Algemeen Vlaams

Deze site is nog in vollen opbouw. Den boomstructuur hieronder word geleidelijk uitgebouwd op basis van onze discussies in de forums - komd gerust meediscussiŽren!
I. Beschouwingen
II. Spelling en uitspraak
III. Grammatica
IV. Woordenschat
V. Teksten
Uit: den blog van stijfvreter

Brokstuk twee en een half: op hol geslagen selectie

stijfvreter | Woensdag 21 maart 2012

(Na lang weggeweest te zijn)

 

In het laatste bericht hebben we de analyse gemaakt hoe mensen zich aan normen aanpassen als ze voor hun behoeftevoorziening afhankelijk zijn van anderen. Nu zullen we de keerzijde van die medaille belichten en uitleggen hoe afhankelijkheid mensen zelf omgekeerd ook selectiever maakt in de beoordeling van anderen. Vergelijk nogmaals de vrager en de aanbieder uit het vorige bericht: in principe kan van die aanbieder namelijk gezegd worden dat hij zijn macht over de vrager uitbuit, als hij tegenover de behoeftevoorziening een wederdienst stelt (dat de vrager zich namelijk een bepaald gedrag aanmeet). De vrager verkeert niet in een positie om daarover te onderhandelen, dus is dat opleggen van een norm van de aanbieder aan de vrager eigenlijk je reinste boerenbedrog. Daar valt zeker iets voor te zeggen, maar het verklaart nog niet waarom de aanbieder dat Łberhaupt doet: waarom stelt de aanbieder eigenlijk een norm als wederdienst in? Hij kan er bijvoorbeeld een sardonisch genoegen in scheppen om de vrager te doen kruipen, en gegeven de inzichten van de evolutiebiologie is het niet onwaarschijnlijk dat de mens inderdaad een zeker instinct heeft tot wreedheid. Toch verklaart dat nog niet waarom we Łberhaupt met dat instinct opgezadeld zitten. Waarom zijn we niet gewoon onvoorwaardelijk barmhartig, als we behoeftige individuen zien? Ga maar na: in de vorige berichten hebben we het ontstaan van normen gekaderd in speltheoretische mechanismen van prijsbepaling en -onderhandeling, maar wat kan die normerende aanbieder daarmee dan winnen? Axiomatisch aan speltheoretische onderhandelingen is namelijk dat elke betrokken partij zijn eigen voordeel probeert te maximaliseren, maar wat is het voordeel voor een aanbieder, die in de behoefte van een andere kan voorzien, om daar een wederdienst tegenover te stellen? In die behoefte kan hij toch sowieso voorzien. We hebben kortom uiteindelijk nog niets verklaard: in de vorige berichten hebben we beschreven hoe afhankelijkheid individuen motiveert tot het volgen van normen, maar het is tot nu toe een vraagteken waar normen zelf eigenlijk vandaan komen.

 

Het cruciale aangrijpingspunt (dat in de vorige berichten impliciet is gebleven) is dat normen terug te voeren zijn op preferenties of voorkeuren die bij individuen leven. Een norm is een voorkeur die iemand heeft over het gedrag dat hij gemanifesteerd wilt zien, en als iemand anders van hem afhankelijk is, dan wordt die voorkeur voor die laatste een norm. In die zin bestaan normen dan ook enkel "in de hoofden van mensen". Tot op zekere hoogte was dat ook de boodschap in sommige vorige berichten over de essentialistische misvatting van taalregels als inherente natuurlijkheden. Normen zijn niet te zoeken in een of andere hogere, ideŽle wereld, maar bestaan in de vorm van preferenties in de psyche van individuen. Omdat normen evenwel betrekking hebben op sociale relaties, moet het meer specifiek gaan om wat we "gedeelde" preferenties zullen noemen: voorkeuren die bij meerdere individuen gelijk zijn. Dat kunnen we uiteindelijk ook in een definitie gieten:

 

Definitie: Een norm is een gedeelde preferentie onder individuen over de onderlinge omgang.

 

Een verklaring van normering is daarmee in laatste instantie een theorie over het selectiever worden van preferenties. Wat zorgt ervoor dat individuen restrictiever worden in hun omgang met anderen? Nogmaals, het is op het eerste gezicht onduidelijk welk voordeel het heeft om minder vrijgevig of behulpzaam te zijn. Het zou zelfs kunnen dat het iemand op den duur alleen maar schade berokkent, omdat het de anderen tegen hem doet keren. Is er dus een manier waarop het loont om selectief te zijn?

