpty, 'which is to be master - that's all.'"

 

Om af te sluiten citeren we de notitie (in haar geheel) die Martin Gardner daarbij maakt in zijn vermaarde, geannoteerde editie van de Alice-boeken:

 

"Lewis Carroll was fully aware of the profundity in Humpty Dumpty's whimsical discourse on semantics. Humpty takes the point of view known in the Middle Ages as nominalism; the view that universal terms do not refer to objective existences but are nothing more than flatus vocis, verbal utterances. The view was skillfully defended by William of Occam and is now held by almost all contemporary logical empiricists.

Even in logic and mathematics, where terms are usually more precise than in other subject matters, enormous confusion often results from a failure to realize that words mean 'neither more of less' than what they are intended to mean. In Carroll's time a lively controversy in formal logic concerned the 'existential import' of Aristotle's four basic propositions. Do the universal statements 'All A is B' and 'No A is B' imply that A is a set that actually contains members? Is it implied in the particular statements 'Some A is B' and 'Some A is not B'?

Carroll answers these questions at some length on page 165 of his Symbolic Logic. The passage is worth quoting, for it is straight from the broad mouth of Humpty Dumpty.

 

The writers, and editors, of the Logical textbooks which run in the ordinary grooves - to whom I shall hereafter refer by the (I hope inoffensive) title 'The Logicians' - take, on this subject, what seems to me to be a more humble position than is at all necessary. They speak of the Copula of a Proposition 'with bated breath'; almost as if it were a living, conscious Entity, capable of declaring for itself what it chose to mean, and that we, poor human creatures, had nothing to do but to ascertain what was its sovereign will and pleasure, and submit to it.

In opposition to this view, I maintain that any writer of a book is fully authorised in attaching any meaning he likes to any word or phrase he intends to use. If I find an author saying, at the beginning of his book: 'Let it be understood that by the word 'black' I shall always mean 'white', and that by the word 'white' I shall always mean 'black',' I meekly accept his ruling, however injudicious I may think it.

And so, with regard to the question whether a Proposition is or is not to be understood as asserting the existence of its Subject, I maintain that every writer may adopt his own rule, provided of course that it is consistent with itself and with the accepted facts of Logic.

Let us consider certain views that may logically be held, and thus settle which of them may conveniently be held; after which I shall hold myself free to declare which of them I intend to hold.

 

The view adopted by Carroll (that both 'all' and 'some' imply existence but that 'no' leaves the question open) did not finally win out. In modern logic only the 'some' propositions are taken to imply that a class is not a null class. This does not, of course, invalidate the nominalistic attitude of Carroll and his egg. The current point of view was adopted solely because logicians believed it to be the most useful.

When logicians shifted their interest from the class logic of Aristotle to the propositional or truth-value calculus, another furious and funny debate (though mostly among non-logicians) raged over the meaning of 'material implication'. Most of the confusion sprang from a failure to realize that 'implies' in the statement 'A implies B' has a restricted meaning peculiar to the calculus and does not refer to any causal relation between A and B. A similar confusion still persists in regard to the multivalued logics in which terms such as and, not and implies have no common-sense or intuitive meaning; in fact, they have no meaning whatever other than that which is exactly defined by the matrix tables, which generate these 'connective' terms. Once this is fully understood, most of the mystery surrounding these queer logics evaporates.

In mathematics equal amounts of energy have been dissipated in useless argumentation over the 'meaning' of such phrases as 'imaginary number', 'transfinite number', and so on; useless because such words mean precisely what they are defined to mean; no more, no less.

On the other hand, if we wish to communicate accurately we are under a kind of moral obligation to avoid Humpty's practice of giving private meanings to commonly used words. 'May we ... make our words mean whatever we choose them to mean?' asks Roger W. Holmes in his article 'The Philosopher's Alice in Wonderland' (Antioch Review, Summer 1959). 'One thinks of a Soviet delegate using 'democracy' in a UN debate. May we pay our words extra, or is this the stuff that propaganda is made of? Do we have an obligation to past usage? In one sense words are our masters, or communication would be impossible. In another we are the masters; otherwise there could be no poetry.'"

(Lewis Carroll 2001. The Annotated Alice. The Definitive Edition., 224-227)

 

Nogmaals taalnatuurlijkheid, of toch net niet

Blogbericht van stijfvreter | Zaterdag 12 maart 2011

We zullen nog een laatste keer terugkomen op de zogenaamde natuurlijkheid van dialecten en/of het inherent artificiële van standaardisering: dat is dan het derde bericht, en zo kunnen we het onderwerp als een trilogie afsluiten. De invalshoek die we hier zullen kiezen is die van wetenschappelijke hypothese: de theorie van wat we maar de 'taalnatuurlijkheid' zullen noemen beweert dan dat endogene elementen intrinsiek spontaan zijn en dat sprekers een automatische neiging zullen vertonen om ze te gebruiken, en dat exogene of opgelegde elementen per definitie gevoelens van weerstand zullen oproepen.

 

Het is een vaak geuite gedachte, vooral in populaire discussies (op al even populaire fora), en het valt gemakkelijk in te zien dat ze pertinent onwaar is. Op de website 'Red het Belgisch Nederlands' wordt nu bijvoorbeeld al berichtenlang de teloorgang aangekaart van aloude Vlaamse worden zoals "plezant", "goesting", "kleed" etc. Vandaag de dag gebruiken we in toenemende mate en ongestoord "leuk", "zin", "jurk" e.d. Als de hypothese van de taalnatuurlijkheid waar was, dan zou dat natuurlijk niet kunnen: we zouden een spontane neiging moeten voelen om de woorden uit het laatste rijtje te weren, en in plaats daarvan terug te grijpen naar de woorden uit het eerste rijtje. De realiteit is echter dat woorden zoals "leuk", "zin", "jurk" volstrekt geen problemen (meer) oproepen, en dat is het net wat de bezorgdheid van de Belnedblogger (d.i. de beheerder van 'Red het Belgisch Nederlands') wekt: we (of toch steeds meer Vlamingen) voelen helemaal geen tegenstand of zelfs maar onwennigheid om ze te gebruiken. Integendeel, voor de meeste Vlamingen klinken ze steeds vlotter.

 

Of neem de discussies over het woordgenus, die ook op deze site al over veel berichten uitgesmeerd zijn. Is het niet vreemd dát er gewoon nog maar over woordgeslachten gediscussieerd wordt? Ooit was het namelijk zo klaar als een klontje wat het genus is van woorden zoals "helft", "abces" en "leugen", maar blijkbaar zijn daarin ongemerkt verschuivingen opgetreden die we, sterker nog, vandaag volstrekt normaal vinden. Naar het zich laat aanzien is er toch niet zoiets als een 'intrinsiek geslacht' dat woorden hebben, en waar wij dan altijd naartoe zouden neigen.

 

Nu betreffen deze voorbeelden allemaal lexicale aspecten, en er is in de taalwetenschap een hele school die beweert dat het lexicon maar een perifeer deel is van de taal. De kern van de taal, zo luidt de theorie, is de grammatica: syntaxis en morfologie, daar draait het om. Nu valt er op die theorie nogal wat af te dingen (zo zijn lexicon en grammatica namelijk niet zo scherp van elkaar te scheiden, zoals bijvoorbeeld blijkt uit vaste verbindingen, zegswijzen, uitdrukkingen, enz.), maar hoe dan ook maakt het eigenlijk niet veel uit: zelfs als we dat uitgangspunt for the sake of the argument nu maar even aannemen, dan verandert dat weinig aan onze discussie over de artificieelheid van standaardisering. Er zijn namelijk tal van grammaticale voorbeelden te geven waarvan de hedendaagse standaardvariant ons helemaal niet als onnatuurlijk voorkomt. Neem bijvoorbeeld de aanvoegende wijs, de Nederlandse pendant van de Latijnse conjunctief. In het Oud- en Middelnederlands was dat de geijkte manier om een wens enzomeer uit te drukken met een compleet systeem voor alle zes personen (1-ste, 2-de en 3-de, in zowel enkelvoud als meervoud), in volmaakte concurrentie met de indicatief. Vandaag leeft het alleen nog voort in vaste uitdrukkingen zoals "leve de koning" en/of "het ga u goed", maar er is niemand die vindt dat de Nederlandse grammatica nu 'lege plekken' vertoont. De morfologie bevat daarbij misschien nog wel het meest illustere voorbeeld van teloorgegane elementen die eigenlijk door niemand gemist worden: de naamvallen. Het Middelnederlands had een volledig systeem van uitgangen voor 4 verschillende naamvallen: de nominatief, genitief, datief, en accusatief, en dat voor zowel een 'sterke' als een 'zwakke' klasse van substantieven. Is er echter iemand die het tegen de borst stuit dat die vormen er vandaag niet meer zijn? Vindt er iemand dat dit een natuurlijkere toestand van het Nederlands zou representeren?

 

Integendeel, we kennen allemaal www.vlaamsetaal.info waar dit soort ideeën aangehangen worden, wat bij Krommenaas ooit de bewering heeft ontlokt: "diej mens is persies al een paar eeuwen ni meer buiten geweest".

 

Dus: neen, niemand voelt die oudere vormen, die soms nog lokaal bewaard gebleven zijn, als 'authentieker' aan, en niemand percipieert de huidige, meer geüniformiseerde toestand (die er grotendeels door de standaardisering gekomen is) als op één of andere manier onnatuurlijk en weerstandwekkend. Eerder lijkt het zo te zijn, en daar zouden de hierboven gegeven voorbeelden het bewijs van hebben moeten leveren, dat die perceptie van natuurlijkheid gewoon het product is van gewenning: we beschouwen een bepaald element als natuurlijk dan wel artificieel naarmate we er (respectievelijk) meer of minder aan blootgesteld zijn, en doorslaggevend is daarbij de primaire socialisatie tijdens de kinderjaren. Natuurlijkheid en/of artificieelheid zijn zo zelf het gevolg van wat in de sprekersgemeenschap de facto habitueel gangbaar is.

 

Alleen, daarmee wordt de theorie van de taalnatuurlijkheid volslagen circulair: als het natuurlijke dan wel artificiële statuut van bepaalde taalelementen afhangt van hun verankering in het habituele taalgebruik, dan kun je die natuurlijkheid of artificieelheid natuurlijk niet inroepen als verklaring waarom een sprekersgemeenschap die elementen habitueel wel of niet gebruikt. Veel accurater is het om te beweren dat sprekers in een bepaald habitueel patroon gesocialiseerd zijn, en dat die socialisatie tegelijk hun perceptie van natuurlijkheid en artificieelheid verklaart.

 

We alluderen daarmee op de centrale notie van Saussure: alles aan taal is door en door conventioneel. Het maakt ook duidelijk wat het pijnpunt is waar de theorie van de taalnatuurlijkheid aan lijdt: die theorie is een vorm van essentialisme. Het doet het voorkomen alsof er in taal een onvervreemdbare, 'innerlijke vorm' van spreken is, die onveranderlijk is en onaantastbaar. Het is de voorstelling die bepaalde mystici hebben over de taal van het Aards Paradijs, waarin de woorden (nog) de 'ware aard' van de dingen uitdrukken (wat dat dan ook moge betekenen), maar die sinds de spraakverwarring van Babel in verbasteringen verloren geraakt is. Het is de reden waarom de school van de Kabbala al sinds de vroege Middeleeuwen zichzelf verliest in allerhande typografische praktijken zoals het van achter naar voren en/of van onder naar boven plaatsen van de letters uit de Thoraboeken, het vervangen ervan door cijfers om daar rekenkundige bewerkingen op te doen en de uitkomst daarvan opnieuw om te zetten in woorden, de beginletter van elk woord combineren tot nieuwe woorden, of gewoon letters cryptografisch vervangen door andere letters, en dat allemaal in één titaanse poging om het Ware Woord van God te achterhalen.

 

Het is volstrekte illusie: in taal zijn er geen natuurlijke essenties maar enkel gehabitualiseerde conventies. Nu internaliseren we die conventies weliswaar, waardoor sommige praktijken inderdaad min of meer 'natuurlijk' en vanzelfsprekend kunnen lijken, maar dat komt alleen maar omdat we ons niet (meer) bewust zijn van onze socialisering.

 

Tegelijk wijst dat echter op twee belangrijke implicaties, een ethische en een wetenschappelijke. Ten eerste betekent natuurlijkheid als effect van gewenning dat het handen uit de mouwen is voor wie ijvert voor het behoud van endogene Vlaamse elementen: de massale verspreiding van het Standaardnederlands in de media e.d. als middel voor officiële communicatie en de blootstelling van zoveel sprekers daaraan maakt dat die sprekers die situatie op den duur automatisch normaal zullen beginnen vinden. In het huidige Vlaamse taalklimaat is de dominantie van de standaardtaal met andere woorden onvermijdelijk. Ruud Hendrickx heeft dan ook gelijk als hij zijn taalbeleid verdedigt om net dezelfde reden als waarom de Belnedblogger het aan de kaak stelt: onder deze omstandigheden gaan we de varianten van de standaardtaal van langsom meer overnemen. Het betekent wel een wake-up call voor wie minzame bezorgdheid koestert voor de dialecten en hun varianten: naar het zich laat aanzien blijven er steeds minder uitwegen over dan om vroeg of laat over te gaan tot politieke actie.

 

De wetenschappelijke implicatie is ten tweede dat we nu op zoek moeten naar meer gefundeerde verklaringsfactoren om de verbreiding van informalisering en het Verkavelingsvlaams te kaderen dan een simplistisch en circulair beroep op 'natuurlijkheid' - en dat is het waar het dit bericht om te doen is geweest. We hebben gezien dat de natuurlijkheid die sprekers bij taalvarianten voelen er het gevolg van is hoe gangbaar de variant is in het habituele taalgebruik. Het komt er dan ook op aan om de factoren te achterhalen die bepalen hoe ruim of beperkt verspreid een variant überhaupt geraakt: wat maakt dat de ene variant in het algemeen publieke verkeer gangbaar wordt, terwijl de andere variant geïsoleerd blijft tot lokale situaties?

 

Het antwoord op die vraag is een in de sociologie klassiek principe: het hangt allemaal van de mobiliteit van de sprekers af welke varianten het ruimst verspreid geraken en welke beperkt blijven tot de lokale en/of uitzonderlijke omgang. Het zijn namelijk de mobiele sprekers die het sterkst de publieke sfeer in de samenleving "penetreren", en zo de communicatieve omgang "inpalmen" met hun endogene varianten. Voor alle andere sprekers betekent dat ofwel dat ze zich zullen moeten aanpassen aan de gevestigde varianten, ofwel dat ze andere en/of nieuwe middelen dienen te vinden om zich in de samenleving "te laten gelden". Vooral die verwijzing naar 'middelen' maakt duidelijk dat het ultieme mechanisme achter de reikwijdte van taalverspreiding uiteindelijk dat van macht is - en daarmee sluiten we aan bij wat de algemene lijn van deze blog is geweest sinds de aller-vroegste berichten (oef, is me dat eindelijk een opluchting, zeg!): het zijn de sprekers met de meeste middelen - en die zijn van socio-economische aard - die zich het sterkst in de samenleving kunnen "doorzetten" en daarmee de sociale omgang naar hun hand zetten. In die zin “civiliseren” zij de omgangsvormen, zoals het in de terminologie van Norbert Elias heet. Het komt er dan ook op aan om de distributie van de socio-economische middelen en de verschuivingen daarin te achterhalen die samenhangen met het variatiespectrum in het hedendaagse Belgische Nederlands. Als we dat gedaan hebben, dan hebben we er werkelijk een verklaring voor gevonden waarom het Vlaamse taallandschap eruit ziet zoals het er nu eenmaal uit ziet.

 

Zo, daarmee is dan de laatste argumentatieve hindernis uit de weg geruimd en is het nu linea recta naar de finale!

 

Citaten uit Freud (1930) 'Het onbehagen in de cultuur'

Blogbericht van stijfvreter | Zondag 19 december 2010

Het werk waarin Freud voor de eerste keer zijn ideeën heeft uiteengezet over de negatieve impact van samenleven in een cultuur op de emotionele drifthuishouding bij elk individu is Het onbehagen in de cultuur uit 1930, en hier volgen enkele citaten daaruit (de gebruikte uitgave is de Nederlandse vertaling uit 1999 bij Uitgeverij Boom onder redactie van Wilfred Oranje):

 

"Het lijden dreigt van drie kanten: vanuit ons eigen lichaam, dat tot verval en ontbinding is voorbestemd en zelfs pijn en angst als waarschuwingssignalen niet kan missen; vanuit de buitenwereld, die met oppermachtige, meedogenloze, vernietigende krachten tegen ons tekeer kan gaan; en ten slotte vanuit onze betrekkingen met andere mensen. Het lijden dat uit deze laatste bron voortkomt ondergaan wij misschien met de meeste smart; wij zijn geneigd het als een in zekere zin nodeloze toegift te beschouwen, hoewel het waarschijnlijk even fataal en onafwendbaar is als het lijden uit andere bron.

Geen wonder als mensen onder de druk van deze mogelijkheden tot lijden hun aanspraken op geluk plegen te matigen, zoals immers ook het lustprincipe zelf onder invloed van de buitenwereld tot het bescheidener realiteitsprincipe werd omgevormd..." (p. 314)

 

"Onbeperkte bevrediging van alle behoeften dringt zich als de meest aanlokkelijke wijze van leven op de voorgrond, maar dat betekent het genot laten prevaleren boven de voorzichtigheid en dat straft zichzelf na korte tijd." (pp. 314-315)

 

"Kunnen wij niet alle lijden opheffen, dan toch wel een deel ervan, en ander lijden kunnen wij verzachten, zoals de ervaring van duizenden jaren ons heeft geleerd. Een andere houding nemen wij aan tegenover de derde, sociale bron van lijden. Deze willen wij in het geheel niet accepteren, wij kunnen niet inzien waarom de inrichtingen die wij zelf geschapen hebben ons allen niet veeleer weldadige bescherming bieden. En toch, als wij overwegen hoe slecht juist dit middel om lijden te voorkomen ons is gelukt, rijst de verdenking dat ook hier een onderdeel van de onoverwinnelijke natuur in het spel is - ditmaal onze eigen psychische gesteldheid.

Als wij ons met deze mogelijkheid gaan bezighouden, stuiten wij op een bewering die zo verbazingwekkend is dat wij erbij willen stilstaan. Ze luidt dat onze miserie voor een groot deel te wijten is aan wat wij onze cultuur noemen; wij zouden veel gelukkiger zijn als wij haar zouden opgeven en naar primitiever toestanden zouden terugkeren. Ik noem deze bewering verbazingwekkend omdat - hoe men het begrip cultuur ook wil definiëren - toch vaststaat dat alles waarmee wij ons tegen de bedreiging uit de bronnen pogen te beschermen, juist deel uitmaakt van diezelfde cultuur." (pp. 324-325)

 

"Het samenleven van mensen wordt pas mogelijk als zich een meerderheid aaneensluit die sterker is dan ieder individu, en deze eenheid tegenover ieder individu weet te bewaren. De macht van deze gemeenschap stelt zich nu als 'recht' tegenover de macht van het individu, die als 'bruut geweld' wordt veroordeeld. Deze vervanging van de macht van het individu door die van de gemeenschap is de beslissende culturele stap. De essentie ervan is dat de leden van de gemeenschap hun mogelijkheden tot bevrediging beperkingen opleggen, terwijl het individu zulke barrières niet kende." (p. 334)

 

"...[T]en slotte, en dat lijkt het allerbelangrijkste, kan men onmogelijk over het hoofd zien hoezeer de cultuur op driftverzaking is gebouwd, hoezeer ze juist het niet-bevredigen (onderdrukken, verdringen of nog iets anders?) van machtige driften als premisse heeft." (p. 336)

 

"Voor het overige stel ik mij dus op het standpunt dat de neiging tot agressie een oorspronkelijke, zelfstandige driftdispositie van de mens is, en herhaal mijn uitspraak dat de cultuur hier op haar grootste hindernis stuit. Ergens eerder in deze studie heeft het inzicht zich aan ons opgedrongen dat de cultuur een bijzonder proces is dat zich aan de mensheid voltrekt, en dit denkbeeld beheerst ons nog steeds. Wij voegen eraan toe dat dit proces in dienst staat van de Eros, die geïsoleerde menselijke individuen, later families, dan stammen, volken, naties tot een grote eenheid, de mensheid wil verenigen. Waarom dat moet, weten wij niet; dat is nu juist het werk van de Eros. Deze mensenmassa's moeten libidineus aan elkaar worden gekoppeld; alleen de dwang der omstandigheden, de voordelen van het werken in een gemeenschap zullen hen niet bij elkaar houden. Tegen dit program van de cultuur verzet zich echter de natuurlijke agressiedrift van de mensen, de vijandigheid vaan één tegen allen en allen tegen één. Deze agressiedrift is het derivaat en de voornaamste vertegenwoordiger van de doodsdrift, die wij naast de Eros hebben ontdekt en die met hem de heerschappij over de wereld deelt. En nu, dunkt mij, is de zin van de culturele ontwikkeling ons niet langer duister. Ze moet ons de strijd tonen tussen Eros en Dood, tussen levensdrift en destructiedrift, zoals die zich aan de menselijke soort voltrekt. Deze strijd is de wezenlijke inhoud van het leven als zodanig, en daarom kunnen wij de culturele ontwikkeling kortweg de strijd om het bestaan van de menselijke soort noemen." (p. 361)