 

Nu is de selectie, die individuen op elkaar toepassen, een vaak bediscussieerd onderwerp in de reflecties over samenlevingsverbanden tussen individuen (of die nu sociologisch, filosofisch, of biologisch zijn). Het basale inzicht is daarbij dat selectie eveneens voortvloeit uit de omstandigheden van afhankelijkheid. Zelf zijn we ook behoeftig: we kunnen bijvoorbeeld wel een stuk brood hebben voor iemand die honger heeft, maar hij kan voor ons dan weer een kledingstuk maken als het vriest of stormt. In de vorige berichten hebben we aangegeven hoe dat aanleiding geeft tot ruil: we wisselen beide goederen aan elkaar uit, zodat we elk in onze behoefte voorzien worden en we er allebei beter van worden. Sociale ruilhandel hoeft geen nulsomspel te zijn.

 

Alleen is er een belangrijk aspect - en het mag echt wel een "criterium" genoemd worden - impliciet gebleven: wij worden er enkel maar beter van, als de andere ook ons iets te bieden heeft; aan een eenzijdige vrager (om het zo maar eens even cru uit te drukken) hebben we niets. Met andere woorden, het voordeel is voor beide partijen, dus ook voor ons, pas groter als we allebei niet alleen vrager maar ook elk aanbieder zijn. Die "nutafweging" kan in de volgende regel samengevat worden:

 

Het voordeel wordt groter bij een vrager die ook aanbieder is; bij iemand die louter vrager is, blijft het voordeel gelijk (in het beste geval).

 

Op die manier is selectie een haast automatische consequentie: het is in ons eigenbelang om onze diensten niet aan zomaar om het even wie te verlenen, maar bij voorkeur aan diegenen die ook ons zullen voorzien, als wij eens behoeftig zijn. We willen niet iedereen in zijn behoefte voorzien, maar enkel iemand die ons een wederdienst kan bewijzen. Daarmee willen we hier voor alle duidelijkheid geen rechtvaardiging leveren voor dat soort opportunisme (want dat is het eigenlijk); wel willen we het causaal verklaren waarom selectie ooit is kunnen ontstaan.

 

Het onthult nog een ander belangrijk aspect van sociale ruil: de uitgewisselde diensten worden door de uitwisselende partijen gebruikt als pasmunt. Niet toevallig wordt dat mooi uitgedrukt door het woord "pas": ik doe pas iets voor jou, als jij iets voor mij doet.

 

De gevolgen zijn ingrijpend. In de vorige berichten hebben we gezien hoe onze behoeftigheid ons afhankelijk maakt van anderen (die daardoor macht over ons krijgen). Nu blijkt dat er ook een keerzijde van de medaille is: diezelfde behoeftigheid maakt ons ook kieskeurig, waardoor de balans in zekere zin hersteld wordt. Niet iedereen zal nog zomaar op onze diensten kunnen rekenen, maar voortaan gaan we de anderen zorgvuldig screenen op het eventuele voordeel dat het ons oplevert. We voorzien niet (langer) sowieso in iemand behoeften, maar in plaats daarvan zullen we er nauwlettend op toekijken - we zullen er een neus voor ontwikkelen - of individuen ons ook iets te bieden hebben.

 

En zo kwam er sociale selectie in de wereld.

 

(Overigens is dit ook de finale ontkrachting van de "organicistische" theorie over samenlevingen, die opgeld deed in de negentiende eeuw, en waarvan Herbert Spencer en Emile Durkheim misschien de voornaamste vertegenwoordigers zijn: die theorie stelde dat behoeftigheid en afhankelijkheid individuen "in elkaars armen dreef" en hen stimuleerde tot het vormen van coŲperatieve netwerken. Hier zien we dat behoeftigheid echter ook gepaard gaat met een zekere distantiŽring ten opzichte van elkaar: individuen gaan zich wat meer terughoudend tegenover de anderen opstellen. Op die manier leidt afhankelijkheid dan ook niet tot sociale solidariteit, maar draagt het integendeel bij tot vervreemding. Dat moet nog eens nader uitgewerkt worden, maar het kernidee is wel duidelijk: noties zoals solidariteit en coŲperatie impliceren individuen die autonoom zijn; afhankelijkheid is een conditie die intrinsiek conflictueus is.)