 

"Van welke middelen bedient de cultuur zich om de haar weerstrevende agressie af te remmen, onschadelijk te maken, eventueel buiten werking te stellen? Enkele van deze middelen hebben wij reeds leren kennen, de vermoedelijk belangrijkste echter nog niet. Wij kunnen ze bestuderen aan de hand van de ontwikkelingsgeschiedenis van het individu. Wat gebeurt er met hem dat zijn agressielust onschadelijk maakt? Iets heel merkwaardigs, dat wij niet zouden hebben geraden en dat toch zo voor de hand ligt. Zijn agressie wordt geïntrojecteerd, verinnerlijkt, maar eigenlijk teruggestuurd naar haar plaats van oorsprong, dus tegen het eigen Ik gericht. Daar wordt ze overgenomen door een bestanddeel van het Ik, dat zich als Boven-Ik tegenover de rest stelt en nu als 'geweten' tegenover het Ik dezelfde strenge bereidheid tot agressie betracht die het Ik graag aan de andere, vreemde individuen bevredigd zou hebben. De spanning tussen het strenge Boven-Ik en het daaraan onderworpen Ik noemen wij het schuldgevoel; ze uit zich als behoefte aan straf. De cultuur bedwingt dus de gevaarlijke agressielust van het individu door het te verzwakken, te ontwapenen en te laten bewaken door een instantie in zijn innerlijk, als een veroverde stad door bezettingstroepen." (pp. 363-364)

 

"Zo zien wij dat het schuldgevoel een dubbele oorsprong heeft: de angst voor de autoriteit en later de angst voor het Boven-Ik. De eerste dwingt tot het afzien van driftbevredigingen, de tweede vraagt bovendien dringend om bestraffing, daar het voortbestaan van de verboden wensen het Boven-Ik niet verborgen kan blijven." (p. 367)

 

"De chronologische volgorde zou dus zijn: eerst driftverzaking uit angst voor agressie van de externe autoriteit - daarop komt de angst voor liefdeverlies immers neer, de liefde biedt bescherming tegen deze agressie die de straf is -, vervolgens vestiging van de interne autoriteit, driftverzaking uit angst daarvoor, gewetensangst. In het tweede geval gelijkstelling van slechte daad en slechte intentie, vandaar schuldbewustzijn, behoefte aan straf. De agressie van het geweten conserveert de agressie van de autoriteit." (p. 368)

 

"Mij dunkt dat wij nu eindelijk twee dingen in alle duidelijkheid begrijpen: het aandeel van de liefde in het ontstaan van het geweten en de noodlottige onvermijdelijkheid van het schuldgevoel. De vraag is werkelijk niet beslissend of men de vader heeft gedood dan wel zich van die daad heeft onthouden; in beide gevallen moet men zichzelf schuldig achten, want het schuldgevoel is de uitdrukking van het ambivalentieconflict, van de eeuwige strijd tussen Eros en destructie- of doodsdrift. Dit conflict laait op zodra de mensen voor de taak gesteld worden met elkaar in gemeenschap te leven; zolang deze gemeenschap slechts de vorm van het gezin kent, moet het conflict in het Oedipus-complex tot uitdrukking komen, het geweten installeren, het eerste schuldgevoel scheppen. Wanneer uitbreiding van deze gemeenschap wordt beproefd, wordt ditzelfde conflict voortgezet in vormen die een produkt van het verleden zijn, het wordt verhevigd en leidt tot een verdere groei van het schuldgevoel. Daar de cultuur aan een immanente erotische aandrift gehoorzaamt die haar gebiedt de mensen tot een innig verbonden massa te verenigen, kan ze dit doel alleen bereiken door het schuldgevoel voortdurend te versterken. Wat tegen de vader werd begonnen, wordt voltooid tegen de massa. Indien de cultuur de noodzakelijke ontwikkelingsgang van gezin naar mensheid is, dan is onlosmakelijk daarmee verbonden de vergroting - ten gevolge van het aangeboden ambivalentieconflict, van de eeuwige twist tussen liefde en streven naar de dood - van het schuldgevoel, tot een omvang wellicht die voor het individu moeilijk te verdragen is." (pp. 372-373)

 

Freuds 'Het onbehagen in de cultuur' is zo belangrijk omdat zijn beweringen erin de inspiratiebron hebben gevormd voor nogal wat sociale analyse. Dat is niet het minst het geval voor de marxisten van de 'Frankfurter Schule', van wie Herbert Marcuse in dit opzicht misschien wel de meest relevante naam is: zijn boeken Eros en civilisatie (1955) en De ééndimensionale mens (1964) werden tijdens het studentenoproer in de late jaren '60 namelijk stukgelezen, en menig academicus is er dan ook door beïnvloed. Een ander paradigma waarin de sociologische implicaties van Freuds model uitgewerkt werden is de Civilisatietheorie van Norbert Elias (en die werd dan weer in Tussen spreek- en standaardtaal aangehaald - spijtig genoeg).

 

Waarom stoom aflaten afloopt met een sisser

Blogbericht van stijfvreter | Dinsdag 30 november 2010

Dit zal sommige romantici teleurstellen: op zich is er helemaal niets 'tegennatuurlijks' om zich de normen van de standaardtaal eigen te maken, net zoals er omgekeerd niets diepmenselijks aan de dialecten is dat daardoor verloren dreigt te gaan.

Dat verdient enige extra aandacht omdat het in de vorige berichten steeds over constitutieve versus regulatieve regels is gegaan die gelinkt zijn aan respectievelijk de primaire en de secundaire socialisatie. Daaruit zou nu de indruk kunnen rijzen dat het hier uiteindelijk om niet veel anders draait dan een simpele variant op Freuds psychoanalytische model van de interiorisering van de Wet - als Jood was Freud geïnspireerd door de Mozaïsche Traditie en heeft daar ook een boek over geschreven: De man Mozes en de monotheïstische religie (1939) - om onze impulsieve driften te beteugelen. Volgens Freud moeten we dat doen om sociabele wezens te worden, maar diep vanbinnen blijft elk van ons zo een drukketel onder stoom die constant op springen staat (en dan komt het beest in ons naar boven), en eigenlijk zouden we dat, als we heel eerlijk zijn, zo nu en dan ook best wel willen doen. De Wet is voor Freud met andere woorden een noodzakelijk kwaad: het liefst van al deden we het zonder, en dan zouden we een paradijselijke gelukzaligheid ervaren, maar hier in het hedendaagse aardse tranendal kunnen we er nu eenmaal niet buiten.

 

De vermelding van het Gevangenedilemma in het vorige bericht is net bedoeld om aan te geven dat dit beeld schromelijk overdreven is. Normen en regels staan namelijk níet per se haaks op onze 'menselijke natuur', wat Rousseau, die achttiende-eeuwse voorloper van Freud, daar ook over moge beweren: soms kan het ook zo zijn dat we zelf regels willen. Het is net de politieke filosoof Thomas Hobbes die daar in zijn boek Leviathan (1651) 250 jaar vóór Freud op gewezen heeft. In een toestand waar er niets zeker is en waar je veiligheid op het spel staat kan het op zijn minst 'handig' zijn - en dat is nog zacht uitgedrukt - als er een stel normen is die zeggen hoe het één en ander moet verlopen. Hobbes ging uit van een bestaan dat - om zijn eigen beeldrijke taal nog maar eens te citeren - "lonely, poor, nasty, brutish, and short" is, waarin iedereen potentieel een wolf voor de anderen is (en vice versa), en daaruit leidde hij af dat het alleen maar 'nuttig' is als het gereguleerd is wat iedereen hoort te doen. De illustratie hiervan - voor de tigste keer - is het in de sociologie klassieke voorbeeld van de manier waarop coördinatieve en/of coöperatieve actie ontstaat, met name het probleem van voedselverdeling: stel, dat we met enkele individuen in een groep samenleven, en dat er ergens een voedselbron opgedoken wordt. Onze eerste reflex zou zijn om zo snel mogelijk een zo groot mogelijk deel van die voedselbron te bemachtigen met als gevolg dat dit onder de individuen uitloopt op een huizenhoog conflict: degenen die er namelijk het eerst bij aankomen, zouden bijvoorbeeld een onevenredig groot deel kunnen inpalmen en eventueel zelfs de hele voedselbron monopoliseren, zodat degenen die later zijn zich opeens voor het voldongen feit geplaatst zien dat ze van die eersten totaal afhankelijk zijn (en het risico lopen om uitgebuit te worden). Omdat van die laatsten verwacht mag worden dat ze zich daar niet zomaar bij zullen neerleggen, zal er bijgevolg een heuse beroering ontstaan over wie nu recht heeft op welk deel, en uiteindelijk is iedereen misschien meer bezig om ruzie te maken dan zich daadwerkelijk van de voedselbron te bedienen. Chaos alom, en in die situatie kan een prescriptieve regel, die zegt hoe we ons allemaal moeten gedragen, de welkome oplossing zijn, en over het algemeen zullen we er daarom ook geen wezenlijke meerwaarde in zien om die regel te doorbreken. Dat zou de anderen alleen maar aanzetten om net hetzelfde te doen, en zo zouden we gewoon terug belanden in de situatie die we precies wilden voorkomen. De regel is kortom in ons eigenbelang, dus vormt de naleving ervan niet echt probleem.

 

Tegelijk maakt dit ook duidelijk wat op de keper beschouwd het criterium is waarom we (regulatieve) regels navolgen:

 

We houden ons aan een regel als dat in ons voordeel is.

 

Met de regels van de standaardtaal is het net zo gesteld: ook m.b.t. taalnormen kunnen we ernaar streven om ze over te nemen als ons dat iets oplevert. Om dat te begrijpen, moeten we bedenken dat het dialectrijke Vlaanderen tot aan de Tweede Wereldoorlog een in hoofdzaak achtergestelde, weinig ontwikkelde, grotendeels agrarische regio was - met in Oost-Vlaanderen en in Limburg een beetje industrie, maar ook daar behoorden de Vlamingen veeleer tot de arbeidersklasse dan het patronaat. De Vlaming leefde - om een notie uit een heel oud bericht op deze blog opnieuw te gebruiken - in een Gemeinschaft van dorpelingen onder de plaatselijke kerktoren. In die omstandigheden is het niet zo verwonderlijk dat er een roep om een standaardtaal komt, die dan ook massaal te horen viel: dat is namelijk een symbool van prestige, zeker als in de omringende landen met een geëmancipeerde burgerij (die zich uitdrukt in de standaardtaal) alle politiek indringende beslissingen genomen worden die de geschiedenis van Europa tijdens de negentiende en twintigste eeuw zo doortastend vorm hebben gegeven. Nu kan je Vlaanderen weliswaar romantiseren als een schatkamer van lokale cultuur, waar alles nog eenvoudig is gebleven, maar als dat betekent dat je de gebeurtenissen op hoog niveau alleen maar passief moet ondergaan, dan is dat op de keper beschouwd maar een schrale troost (vooral aangezien België en Vlaanderen van Napoleon vs. de Duke of Wellington tot Nazi-Duitsland vs. de Geallieerden nogal vaak het slagveld is geweest van de politieke conflicten die tussen de Europese mogendheden bedisseld werden). Daarom is het perfect begrijpelijk dat de Vlamingen op een bepaald moment een standaardtaal over zijn beginnen te nemen: dat werd namelijk helemaal niet als verdrukkend, maar integendeel als juist bevrijdend beschouwd.

 

Hoe gek in wezen de redenering is om een standaardtaal als intrinsiek 'volksvreemd' te zien wordt duidelijk als we de vergelijking maken met de hedendaagse globaliserende (of 'mondialiserende', hoewel in Vlaanderen het eerste woord volkomen geaccepteerd is) samenleving. Wat vroeger de standaardtaal was voor gebruik in de publieke sfeer - de Gesellschaft - komt vandaag de dag in onze mondiaal éénwordende wereld overeen met het Engels (toch in onze Westerse landen). Analoog nemen de huidige nationale standaardtalen zoals het Standaardfrans, StandaardDuits, StandaardNederlands, enz. op mondiaal niveau variationeel dezelfde positie in als vanouds de dialecten. Toch hoor je niemand tegen het Wereldengels fulmineren als zou het enkel maar een artificiële, steriele variëteit zijn die louter de distinctiestrijd dient van een elitaire kaste, en verder iedereen maar belemmert om zijn ware gevoelens en identiteit uit te drukken. Niemand stipuleert de eis om de andere talen dan het Engels tot gelijke status als die van het Engels te eleveren, zodat uit respect voor ieders eigenheid bijvoorbeeld voortaan alle communicatie maar simultaan in alle talen moet gebeuren (waardoor vertaler/tolk plots het belangrijkste beroep ter wereld zou worden). Integendeel, het is net erg praktisch dat er voor internationale informatie-uitwisseling een enkelvoudige, uniforme taal bestaat waarin al het belangrijke gecommuniceerd kan worden; en 'praktisch' is hier trouwens wel het geijkte woord, omdat het blootlegt dat eentaligheid en/of standaardtaligheid in de eerste plaats vooral een nuchtere handigheid is. De meesten van ons beschouwen het Engels dan ook als een onmiskenbare aanwinst naast de beheersing van onze moederta(a)l(en), en niemand maalt erom om de positie van het Engels ter discussie te stellen.

 

Dat verdrukkende, beklemmende karakter is dus geen inherente eigenschap van standaardtalen en/of normen, zoals in de Freudiaanse interpretatie, maar het ziet er eerder naar uit dat die gevoelsassociatie het gevolg is van de concrete socio-historische omstandigheden waarin mensen moeten leven. Het gaat, om het in één woord samen te vatten, om de marktwaarde van een taalvariëteit die bepaalt hoe individuen zich ertoe verhouden: is die hoog, dan is de evaluatieve beoordeling bij de sprekers positief; is die daarentegen laag, dan is de beoordeling negatief, en dat vertaalt zich dan in gevoelens van resistentie. De attitude tegenover standaardtalen is echter nooit noodzakelijk negatief, en ze zal postief zijn als er iets met de standaardtaal te winnen valt. Omgekeerd betekent dat evenwel dat de attitude negatief zal zijn, als de standaardtaal uiteindelijk geen wezenlijke winst (meer) boekt - en laat dat nu de verklaring zijn (voor wie er nog steeds in geïnteresseerd is) van de opkomst van het Verkavelingsvlaams.

 

Brokstuk twee: macht

Blogbericht van stijfvreter | Zaterdag 30 oktober 2010

En nu de hamvraag: waarom zouden we regulatieve regels überhaupt navolgen? Zoals in de vorige berichten uitgelegd werd, zijn regulatieve regels intrinsiek bedoeld om in te gaan tegen onze primaire constitutieve conventies. Maar dat creëert op de keper beschouwd eerder een probleem dan dat het er één oplost: waarom moeten we ons namelijk eerst habituele regels eigen maken om die vervolgens weer gedeeltelijk aan te passen? Waarom zijn de regulatieve en constitutieve regels niet gewoon dezelfde? Het hele probleem is met andere woorden van theoretische aard: je kan wel mooi een onderscheid maken tussen constitutieve en regulatieve regels en dat linken aan de primaire en respectievelijk secundaire socialisatie, maar dat verduidelijkt nog niet waarom dat onderscheid überhaupt bestáát. Eigenlijk zijn het rare jongens, die regulatieve regels!

 

Het aanleren van regels die onze spontane, natuurlijke neigingen bedwingen heeft dan ook al veelvuldig aanleiding gegeven tot bespiegelingen over de 'condition humaine'. Freud stelde bijvoorbeeld normen en wetten gelijk met het Super-Ego dat we interioriseren om onze impulsieve driften (het Id) in te tomen. Sindsdien is Freuds - nogal Rousseauiaanse - beeld van de menselijke psyche als een 'ketel onder druk' vaak aangehaald om duiding te geven aan onze cultuur. Dat is niet alleen het geval voor bijvoorbeeld de leden van de Frankfurtse School in hun veelzijdige beschouwingen over de hedendaagse 'vervreemding', maar ook voor Norbert Elias die zijn 'proces van civilisering' (als ontwikkeling van beschaafde omgangsvormen) uitdrukkelijk opvat als de verwerving van een Super-Ego.

 

Toch zijn regulatieve regels bij nader inzien niet zo onaards vreemd. Er zijn namelijk voorbeelden te bedenken waar de regulatieve regel zich voordoet als het voor de hand liggende antwoord op de situatie zelf. Een typesituatie is die waarin de optelsom van onze individuele handelingen collectief tot een minder aantrekkelijk resultaat leidt. Dat staat ook nog wel bekend onder de naam van het Gevangenedilemma. Stel, bijvoorbeeld, dat we ons met z'n allen in een kamer bevinden met maar één smalle deur, en dat er in de kamer brand uitbreekt. Onze instinctieve, spontane actie zou zijn om allemaal samen naar de deur te stormen in de individuele hoop om zo snel mogelijk uit de kamer te geraken. Echter, daarmee zou aan de deur een gedrum van jewelste ontstaan zodat niemand meer een stap vooruit komt, waardoor de kans gevoelig verhoogt dat sommigen van ons aan een gruwelijk einde komen. Er is dan een regulatieve nodig die ons vertelt hoe we ons zouden moeten gedragen tegen onze natuurlijke spontane reactie in. Of om een voorbeeld met verkeersregels te nemen, de meest prototypische representant van regulatieve regels: je kan het bij rijgedrag niet aan iedereen afzonderlijk overlaten om maar te bepalen hoe ze van het snelste van punt A naar punt B kunnen komen, want dan gebeuren er geheid verkeersongelukken. Het enige om dat te voorkomen zijn simpele regulatieve regels zoals de voorrang-van-rechtsregel.

 

Het kenmerkende aan deze voorbeelden, en dit is cruciaal, is dat de regulatieve regel hier in het eigenbelang is van de individuen - waarmee de romantische illusie gelogenstraft wordt als zouden regels en regulering per definitie alleen maar haaks kunnen staan op de zogenaamd natuurlijke spontaneïteit van onze primaire disposities (een illusie die trouwens nogal wat linguïsten koesteren met betrekking tot de relatie tussen de 'artificiële' standaardtaal en het 'authentieke' dialect). Het geeft meteen ook aan wat de intrinsieke oorsprong is van regulatieve regels: dat zijn met name sociale verbanden. Regulatieve regels 'ontstaan' doordat meerdere individuen met elkaar moeten samenleven. Elk individu kan namelijk niet langer als een zelfbesloten einzelgänger door het leven blijven stappen, maar zal vroeg of laat de andere(n) nodig hebben, al is het maar voor zijn eigen bestaansonderhoud. Daarmee is gelijk het fundamentele mechanisme achter de vorming van sociale verbanden geschetst: het is de eigen behoeftigheid die individuen 'drijft' tot collectieve actie met de anderen. Nu bergt samenleven evenwel potentieel conflictsituaties in zich, omdat het belang van het ene individu soms nu eenmaal regelrecht kan indruisen tegen dat van het andere individu. In dat geval kunnen regulatieve regels helpen zodat het conflict niet in een totale catastrofe zou ontaarden waarbij geen van de partijen krijgt wat het eerst nog beoogde. Regulatieve regels beantwoorden op die manier aan een behoefte.