 

Maar wat heeft dat nu allemaal te maken met gedragsnormen? De elementen waarop er geselecteerd wordt, zoals de manier waarop we ons gedragen of hoe we spreken, zijn toch alleen maar uiterlijkheden; die zijn op zich toch niet relevant, als het draait om de behoeftevoorzieningen die uitgewisseld worden? Het antwoord daarop is de laatste component in de verklaring van gedrags- en taalnormen. De sociale onderhandelingen tussen individuen zijn, wat men noemt, een spel met imperfecte informatie: zoals zo-even gezegd, zullen we de anderen screenen om uit te vinden of ze ook iets te ruilen hebben. Nogmaals, het klinkt cru, maar aan iemand die ons niets te bieden heeft, hebben we niets. Alleen, hoe weten we of dat niet eigenlijk het geval is? Hoe kunnen we met andere woorden weten of de andere een betrouwbare hulpverlener zal zijn? Nu is het net het inzicht achter de civilisatietheorie van Norbert Elias geweest dat we daartoe historisch een heel complex van indicatoren ontwikkeld hebben (wat we natuurlijk niet bewust gedaan hebben: dat is geleidelijk aan gegroeid, en de link met de evolutietheorie wordt zo meteen nog gelegd), die aangeven hoe succesvol we zijn. Gedragsvormen zoals de manier waarop we ons kleden, hoe we eten, of (waar het hier uiteindelijk om draait) hoe we spreken, e.d. zijn inderdaad uiterlijkheden, maar ze zijn tegelijk ook signalen van de kwaliteit die we te bieden hebben. Om dat te begrijpen (en de uitleg ervan in Het Civilisatieproces 1982 beslaat meer dan achthonderd bladzijden), kunnen we ons het mechaniekje, waarop zich dat complex van successignalen gevormd heeft (dat dus niet bewust is), als volgt voorstellen: stel, er was eens een deelverzameling individuen, die net dat tikkeltje succesvoller dan de anderen was (ze hadden bv. die kleine comparatieve voorsprong gehad dat ze meer goederen hadden, waardoor ze meer konden ruilen met behoeftige individuen, en daardoor nog meer goederen verwierven). Gegeven het combinatorische aantal variaties dat er in hun gedragingen mogelijk is, zullen er wel enkele eigenaardigheden geweest zijn, waarmee ze geÔdentificeerd konden worden. Voor alle overige, minder succesvolle individuen waren die eigenaardigheden het middel om die succesvolle individuen te herkennen (laten we die eigenaardigheden daarom de "kenmerken" noemen). Door het voordeel dat die minder succesvolle individuen hebben om met die succesvolle individuen te interageren, zou er bij die minder succesvollen dan ook een preferentie ontstaan voor individuen met de kenmerken van de succesvollen. Dat hoeft trouwens niet automatisch opgevat te worden als het preferentiŽle gevolg op een oorzakelijke situatie van behoeftigheid maar kan ook "externalistisch" begrepen worden: in het begin waren er zowel individuen met de preferentie voor de kenmerken als individuen zonder de preferentie, en die leefden gewoon samen naast elkaar en interageerden allebei met de succesvolle individuen. De individuen met de preferentie werden evenwel frequenter in hun behoeften voorzien, waardoor de individuen zonder de preferentie verhoudingsgewijs steeds vaker benadeeld werden. Op die manier werd het hebben van de preferentie uiteindelijk een noodzakelijke voorwaarde voor behoeftebevrediging: de situatie van behoeftigheid impliceert dus niet automatisch de ontwikkeling van de preferentie, maar de voorziening in de behoefte impliceert wel het bestaan van de preferentie (dat klinkt misschien als logisch gegoochel, maar ga zelf maar dat het de essentie van het argument vat). Daarmee verbreidde die preferentie zich geleidelijk aan in de hele populatie. Economen noemen dat een "contractie" van de markt, en het heeft te maken met de numerieke meerderheid die de minder succesvolle, afhankelijke individuen normaal gezien wel hebben: niet iedereen is een succesvol individu, maar we zijn wel allemaal behoeftig, en daarom is elk van ons uiteindelijk op zoek naar de kenmerken van succes.