 

Tegelijk geeft dat evenwel aan dat naleving van regulatieve regels toch niet zo vanzelfsprekend is. Dat legt dan een belangrijke eigenschap van regulatieve regels bloot: hun inherente volatiliteit. Een individu mag zich namelijk wel door een regulatieve regel laten leiden voor zover dat in zijn eigenbelang is, maar als puntje bij paaltje komt weerhoudt niets hem er eigenlijk van - behalve dan de regulatieve regel zelf - om de regel te doorbreken en zelf zijn onafhankelijke gang te gaan als navolging niet langer de belofte in zich draagt om nog wezenlijk voordeel op te leveren. In de kamer met de brand kan degene die wel voorkruipt terwijl alle anderen ordelijk hun beurt afwachten vlugger bij de uitgang geraken en zo het gevaar voor eigen leden sterk doen dalen. In de verkeersituatie kan degene die af en toe eens door het rode licht rijdt sneller op zijn bestemming geraken dan de andere automobilisten, die er verhoudingsgewijs langer over zullen doen. De term voor dit soort gedrag is 'vrijbuiterij' of ook 'sociaal parasitisme', maar ondanks de evaluatieve bijklank van deze benamingen zal het wel duidelijk zijn dat het voor elk individu afzonderlijk niets anders dan de meest rendabele strategie is: het is de manier om de kosten het kleinst te maken en de baten het grootst. Het betekent evenwel dat sociale verbanden uiteindelijk erg broze, instabiele kaartenhuisjes zijn. Regulering is zonder meer een dans op een slappe koord.

 

De onvermijdelijke implicatie is daarom - en nu komen we tot de crux van het argument - dat regulering altijd vergezeld gaat van nog een mechanisme. Dat mechanisme is macht: een instantie die de mogelijkheid bezit om de naleving van de regulatieve regels ook daadwerkelijk af te dwingen. Dit is de Leviathan van Thomas Hobbes, het 'goddelijke monster' dat zelf boven elke regel verheven is (of om het met Hobbes' eigen citaat uit Job 41 te zeggen: "met wie niets op aarde vergeleken kan worden"), maar dat ertoe dient om erop toe te zien dat de regulatieve regels in werkelijkheid ook nagevolgd worden. In de Freudiaanse psychoanalyse is dit de vaderfiguur die de Wet dicteert, en laat zich om die reden ook vergelijken - bijvoorbeeld door Freud zelf - met God. Dat voert ten slotte tot een andere bijbelse referentie, waar de link expliciet gelegd wordt met de taal: dat is met name die van de Adamitische 'nomotheet', de Naamgever die voor eens en voor altijd vastlegt wat het juiste woord voor de dingen is. Van taalnormering gesproken!

 

Met de notie van macht zijn we dan gewapend om de regulering in het geval van taal aan te vatten. De stelling dat we hier verkondigen is het in de sociolinguïstiek als canoniek geponeerde - marxistisch aandoend - principe dat de regulatieve regels van de taal uiteindelijk de regels zijn van wie de macht heeft. Hoe dat precies zit zullen we zo meteen uit de doeken doen, maar eerst willen we er nog op wijzen dat dit resoluut ingaat tegen een nogal klassiek antwoord op de vraag waarom we ons aan de taalregels houden. Dat antwoord luidt dat die regels dienen om de efficiënte communicatie te waarborgen: opdat individuen hun gedachten aan elkaar kunnen uitwisselen, is er een code nodig die voor elke betekenis aangeeft wat het corresponderende woord ervoor is, zodat individuen over een eenvormig instrument beschikken om hun gedachten überhaupt aan elkaar kenbaar te maken. Dit gaat terug op het 'coördinatieprobleem' van de Amerikaanse filosoof David Lewis, en valt verder op door zijn regelrechte nonsensicaliteit! De bespreking van het 'coördinatieprobleem' zal tot een later bericht moeten wachten, maar in hoofdzaak komt het argument erop neer dat onze cognitieve vermogens tot primaire taalverwerving - dus die waarmee we de constitutieve regels aanleerden - zelf perfect in staat zijn om vervolgens ook in een grootschaliger verband om te gaan met groepen van wie het taalgebruik van het onze verschillend is. Het hele idee is dat we ons probleemloos elkaars alternatieve varianten eigen kunnen maken, waardoor er een situatie van 'collectieve synonymie' voor het sociaal overkoepelende geheel ontstaat, die eveneens het coördinatie- en dus communicatieprobleem oplost. Communicatieve efficiëntie is bijgevolg niet de reden waarom we de regulatieve regels van de normatieve grammatica's navolgen.

 

Het principe dat daarvoor wel verantwoordelijk is laat zich kernachtig als volgt verwoorden: ook in taalzaken passen we ons aan aan de eisen van hen die we nodig hebben voor ons welslagen. Concreet behelst dit dat normovername een rechtstreekse afgeleide is van behoeftigheid (dat is wat het woordje "nodig" in de vorige zin precies betekent): we laten ons leiden door prescriptieve regels als we daar ook iets wezenlijks mee kunnen winnen. Op zijn beurt impliceert dit evenwel omgekeerd - en dat zal uiteindelijk verstrekkende gevolgen hebben - dat die adhesie aan normen afneemt naarmate we beter voorzien zijn: materieel comfort doet de normnavolging dalen.

 

Nu zit er nogal veel in het principe samengebald, dat we er dan ook maar stukje voor stukje uit zullen halen. Om te beginnen wordt hier het bovenvermelde principe herhaald dat sociale cohesie het resultaat is van de behoeftevoorziening van het ene individu door het andere individu. Dat betekent niet meer of niet minder dan dat de 'lijm' achter sociale verbanden het economische mechanisme van vraag en aanbod is. Of om het in een beknopte stelling samen te vatten:

 

Stelling 1:

Twee individuen vormen een sociaal verband (i.p.v. als twee afzonderlijke eenlingen naast elkaar te leven) als de één kan aanbieden waar er bij de ander vraag naar is.

 

Meer specifiek wordt er echter gesteld dat de relatie tussen vrager en aanbieder nooit symmetrisch is. Vrager en aanbieder staan niet op gelijke voet met elkaar omdat de eerste nu eenmaal afhankelijk is van de laatste. Dat komt omdat je je behoeften natuurlijk niet kunt kiezen (zij kiezen eerder jou, om het in filosofische bewoordingen te zeggen). Je kan er namelijk wel voor kiezen om niet toe te geven aan je behoefte (bijvoorbeeld, als je je ten opzichte van de aanbieder wat onafhankelijker wilt opstellen), maar daarmee verdwijnt die behoefte zelf nog niet. Dat moge blijken uit het voorbeeld van honger: als jij honger hebt en je 'buur' een stuk brood, dan kan je buur er ongestoord voor kiezen om dat stuk brood al dan niet aan jou te geven; nu kan jij er dan wel voor kiezen om dat stuk brood niet van hem aan te nemen, maar daarmee blijf je letterlijk alleen maar 'op je honger zitten'. Behoeften noemt men om die reden ook nog wel eens 'absoluut': de aanbieder heeft vrijelijk de keuze om de gevraagde behoeftevoorziening aan te bieden of niet; de vrager heeft enkel maar de keuze tussen passief aanvaarden dan wel behoeftig blijven. Dat alles geeft de aanbieder macht over de vrager, en laat zich als volgt formuleren:

 

Stelling 2:

Omdat de vrager uiteindelijk afhankelijk is van de aanbieder, heeft de aanbieder macht over de vrager.

 

Machtsverschillen laten zich natuurlijk vertalen in een statushiërarchie: de één staat hoger in de sociale pikorde - en is dus "belangrijker" - dan de ander omdat zijn macht over de ander groter is dan die van die laatste over hem. Dat onderscheid in hogere en lagere positie heeft daarbij een vanzelfsprekende wiskundige notatie, en wel in termen van ranggetallen: daarbij krijgt de hoogst gepositioneerde partij ranggetal 1, degene die onmiddellijk na hem komt ranggetal 2, degene daarna ranggetal 3, enzoverder. In ons abstract geconstrueerde voorbeeld van een sociaal verband met 1 vrager en 1 aanbieder, heeft de aanbieder rang 1 en de vrager rang 2. Dat leidt tot het volgende corollarium:

 

Corollarium 2.2:

De aanbieder heeft een hogere rang dan de vrager (wat wiskundig weergegeven wordt in een lager rangGETAL).

 

Nu uit macht zich in allerhande wederdiensten die de aanbieder van de vrager kan eisen. Dat is dan de prijs van de aangeboden behoeftevoorziening. Merk evenwel dat dat om het even wat kan zijn; de prijs die de aanbieder van de vrager eist is met andere woorden volledig arbitrair. Dat volgt namelijk net zo goed uit de aangestipte asymmetrische relatie tussen vrager en aanbieder, waarbij de eerste absoluut afhankelijk is van de laatste en dus weinig andere keuze heeft dan de eisen van de aanbieder in te willigen, hoe weinig die ook in verhouding staan tot de oorspronkelijke behoeftevoorziening (dat is dan hun arbitrariteit). Waar het om draait is dat de prijs in het algemeen de vorm aanneemt van gedrag dat de vrager moet stellen, wil hij de verlangde behoeftevoorziening ook daadwerkelijk verkrijgen. Het is voor de vrager om die reden een norm (regulatieve regel) waaraan hij zich moet houden, en waar hij vanwege zijn afhankelijkheid maar moeilijk onderuit kan komen. Hier zien we met andere woorden de genese van sociale regulering als de prijs voor geleverde behoeftevoorziening. Dat laat zich verwoorden in de volgende twee uitspraken:

 

Stelling 3:

De macht van de aanbieder over de vrager is geconcretiseerd in de vorm van regulering (=het instellen van regulatieve regels).

 

En het correlaat daarvan:

 

Corollarium 3.2:

Regulering is de prijs die de aanbieder aan de vrager oplegt voor de geboden behoeftevoorziening.

 

Hiermee opent zich een rechtstreekse link naar de populaire discussie over de standaardtaal als vehikel voor sociale promotie en emancipatie - want wie de prijs wil betalen wacht navenant de beloning - evenals de keerzijde van de medaille over de potentieel discriminerende aspecten daarvan - omdat regulering een barrière schept voor wie wil meespelen. In het algemeen kan daarbij gesteld worden dat de hele kwestie van regulering - de zogenaamde 'druk' om volgens de norm te handelen - zich pregnanter stelt naarmate men over minder middelen beschikt (en dus afhankelijker is van anderen), wat dan omgekeerd betekent dat wie van welstand verzekerd is zich minder geïnhibeerd hoeft op te stellen. Op die manier wordt ook duidelijk hoe we regulering finaal operationaliseren als het al dan niet opgeven van het primaire, habituele gedrag - in de zin van het tegengestelde van het gewoon behouden ervan: er is het habituele gebruik dat tijdens de primaire socialisatie verworven wordt - omdat daar nu eenmaal alles mee begint - en vervolgens is er meer of minder de 'incentive' om dat aan te passen. Met alle hierboven gedefinieerde begrippen kan dat trouwens uitgedrukt worden in een wiskundige formule. Laat p de kans zijn (of: relatieve frequentie) waarmee een spreker een bepaald primair taalelement habitueel uit en laat r de sociale status van die spreker zijn (zoals boven gekwantificeerd in termen van ranggetallen), dan behelst de hier geschetste redenering de volgende wiskundige betrekking, die we de Wet van (de)regulering dopen:

 

Wet van (de)regulering:

p ~ 1/r

 

In woorden geformuleerd staat hier dat de kans van een habitueel, primair taalelement omgekeerd evenredig is met het sociale ranggetal van de spreker van dat element.