 

Vervolgens treedt de heel eigen dynamiek van vraag en aanbod in werking, waarvan het bekend is dat die soms onverwachte en onvoorspelbare sneeuwbaleffecten kan hebben. Dat zal ook hier het geval zijn. Aangezien er namelijk een massale preferentie is voor de succeskenmerken, wordt het ook omgekeerd voordelig om die kenmerken zelf te vertonen. Dat zal wel evident zijn: als er een grote vraag is naar een bepaald product, en iemand heeft dat product toevallig, dan zal hij probleemloos kandidaten vinden voor onderhandeling. Op dezelfde manier loont het om de succeskenmerken te signaleren, als daar zoveel preferentie voor bestaat. Dat is vanzelfsprekend voor de succesvolle individuen, maar het geldt ook voor de minder succesvolle individuen, die er hun eigen voordeel nog wat mee kunnen vergroten. Welke bijzondere gevolgen dat bovendien nog genereert zullen we zo meteen belichten, maar het algemene resultaat zal het wel duidelijk zijn. De interactie tussen de individuen - d.w.z. tussen de succes(signaal)zoekende individuen en de succes(signaal)hebbende individuen - wordt er namelijk in zekere zin door "kortgesloten": door de vraag naar succeskenmerken wordt het voordelig om een aanbod aan succeskenmerken te hebben, net zoals het omgekeerd door het aanbod aan succeskenmerken voordelig wordt om een vraag naar succeskenmerken te hebben. Op die manier zullen vraag en aanbod elkaar wederzijds versterken (wat in de economie een "positieve externaliteit" heet): de preferentie voor succeskenmerken voedt de proliferatie ervan onder de individuen, en de aanwezigheid van succeskenmerken voedt omgekeerd de aanwakkering van de preferenties ervoor. Uiteindelijk zullen preferentie en succeskenmerken samen "hand in hand" steeds meer individuen in hun greep krijgen: op den duur zal elk individu de succeskenmerken prefereren, zal ze ook effectief vertonen, zal ze ook willen hebben, zal willen dat de anderen willen dat ze die hebben, enzovoort.

 

Dat soort situaties, waarbij individuen anderen selecteren op basis van hun uiterlijke kenmerken en waarbij de anderen die kenmerken vertonen om bij de eerste groep in de gratie te vallen, komt in zoveel verschillende gedaantes voor dat ze ook apart bestudeerd worden. In de speltheorie worden ze signaalspelen genoemd. Een typische toepassing is het model van jobsollicitaties, dat door de econoom Michael Spence ontwikkeld is in zijn boek Market signaling: Informational transfer in hiring and related screening processes (1974): een werkgever probeert sollicitanten te screenen op basis van hun kwalificaties, terwijl de sollicitanten de werkgever proberen te overtuigen van hun competenties. De meest tot de verbeelding sprekende toepassing is evenwel die in de biologie, waar signaalspelen de verklaring vormen voor seksuele selectie op basis van fitnessindicatoren: wijfjesdieren proberen mannetjesdieren te selecteren met de beste indicatoren voor fitness, en de mannetjes proberen die fitnessindicatoren zo opvallend mogelijk te tonen om de wijfjes te lokken. Die fitnessindicatoren worden daarom ook seksuele ornamenten genoemd, en de illustere voorbeelden zijn wel bekend: de imposante staart van de pauw, het betoverende zangspel van de nachtegaal, het vervaarlijke gewei van het hert, enzoverder. Nu houdt seksuele selectie uiteindelijk rechtstreeks verband met het soort Eliasiaanse civilisatieproces bij de mens (voor wie zich afvroeg wat flirtgedrag bij dieren in godsnaam te maken heeft met taalnormen): de klassieke theorie in de evolutiebiologie luidt dat wat we "cultuur" noemen geŽvolueerd is uit zulke ornamenten, die indruk op de anderen moeten maken om zo onze reproductie veilig te stellen. Cultuur is meer bepaald een generalisering van seksuele ornamenten: niet alleen de vrouwelijke individuen moeten erdoor aangetrokken worden, maar alle andere individuen in het algemeen. De details van die theorie worden met verve uiteengezet door de evolutiepsycholoog Geoffrey Miller in zijn twee boeken The mating mind: How sexual choice shaped the evolution of human nature (2000) en Spent: Sex, status and the evolution of consumerism (2009).