 

Deze Wet van (de)regulering is de centrale wiskundige evenredigheid, die in een notendop de hoeksteen vormt voor de hele hier uiteen te zetten theorie. Alle volgende blogberichten zullen bestaan in het verder uitpluizen van de precieze implicaties ervan.

 

Regels, regels, en nog eens regels...

Blogbericht van stijfvreter | Zaterdag 21 augustus 2010

Even de puntjes op de i zetten: in plaats van "constitutieve" versus "regulatieve" regels spreekt men in de taalkunde doorgaans nog over - respectievelijk - "descriptieve" versus "prescriptieve" regels. Het betekenisverschil blijft evenwel hetzelfde: descriptieve regels drukken een feitelijke regelmatigheid uit die empirisch in het taalgedrag valt waar te nemen; prescriptieve regels ordonneren stipulatief welke taalvorm gebruikt zou moeten worden en welke niet, en worden om die reden dan ook wel eens "normatieve" regels genoemd. De verwarring die echter zou kunnen ontstaan is dat in de geciteerde passage uit Stokhof (2000) het onderscheid tussen constitutieve en regulatieve regels wordt geplaatst tegenover de descriptieve regels als derde soort regels, die dan ook duidelijk niet met één van beide eerste regels (met name, de constitutieve) samenvallen. Welja, dit is een staaltje van de typisch byzantijnse haarkloverijen waarover taalgeleerden zich al eens het hoofd breken. Voor ons maakt het evenwel niet uit welke subtiele subspecificaties men binnen bepaalde klassen van regels aan kan brengen (het kan namelijk nog genuanceerder: zie bijvoorbeeld de drie keer tweeledige onderscheidingen in Duintjer 1977. Rondom regels. Wijsgerige gedachten omtrent regel-geleid gedrag), en komt het enkel op de basale tweedeling aan die nu zo onderhand al wel kraakhelder zal zijn: om het ietwat filosofisch te zeggen, descriptieve/constitutieve regels drukken een zijn uit; prescriptieve/regulatieve regels een moeten.

 

Het kan echter nog anders: we kunnen het bij regels ook hebben over het principe op basis waarvan een taalvorm gelegitimeerd wordt. Het gaat dan per definitie om prescriptieve regels, of normen. Als we over de één of andere norm spreken, dan bedoelen we daarmee het argument dat specifieert waarom een bepaalde taalvariant te prefereren valt. In de taalverzorgingsliteratuur somt men zo traditioneel 7 normen op. Deze zijn (dit overzicht kent een lange geschiedenis van kopiëring en citatie: de meest recente is Deygers 1998, die zich baseert op Burger & De Jong 1991, dat zelf weer gebaseerd is op Renkema 1985):

 

1. De historische norm: taalvorm X is juist omdat ze de oudste is.

2. De autoriteitsnorm: taalvorm X is juist omdat ze de vorm is de die meest gezaghebbende sprekers in de samenleving gebruiken.

3. De logische norm: taalvorm X is juist omdat ze volgens de wetten van de logica is (bijvoorbeeld: de dubbele ontkenning, die de ontkenning eigenlijk 'opheft').

4. De statistische norm: taalvorm X is juist omdat de meerderheid van de sprekers haar gebruiken.

5. De zuiverheidsnorm: taalvorm X is juist omdat ze het zuiverst Nederlands/Fins/Koeterwaals/... is.

6. De effectnorm: taalvorm X is juist omdat ze voor de toehoorder(s) het meest begrijpelijk is.

7. De esthetische norm: taalvorm X is juist omdat ze het mooist is.

 

Het lijstje maakt duidelijk wat de 2 grootste problemen bij deze 7 'normen' zijn. Aan de ene kant zijn sommige normen relatief (bv. de zuiverheidsnorm: wat zuiver Nederlands is hangt namelijk af van wat je definitie van het Nederlands is) of zelfs ronduit subjectief (de esthetische norm - dat behoeft verder weinig betoog). Veel zwaarwegender aan de andere kant is echter dat sommige normen met elkaar in strijd kunnen zijn. Zo is het de logische norm om "gisteren kwam een aantal mensen op bezoek" te zeggen omdat het aantal onderwerp is van de zin en dat nu eenmaal enkelvoud is, alleen gebruiken de meeste sprekers van het Nederlands vandaag de dag daarentegen kwamen, dus stelt de statistische norm dat het die vorm moet zijn. Een ander voorbeeld van twee normen die met elkaar kunnen conflicteren - en één dat misschien voor sommigen enige gevoelens van herkenning kan oproepen - is de autoriteitsnorm versus de statistische norm: in veel gevallen spreekt de elite in de samenleving namelijk net níet zoals het merendeel van de bevolking dat doet, en geeft toetsing aan beide normen volledig tegengestelde resultaten. Je ziet taaladviseurs (zoals bijvoorbeeld de schrijvers van de geciteerde artikelen) er dan ook steevast op hameren om de vernoemde normen veeleer als handige leidraad te hanteren bij het maken van evaluatieve keuzes.

 

Waarom breng ik de opsomming dan toch naar voren? Als die normen toch alleen maar 'leidraden' zijn, en ze strikt genomen zelfs helemaal geen normen zijn maar eerder rationalisaties post-hoc (en in die hoedanigheid dan ook onvermijdelijk ad-hoc), waarom vermeld ik ze dan? Wel, één van de voorbeelden van pogingen om een regelsysteem voor een taal op te stellen - wat we in de taalkunde met een technische term "codificatie" noemen - en waar er dan ook uitvoerig over bepaalde keuzes gedebatteerd wordt (de lengte van sommige discussies op de fora bewijst dat wel) is natuurlijk deze vlaamsetaal.be, dat zich tot doelt stelt om een grammatica van het Vlaams te ontwerpen. Welnu, je/ik zou daarom kunnen zeggen dat de 7 'leidraden' misschien enig nut kunnen hebben bij het beslechten van bepaalde hardnekkige discussiepunten. Niet dat dat uitgerekend moet: zoals aangegeven, op de keper beschouwd heb je de 7 'metanormen' helemaal niet nodig en kan je gewoon stipuleren wat de beste taalvariant is op basis van je preferenties. Of je kan je grammatica zuiver descriptief opmaken aan de hand van wat empirisch algemeen gangbaar is - uiteindelijk is dat precies wat de ANS voor het Standaardnederlands doet. Alleen, voor sommige taalkwesties kúnnen de metanormen misschien uitsluitsel bieden. Met andere woorden, en ook niet meer dan dat: ik geef ze gewoon maar even mee.

 

Bibliografietje

Burger, Peter & Jaap De Jong (1991). "De vraag naar goed of fout. Normen." In: Burger & De Jong (reds). Onze taal! Zestig jaar strijd en liefde voor het Nederlands. Den Haag: SdU Uitgeverij, 77-89.

Deygers, Katrien (1998). "Normen voor goed Nederlands in Noord en Zuid." Handelingen van de Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 52, 77-94.

Renkema, Jan (1985). "De Taaladviesdienst. Over regels en normen in taalgebruik." Onze Taal 54 (11), 138-141.

 

Brokstuk één en een half: socialisatie

Blogbericht van stijfvreter | Donderdag 3 juni 2010

Nauw verwant aan het onderscheid tussen constitutieve en regulatieve regels is dat tussen primaire en secundaire socialisatie, oftewel de twee - chronologisch - verschillende manieren waarop sociale regels door een individu geleerd worden. Primaire socialisatie is de verwerving van gebruikelijke gedragspatronen tijdens de eerste levensjaren van een kind. Het gebeurt in de context van het gezin (niet toevallig heet je eerste taal je moedertaal) en is verder typisch onbewust. Primaire socialisatie bestaat namelijk in wezen in conformatie: het kind neemt instinctief en 'automatisch' de gedragsgewoonten van andere individuen uit zijn naaste omgeving over. Nadat het kind vanaf een jaar of zes ongeveer een basisset van regels heeft verworven treedt de secundaire socialisatie in. Secundaire socialisatie bestaat erin dat het kind leert welke gedragingen gepast zijn in de ruimere sociale omgang en welke niet. Deze regels hebben dan ook een evaluatief of prescriptief karakter, in tegenstelling tot de regels uit de primaire socialisatie die zoals gezegd veeleer descriptieve habituele generalisaties zijn. Verwerving van secundaire regels gebeurt niet meer via imitatie maar door middel van expliciete instructie, en is de typische context ervoor is dan ook de school.

 

Het verband tussen primaire en secundaire socialisatie enerzijds en constitutieve en regulatieve regels anderzijds zal duidelijk zijn: constitutieve regels worden grotendeels tijdens de primaire socialisatie verworven, regulatieve regels in essentie bij de secundaire socialisatie. In het prille begin van je leven conformeer je je vooral aan de regelmatigheden die je in je nabije omgeving opmerkt (sinds kort kan Krommenaas hier ongetwijfeld over uitweiden) om nadien eerder expliciet geïnstrueerd te worden over wat allemaal wel en niet mag als je met anderen interageert.

 

Ten slotte kan nog de link gelegd worden met een derde begrippenpaar: dat van dialect versus standaardtaal. Daarbij moeten we er evenwel voor oppassen om niet te kort door de bocht de verwerving van het dialect zonder meer gelijk te stellen met primaire socialisatie en constitutieve regels, tegenover de standaardtaal met secundaire socialisatie en regulatieve regels. Uiteindelijk is ook in Vlaanderen het proces van dialectverlies massaal (per slot van rekening houdt de post-industriële modernisering met haar toename van mobiliteit natuurlijk niet halt voor de Belgische en/of Vlaamse grens) en in se kadert de verbreiding van de tussentaal daar net in: de bekende uitspraak van de Brusselse linguïst José Cajot indachtig dat het "Verkavelingsvlaams de moedertaal [is] van veel dialectlozen en de doeltaal van veel dialectsprekenden" (zie vrijwel elke publicatie van zijn hand) leren steeds meer Vlamingen steeds minder nog een oorspronkelijk dialect aan. Voor de oudere generaties gold het dialect daarom misschien nog als een constitutieve taalvariëteit die tijdens de primaire socialisatie verworven wordt; voor de jongere (en mobielere) generaties gaat dat stellig niet meer op. De tweede pool van de associatie - standaardtaal, secundaire socialisatie, en regulatieve regels - klopt daarentegen wel, en daar gaat het nu natuurlijk juist om: de standaardtaal in Vlaanderen is een geheel van regulatieve (lees: prescriptieve en/of normatieve) regels die pas in secundaire fase expliciet en veelal door schoolse training geïnstrueerd worden.

 

Stokhof (2000) over regulatieve vs. constitutieve regels

Blogbericht van stijfvreter | Maandag 8 maart 2010

De Nederlandse taalfilosoof Martin Stokhof legt in zijn boekje Taal en betekenis. Een inleiding in de taalfilosofie uit 2000 het onderscheid tussen regulatieve en constitutieve regels uit in contrast met een derde soort regels, descriptieve regels:

 

"Descriptieve regels zijn beschrijvingen van feitelijke regelmatigheden, die al dan niet uitzonderingen toelaten. Dergelijke regels hebben de status van empirische generalisaties en zijn dus feitelijk en contingent. Onder deze noemer vallen regels van vrij uiteenlopende aard: van strikte natuurkundige wetten, zoals de regel voor het berekenen van de valsnelheid van een voorwerp in de buurt van het oppervlak van de aarde, tot biologische generalisaties, zoals de beschrijving van het trekgedrag van boerenzwaluwen. Sommige regels kunnen uitzonderingen toestaan (één honkvaste zwaluw weerlegt de regel niet), terwijl andere echt universeel zijn en dus in principe door een uitzondering worden weerlegd.

Regulatieve regels zijn nadere bepalingen van gedrag dat onafhankelijk van de regel als zodanig bestaat. Typische voorbeelden van dit soort regels vinden we bij sociale regels, zoals etiquetteregels ('Een mes wordt niet gebruikt om aardappelen te snijden'), of regels die een bepaalde vorm van ritueel of ceremonieel gedrag (zoals een begrafenis) bepalen. Regulatieve regels zijn geen beschrijvingen en dus niet feitelijk en contingent. Ook als niemand zich er aan houdt, kunnen ze nog van kracht zijn. Ze kunnen hun oorsprong hebben in bepaalde feitelijke aspecten van de werkelijkheid (zoals bepaalde aspecten van rituelen ooit functioneel geweest kunnen zijn), maar die oorsprong speelt in hun functioneren meestal geen rol meer.

Constitutieve regels, ten slotte, zijn bepalingen die definiërend zijn voor een bepaalde vorm van gedrag of voor een institutie. Een constitutieve regel roept iets in het leven dat onafhankelijk van die regel niet bestaat. Spelregels zijn een goed voorbeeld van constitutieve regels. Schaken bijvoorbeeld is wat het is louter en alleen door de regels die ervoor zijn opgesteld. Ook bepaalde sociale en politieke instituties hebben dit karakter. Constitutieve regels zijn net als regulatieve regels geen descripties en dus niet feitelijk en contingent. Het verschil tussen een constitutieve en een regulatieve regel is dat de laatste iets beregelt dat er al is, terwijl de eerste juist iets creëert."

(Stokhof 2000, 226-227)

 

Naar een verklaring voor het Verkavelingsvlaams, brokstuk één: deregulering

Blogbericht van stijfvreter | Dinsdag 26 januari 2010

Het cruciale punt achter het Verkavelingsvlaams - om maar meteen met de deur in huis te vallen - is om aannemelijk te maken hoe de stijging van de welvaart en levensstandaard er überhaupt toe kan leiden dat men zich los kon maken van normatieve voorschriften. Nuttig daartoe is om normen te onderscheiden van gewoontes of gebruiken. Die laatste zijn historisch gegroeide patronen van gedrag die nu eenmaal factueel gestabiliseerd zijn doordat wij er ons allemaal aan aangepast hebben. Normen zijn daarentegen bij wijze van spreken daaraan toegevoegd: zij stipuleren nog eens extra hoe bepaalde gedragingen zich zouden moeten voltrekken. In de taalwetenschap spreekt men ook wel van constitutieve versus regulatieve regels. Het begrippenpaar stamt van onder meer de taalfilosoof John Searle. Constitutieve regels specificeren de criteria die iets maken tot wat het is. Het typevoorbeeld zijn spelregels. De regel die zegt dat je schaak staat als één van de pionnen van de tegenpartij jouw koning kan slaan specificeert wat het betekent om schaak te staan (met name, zoals gezegd, als één van de pionnen van de tegenpartij jouw koning kan slaan). Een ander voorbeeld is de regel dat bisschoppen diagonaal moeten bewegen, terwijl een toren over rechte lijnen. Je zou een variant van het schaakspel kunnen bedenken waarbij het de bisschop is die over rechte lijnen beweegt en de torens diagonaal, maar in principe speel je dan een ander spel dan wat we traditioneel kennen als het schaakspel. Nu zou je die variant weliswaar ook "schaken" kunnen noemen (uiteindelijk is het maar een kleine wijziging die je doorgevoerd hebt), maar op de keper beschouwd heb je daarmee de definitie van het schaakspel veranderd. Die vergelijking met een definitie is niet zonder belang, want vaak worden constitutieve regels opgevat als definities: een constitutieve regel specificeert de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn opdat er überhaupt van een bepaalde kwestie sprake kan zijn.

 

Regulatieve regels beregelen daarentegen iets dat ook los van die regel bestaat. Een typisch voorbeeld zijn verkeersregels. In principe zou je zowel rechts als links van de weg kunnen rijden, maar het is de (regulatieve) regel dat het in België rechts moet (net zoals het in Groot-Brittannië de regulatieve regel is dat het daar links moet); in principe zou je bij een rood licht door kunnen rijden in plaats van te stoppen en integendeel juist bij een groen licht stoppen, maar het is de (regulatieve) regel dat het andersom hoort. Een ander voorbeeld van regulatieve regels zijn wetten: bijvoorbeeld, dat je niet zomaar iemand mag doden.

 

Toegepast op taal kunnen we het onderscheid tussen constitutieve en regulatieve regels verduidelijken aan de hand van het bepaald lidwoord de. Een constitutieve regel van het Nederlands zegt dat het bepaald lidwoord bij het woord boom het woord de is, en niet the zoals in het Engels of le zoals in het Frans: "le boom" of "the boom" zou gewoonweg geen Nederlands zijn. Een regulatieve regel zegt dan weer dat het de boom moet zijn en niet het tussentalige dem boom, bijvoorbeeld: in principe kunnen beide, maar de is "beter" dan dem. Dat laatste licht meteen de sluier op van wat de regels van de standaardtaal primair zijn: standaardtaalregels zijn regulatief. De regels van de standaardtaal beregelen namelijk taalgebruik dat zonder die regels ook zou bestaan; er is de conventionele manier waarop sprekers met elkaar communiceren, en standaardtaalregels specificeren daarvan additief welk taalgebruik toegestaan is en welk niet.

 

Daarmee is dan een eerste kentrek geschetst van het losser worden van normen zoals aan het begin van dit bericht vermeld. Doordat standaardtaalregels regulatieve, supplementaire voorschriften zijn, bestaat in se de mogelijkheid om ze niet na te komen en terug te vallen op een meer spontane, habituele manier van spreken - een proces dat dan ook heel toepasselijk de naam deregulering mag dragen. Doordat standaardtaalregels regulatief zijn, zijn ze facultatief en kan men ze altijd naast zich neerleggen. Het komt er dan op aan om de precieze voorwaarden te achterhalen die ertoe geleid hebben dat de deregulering zich ook daadwerkelijk ingezet heeft.

 

Na de samenvatting, nogal wiedes, de voortzetting: Verkavelingsvlaams als 'conspicuous leisure'

Blogbericht van stijfvreter | Zaterdag 10 oktober 2009

Het wordt tijd om de draad weer op te nemen. In de vorige berichten werd er getracht om uit de doeken te doen hoe Verkavelingsvlaams samenhangt met de ontwikkelingen van welvaartstoename, economische groei, post-industrialisering, verburgerlijking, democratisering en emancipatie. Die berichten werden overgeheveld van mijn eigen blog - http://www.bloggen.be/stijfvreter/ - door Krommenaas, waarvoor ik hem uitdrukkelijk wil bedanken.

 

De oude blog zal zich voortaan toespitsen op de meer technische aspecten achter kuddegedrag evenals de filosofische bespiegelingen daaromtrent; hier zal het vooral gaan over de 'paradox', die in de vorige berichten al even aangehaald werd: met name, dat het proces van emancipatie en opwaartse mobiliteit niet geresulteerd heeft in een verdere verbreiding van het Standaardnederlands, maar juist in een met dialectelementen doorspekte tussentaal.

 

Tot op zekere hoogte is dat een gevolg, zoals in de vorige berichten betoogd, van de gestegen mobiliteit zelf: als het aantal interregionale contacten tussen sprekers uit verschillende gebieden aangroeit, dan geeft dat dialectkenmerken de kans op een ruimere verspreiding, waardoor zich 'van onderuit' een dialectisch gekleurde algemene omgangstaal kan ontwikkelen. Toch is hiermee niet alles a priori verklaard: in landen zoals Frankrijk, Engeland of Nederland - kortom: de 'klassiek' gestandaardiseerde taalgemeenschappen - bracht de toegenomen vervlechting van het sociale verkeer net een sterkere verankering van de standaardtaal met zich mee - dat was bij uitstek het geval tijdens de eerste industrialisatiegolf in de negentiende eeuw. Het verschil is echter dat in deze omstandigheden de standaardtaal (nog) fungeert als een middel om hogerop te klimmen in de samenleving, en precies daarin schuilt de verklaring van de opkomst van het Verkavelingsvlaams in de twintigste eeuw. Zonder meteen al de hele sluier op te lichten (de uiteenzetting van onze theorie vormt net het onderdeel van de komende berichten op deze blog), is die erin gelegen - samen met de massale informalisering die in het algemeen de sociale omgang in dit tijdvak gekarakteriseerd heeft - dat er na de Tweede Wereldoorlog een generatie opstaat die dermate welgesteld en bemiddeld is dat ze zich probleemloos kan onthouden van een strikte naleving van de regels, omdat ze nu eenmaal een voldoende gevrijwaard niveau van welstand heeft weten te vergaren. Deze sprekers hebben een zodanige levensstandaard opgebouwd dat ze niet langer genoodzaakt zijn om hun gedrag in de richting van de gestelde normen bij te schaven. Zij zijn, om in één woord hun (pas) verworven positie samen te vatten, ontheven van het leveren van inspanningen om sociaal vooruit te komen.