 

Ook processen van sociale normering zijn met andere woorden een toepassing van het signaalspel. Voor omgangsvormen in het algemeen is dat, zoals gezegd, beschreven in de civilisatietheorie van Norbert Elias. Van standaardtalen is het daarnaast bekend dat ze in de regel de taal zijn van de sociale elite, oftewel per definitie de meest succesvolle individuen in een samenleving (behalve in Vlaanderen, en dat vormt nu net het cruciale verschil, dat in de volgende blogberichten uitgewerkt zal worden). Het ligt dan ook voor de hand dat er preferenties ontstaan voor individuen die de standaardtaal spreken, net zoals het omgekeerd vanzelfsprekend is dat steeds meer individuen de standaardtaal gaan gebruiken om zo hun succeskansen te vergroten. In de sociolinguÔstiek zegt men dat standaardtalen "prestige" hebben, en misschien is het gepast om ook de synoniemen even te vermelden: de "geciviliseerdheid" van Elias is er ťťn van, net zoals "distinctie" van de Franse socioloog Pierre Bourdieu een ander is. Het gevolg van dat prestige is dat zowel het gebruik van als de preferentie voor de standaardtaal zich uitbreidt onder de individuen in de samenleving. Dat bewijst dus de stelling, waarmee we dit blogbericht geopend hebben: onze afhankelijkheid maakt dat we niet alleen bereid zijn om ons aan te passen aan de preferenties van anderen, maar dat we op onze beurt zelf ook restrictiever worden in onze preferenties tegenover anderen.

 

Nu is er ťťn belangrijk aspect van signaalspelen onbesproken gebleven, maar het is wel van wezenlijk belang. Bedenk namelijk eens wat die preferentie voor succeskenmerken betekent voor de minder succesvolle individuen. Voor de succesvolle toplaag is er geen probleem; de preferentie was van meet af aan bedoeld om hen te identificeren. Dat geldt echter niet voor de andere, minder succesvolle individuen, die hun interactiekansen drastisch verminderd zien. De minder succesvolle individuen worden door de preferentie voor succeskenmerken met andere woorden benadeeld (hoewel ze die preferentie paradoxaal genoeg wel zelf kunnen hebben; tja, selectie trekt zich natuurlijk niets aan van paradoxen). Ze zullen dan ook hun toevlucht nemen tot de enige strategie die hen als minder succesvol individu ter beschikking staat, en die een inherent onderdeel van signaalspelen vormt: misleiding. De minder succesvolle individuen zullen (moeten) simuleren: ze zullen doen alsůf ze volmaakt succesvol zijn, doen alsůf ze tot die toplaag van succesvollen behoren. Bij gebrek aan reŽel succes zullen de minder succesvollen met andere woorden vals spel moeten spelen. Het is niet onbelangrijk om even te beklemtonen dat het hier wel degelijk om bedrog gaat: door te veinzen dat ze succesvol zijn, bedotten ze namelijk iemand die op zoek is naar een echt succesvol individu (wat zij niet zijn), om er zelf beter van te worden. De gevolgen daarvan zijn navenant. Natuurlijk zullen de screenende individuen de eerste keren flink bedrogen worden, maar na verloop van tijd zullen ze hun lesje wel leren... en er de gepaste conclusies uit trekken. De preferentie voor succeskenmerken was er namelijk gekomen om de succesvolle individuen te kunnen selecteren, en als er vervolgens valse succeskenmerken opduiken, dan is de logische voordelige reactie om een nog fijnzinnigere gevoeligheid voor succeskenmerken te ontwikkelen (om zo de echte van de valse succeskenmerken te kunnen onderscheiden). De misleiding, die tot doel had om de selectie te omzeilen, heeft zo het paradoxale gevolg dat de selectie erdoor verhardt: op termijn is simulering dan ook gemiddeld gezien een contraproductieve strategie. Het betekent wel dat de wisselwerking tussen selectie en misleiding in een permanente impasse zit: voor elk vals successignaal zullen de preferenties verscherpen, en voor elke verscherpte preferentie zullen er nieuwe vormen van misleiding ontwikkeld worden. Selectie lijkt zo in een situatie te zitten, die de bioloog Garrett Hardin the tragedy of the commons (1968) genoemd heeft en die nogal archaÔsch vertaald wordt als "de tragedie van de meent": een gemeenschappelijk stuk weiland wordt aan verschillende boeren gegeven om hun vee op te laten grazen, maar omdat elke boer een zo groot mogelijke opbrengst wilt, zijn ze er allemaal meer mee bezig om maar geen stuk weide aan de anderen over te laten. Zulke tragedies zijn echter niet ongewoon bij sociale selectie. De patstelling, waarin de selectie verzeild is geraakt, staat namelijk ook wel bekend als een rode-koningineffect. De naam komt uit de passage in Through the looking-glass van Lewis Carroll, waar Alice de Rode Koningin ontmoet en ze samen beginnen te rennen, om vast te stellen dat ze gewoon op dezelfde plaats blijven. Om die reden is de term "patstelling" trouwens zo toepasselijk, omdat de Rode Koningin in Through the looking-glass eigenlijk een van de stukken uit het schaakspel is. De passage gaat als volgt:

 

Alice looked around in great surprise. "Why, I do believe we've been under this tree the whole time! Everything's just as it was!"

"Of course it is," said the Queen. "What would you have it?"

"Well, in our country," said Alice, still panting a little, "you'd generally get to somewhere else - if you ran very fast for a long time as we've been doing."

"A slow sort of country!" said the Queen. "Now, here, you see, it takes all the running you can do, to keep in the same place."

(The annotated Alice. The definitive edition., 174)

 

Het rode-koningineffect slaat met andere woorden op het verschijnsel dat, hoewel alle individuen zich inspannen om een voordeel ten opzichte van elkaar te behalen, alles verhoudingsgewijs echter gelijk blijft, en wel omdat iedereen die inspanning doet: daartoe worden ze omgekeerd namelijk verplicht, omdat ze anders hun voordeel juist zouden verliezen. Het verband met selectie wordt uitgebreid beschreven in het boek The red queen: Sex and the evolution of human nature (1993) van de bioloog Matt Ridley. Het onvermijdelijke gevolg van een rode-koningineffect, wat dan ook zijn cruciale eigenschap is, is natuurlijk ongebreidelde escalatie. De geneticus/statisticus Ronald Aylmer Fisher heeft om die reden het begrip runaway selection gelanceerd, wat we kunnen vertalen als "op hol geslagen selectie". De notie van "ongebreideld" is daarbij fundamenteel: bij dit type selectie is letterlijk "het einde zoek". Het wederzijds versterken van vraag en aanbod, dat bovendien verscherpt wordt door de mogelijkheid van misleiding, resulteert in een explosie van steeds complexer wordende vormen van selectie.

 

Op dezelfde manier kunnen de sociale omgangsvormen escaleren in steeds complexere patronen. Die kunnen een gunstige uitwerking hebben op de individuen in de samenleving, en in dat geval spreken we van "cultuur". Ze kunnen echter ook een belemmering betekenen voor de interacties tussen de individuen. De pauwstaart of het gewei zijn bijvoorbeeld handicaps, die de bewegingsvrijheid van de pauw en het hert beperken. Bij omgangsvormen gaat het in dat opzicht meer bepaald om allerhande maniŽristische gekunsteldheden, die een hypertrofie zijn van gewone interindividuele omgang. Het is in die zin dat in Vlaanderen de vergelijking met de standaardtaal zich wel aandient. Volgens de uiteenzetting in dit blogbericht zal het maniŽrisme opduiken, als individuen geen wezenlijk selectievoordeel boeken met hun omgangsvormen. In dat geval blijven ze namelijk ter plaatse trappelen (dat is het rode-koningineffect), zodat de enige toevlucht erin bestaat om hun preferenties nog verder te verstrakken - in een straatje zonder einde. Als gevolg daarvan zullen zich omgangsvormen ontwikkelen, die steeds verder afstaan van de spontane interactie. Met betrekking tot taal, zullen die maniŽrismen op die manier de uitdrukking vormen van wat in Vlaanderen het legendarische taalprobleem is: taalonzekerheid, en daar zullen de volgende blogberichten dan ook over uitweiden.

Reageren