 

Hun informalisering is daarmee niets minder dan een statuskenmerk, een manier om zich van de lager geplaatsten in de maatschappij (en gelet op de socio-economische geschiedenis van Vlaanderen zijn dat dus in de regel sprekers uit de oudere generaties) te onderscheiden. Die laatsten moeten namelijk wel nog inspanningen leveren; zij verkeren niet in de mogelijkheid, het prinselijke privilege, om zich ten opzichte van regels zulke vrijblijvendheid te veroorloven: willen zij meedraaien in het spel, dan moeten zij zich eenvoudigweg schikken naar de bestaande voorschriften. Dat de 'nieuwe rijken' in Vlaanderen zich daaraan kunnen onttrekken is dan ook een teken van hun maatschappelijk welslagen. Informalisering is de ontegensprekelijke uiting van sociaal succes.

 

Wrap-up

Blogbericht van stijfvreter | Donderdag 29 januari 2009

Het wordt tijd om samen te vatten.

 

Wie het één en ander in deze blog naleest komt veel hortende en haperende formuleringen tegen. Zo wordt er gewag gemaakt van puntmutsen en in het eerste bericht (genaamd: "de Vlaming spreekt GEEN Nederlands") staat te lezen: "... uit het taalgebruik van deze geëmancipeerde Vlamingen zou zich mechanisch een 'lokaal gekleurd' (Algemeen) Belgisch-Nederlands - ABN - ontwikkelen."

 

Dat is een wat weerbarstige zin. Er had beter automatisch in plaats van mechanisch gestaan.

 

Hoe dan ook wordt het tijd om het mechaniekje waarvan sprake, die automaton eens nader uit te klaren. Het wordt tijd om samen te vatten.

 

Wat we weten is dit:

Door de socio-economische veranderingen in Vlaanderen na de Tweede Wereldoorlog - zoals: de stijging van de welvaart, de uitbouw van de materiële infrastructuur evenals het onderwijs, de opkomst van de massamedia, e.d. - werd het dagdagelijkse leven van de Vlamingen drastisch ontsloten: de leefwereld van de modale Vlaming breidde zich uit van de plaatselijke dorpskom of stadswijk (Gemeinschaft) naar de samenleving in haar geheel (Gesellschaft). Deze maatschappelijke verdichting en verburgerlijking verhoogde voor dialectkenmerken de kans op een ruimere, interlokale verspreiding: de emancipatie van Vlaanderen ging weliswaar aanvankelijk gepaard met de overname van de standaardtaal uit Nederland, maar de genoemde processen in de jaren '60 en '70 werkten in zulke mate democratiserend dat ze vooral leidden tot een massale toevloed van niet altijd even standaardtalig sprekende Vlamingen naar het openbare leven. Met hen kwamen dialectische elementen in publieke omloop. In deze toestand van linguïstische turbulentie - een talige "bellum omnium contra omnes" ('oorlog van allen tegen allen'; de frase komt uit Leviathan van Thomas Hobbes) - zou zich vervolgens spontaan een (nieuwe) conventie ontwikkelen. Het onderlinge samenspel van invloed en overname tussen individuen stabiliseerde/consolideerde automatisch tot de omgangstaal, die we vandaag de dag het Verkavelingsvlaams noemen.

 

Rest ons nog uit de doeken te doen hoe dat komt: hoezo stabiliseert talige turbulentie zich automatisch in een nieuwe conventie? Oftewel, nogmaals: wat is die automaton, dat mechaniekje dat erachter schuilt?

 

Het antwoord luidt dat dit ligt in ons kudde-instinct, maar dat is dan weer het onderwerp voor een volgend bericht.

 

3e referentie: Van Haeringen (1924)

Blogbericht van stijfvreter | Zondag 14 december 2008

Het artikel van Van Haeringen, waar Van der Horst naar verwijst, heeft als titel "Eenheid en nuance in beschaafd-Nederlandse uitspraak" en is in 1924 verschenen in De Nieuwe Taalgids 18 (pp. 65-86). Het kan on-line gevonden worden op:

 

http://www.dbnl.org/tekst/haer001eenh01_01/haer001eenh01_01_0001.htm
 

2 referenties

Blogbericht van stijfvreter | Zaterdag 13 december 2008

Ongeveer tegelijkertijd met Tussen spreek- en standaardtaal (± april 2008) verschenen er twee boeken die in hoge mate dezelfde materie behandelen. Het gaat om:

 

  • Cas Wouters, Informalisering. Manieren en emoties sinds 1890. Bert Bakker
  • Joop van der Horst, Het einde van de standaardtaal. Een wisseling van Europese taalcultuur. Meulenhoff

 

Het eerst is een sociologische studie van etiquetteboeken verschenen tussen ca. 1890 en 2000 in Nederland, Duitsland, Groot-Brittannië en Amerika, en de verander(en)de opvattingen daarin. Het tweede is meer een cultuurhistorisch essay met de focus specifiek op standaardtaal.

 

Wouters biedt het theoretische kader waartegen de resultaten ook in Tussen spreek- en standaardtaal geïnterpreteerd worden. Hij stelt in concreto:

 

"Op een soortgelijke manier ging de sociale code van de gevestigde coterieën steeds meer maatschappelijke lagen representeren naarmate die lagen zich emancipeerden en in de samenleving geïntegreerd raakten. Ter vermijding van sociale conflicten en omwille van het handhaven van hun hogere positie zagen de mensen die deel uitmaakten van de machtscentra en hun coterieën zich geroepen en gedwongen om sterker met de sociaal en politiek gestegen groepen rekening te houden. Daartoe behoorde ook het tonen van minder dedain en meer respect tegenover de idealen, de gevoelens, de moraal en de manieren van die groepen. Vandaar dat de dominante code van goede manieren, gemodelleerd naar het voorbeeld van de gevestigde coterieën, ernaar tendeert de vigerende machtsbalans tussen alle groepen en lagen die in een samenleving zijn geïntegreerd, te reflecteren én te representeren." (Wouters 2008, 40)

 

Van der Horst komt met betrekking tot het Standaardnederlands tot vrijwel identieke conclusies als in Tussen spreek- en standaardtaal neergeschreven staan - wat toch des te opmerkelijker mag heten aangezien dat vanwege de gelijktijdige publicatiedatum onafhankelijk van elkaar gebeurde. Na zo'n 250 bladzijden beschrijvende geschiedenis formuleert hij uiteindelijk zijn verklarend principe. Hij deelt het 'ABN' daarbij op in 3 fasen. De eerste fase is die van het "chique" ABN, waarin het Standaardnederlands als distinctiemiddel fungeerde: een manier van leden uit de hogere regionen van de maatschappij om zich van de lagere klassen te onderscheiden. Vervolgens beweert Van der Horst:

 

"Dat chique ABN duurt tot ongeveer 1920. Er voltrokken zich in de twintigste eeuw namelijk grote sociale en demografische veranderingen, met verstrekkende gevolgen voor de taal, en in essentie in heel Europa gelijk. In enkele decennia verandert er in het leven van de meeste mensen meer dan in hele eeuwen daarvoor. Van het vele dat hier te noemen valt, vermeld ik slechts de toenemende welvaart, de leerplicht, het algemeen kiesrecht; meer mensen gaan meer onderwijs volgen; vanaf 1920 is er de radio, en eerder al de telefoon. De mensen worden mobieler. En ze zien al gauw dat de toegangspoort tot sociale vooruitgang gelegen is in: ...ABN spreken. De middenstander, de geschoolde arbeider, de ontwikkelde dialectspreker, kortom de sociale middenlaag gaat ABN spreken. Niet van de ene dag op de andere, maar stapje voor stapje. Dat gebeurt in de periode 1920-1970. Het aantal sprekers van het ABN, of toch mensen die het waar nodig kúnnen spreken, neemt daarmee sterk toe. Van de luttele procenten rond 1900 naar misschien wel 40 à 50 procent in 1970. Het is niet perfect, het is niet vlekkeloos, maar het is een aanvaardbaar soort algemeen Nederlands." (Van der Horst 2008, 271)

 

Er wordt met andere woorden meer standaardtaal gesproken naarmate meer lagen uit de maatschappij zich emanciperen. Op het eerste gezicht lijkt dat net een /weerlegging/ te beduiden van de these als zou de erosie van het Standaardnederlands samenhangen met emancipatie, maar Van der Horst gaat verder. Verwijzend naar Van Haeringen die al in 1924 voorzag dat "democratisering uiteindelijk niet zal halt houden bij de circa 40 procent sociale middenlaag" stelt hij:

 

"En dat is inderdaad wat we zien gebeuren vanaf ongeveer 1970: een verder voortgaande democratisering van de samenleving in het algemeen, en van het onderwijs in het bijzonder. Ook een verder toegenomen welvaart, een grotere mobiliteit, en een grotere mondigheid.

Maar de verdere opmars van het ABN en de standaardtaal hapert. Zo succesvol als het ABN tot 1970 was geweest, steeds meer sprekers, steeds eenduidiger norm, zo miserabel gaat het ermee na 1970. De eenduidige norm is weg. Of eigenlijk, er zijn nu verschillende normen naast elkaar. Misschien is het aantal sprekers van het traditionele ABN vergeleken bij 1950 niet eens erg afgenomen. Alleen, die andere 60 procent van de bevolking, die vroeger zweeg in het openbare leven, zwijgt niet langer. Die kun je nu ook dagelijks op de tv horen, in de scholen en in de universiteiten." (Van der Horst 2008, 272)

 

Oftewel: zolang er een maatschappelijke onderklasse is om zich tegen af te zetten, zal er een voorkeur bestaan om de standaardtaal te spreken; is dat niet langer het geval en zijn de leden uit de laagste regionen van de maatschappij voldoende geïntegreerd om zich in het openbare leven te roeren, dan zal de linguïstische markt ernaar tenderen om, in de woorden van Wouters, de 'vigerende machtsbalans te reflecteren en te representeren'.

Pagina's: 1 | 2