Algemeen Vlaams

Deze site is nog in vollen opbouw. Den boomstructuur hieronder word geleidelijk uitgebouwd op basis van onze discussies in de forums - komd gerust meediscussiren!
I. Beschouwingen
II. Spelling en uitspraak
III. Grammatica
IV. Woordenschat
V. Teksten
Uit: den blog van stijfvreter

Brokstuk twee en een kwart: de adhesie aan normen

stijfvreter | Woensdag 6 juli 2011

In de vorige berichten hebben we (tot vervelens toe) de stelling verdedigd dat alle taalvormen conventioneel zijn, dat er dus geen inherent natuurlijke vormen bestaan, en dat de mate van artificieelheid van een vorm uiteindelijk een kwestie van gewenning is. Het is daarmee hoog tijd om te verklaren waarom sprekers er berhaupt toe komen om zich aan te passen aan taalregels: wat beweegt er sprekers eigenlijk toe om bepaalde taalregels over te nemen? Als leidraad herhalen we daarbij het al eerder vermelde principe dat individuen regels volgen als die hen voordeel opleveren.

 

Ons vertrekpunt vormt het taalgedrag dat tijdens de primaire socialisatie spontaan en 'automatisch' verworven wordt. Die taalovername beschouwen we als feitelijk gegeven en verklaren we niet nader. Dat moet ooit nog het onderwerp vormen van wat ik eens de 'kuddetheorie' genoemd heb, maar wat ik nu eerder de 'harmonietheorie' wil noemen, en waarvan de uitwerking er tot nu toe nooit is kunnen komen. De harmonietheorie blijft dan ook toekomstmuziek, en de reden is dat we het in de context van standaardisering en/of informalisering eigenlijk ook niet nodig hebben. Het globale idee zal namelijk wel duidelijk zijn, en laat zich samenvatten onder de noemer absorptie: tijdens onze eerste ca. zes levensjaren absorberen we het gedrag dat we waarnemen in onze directe omgeving. Dat gebeurt 'automatisch' en spontaan, omdat het een aangeboren instinct is: we hebben de genetisch bepaalde dispositie om (in onze kindertijd) ons gedrag te 'modelleren' (om de term van sociaalpsychologen te gebruiken) naar dat van anderen in onze nabije omgeving. Als kinderen zijn we met andere woorden de (taal)gedragsmatige 'copy-cats' van onze ouders.

 

Nu is daarmee echter niet alles gezegd. Zodra onze primaire taalverwerving namelijk voorbij is, gaan we taal gebruiken in onze interacties met derden, en die gaan we natuurlijk niet aan om alleen maar hun gedrag te kopiren: sociale betrekkingen gaan we aan om onze doelstellingen te verwezenlijken en te verkrijgen wat we nodig hebben. Sociale verbanden (waarin taal als bindmiddel fungeert) ontstaan met andere woorden vanuit onze behoeftigheid en vanuit ons streven om daarin te voorzien. In de praktijk betekent dat natuurlijk altijd onderhandeling, en omdat taal nu eenmaal onderdeel vormt van sociale interactie, draagt taal onvermijdelijk het potentieel in zich om voorwerp van onderhandeling te worden. Ook taal is met andere woorden onderhevig aan de allesoverheersende wet van vraag en aanbod.

 

Om dat te begrijpen kunnen we een typesituatie schetsen waarin de behoeftigheid van individuen hen drijft tot interactie, en het gebruikelijke voorbeeld is wel dat van voedselverdeling: stel dat jij honger hebt en je 'buur' (d.i. die ene andere persoon in de buurt) heeft een stuk brood. Nu kan hij dat aan jou geven, maar niets verplicht hem er natuurlijk toe om dat zomaar te doen: hij kan er evengoed een wederdienst van jou tegenover stellen. Hij stelt je dan een voorwaarde, waaraan jij moet voldoen, opdat hij jou in je behoefte voorziet. Het punt is dat dat om het even wat kan zijn: het maakt niet uit welke voorwaarde hij je precies oplegt, zolang jij die maar beantwoordt. De gestelde voorwaarde is met andere woorden volstrekt willekeurig: ga maar na, er is geen enkele formule die zegt hoe de voorwaarde op welke wijze dan ook verband zou moeten houden met jouw oorspronkelijke vraag. Waar het om draait, is dat jou een wederdienst gesteld wordt, die je moet nakomen, wil je dat je behoefte bevredigd wordt. Zo is het dan ook mogelijk dat die voorwaarde betrekking heeft op je taalgedrag, bijvoorbeeld je manier van uitdrukken als je dat stuk brood van hem vraagt. Als dat zo is, dan kun jij daar weinig aan veranderen, en zul jij je expressie moeten verzorgen. Je kunt nu wel vinden dat taalgedrag een volslagen irrelevante voorwaarde is, die op geen enkele manier in verhouding staat tot het stuk brood, maar alles welbeschouwd koop je daar weinig voor: jij kunt je die bedenking wel maken, maar als dat de voorwaarde is die de aanbieder je stelt, dan heb je weinig andere keuze dan die gewoon te accepteren (tenminste, als je wilt dat je het stuk brood van hem krijgt). Doe je dat namelijk niet, dan kan hij altijd weigeren om jou het stuk brood te geven en dan blijf jij - letterlijk - alleen maar 'op je honger zitten'. De gestelde voorwaarde, hoe willekeurig ook, is kortom de prijs die jij betaalt voor de door hem geleverde behoeftevoorziening.

 

Vervolgens laten we de complexiteit een beetje toenemen. Bij het samenleven van individuen is meestal niet zo dat de ene partij eenzijdig over de middelen beschikt die in de behoefte van de andere(n) voorzien, terwijl de andere partij eenzijdig behoeftig is en dus afhankelijk van de eerste(n). Doorgaans zijn we allemaal een beetje afhankelijk van elkaar. Het voorbeeld bij uitstek is dat waar je buur de broden bakt die jouw honger stillen, terwijl jij dan weer de kleren maakt die hem kunnen beschermen tegen regen en koude. Het principe, waarop hier gealludeerd wordt, is met name dat van arbeidsdeling, dat Adam Smith in zijn boek The Wealth of Nations uit 1776 heeft omschreven als ht elementaire 'bindende' mechanisme dat gesoleerde individuen 'tot elkaar' brengt (een gedachte die later is uitgewerkt door Emile Durkheim in De la Division du Travail Social uit 1893 tot een heuse theorie over sociale cohesie: arbeidsdeling als de sociale 'lijm' die individuen tot collectieve gehelen smeedt). Het idee is dat elk individu zich specialiseert in net dat waar er bij alle andere individuen behoefte aan is (elk individu zoekt met andere woorden een eigen 'niche' op). Als die wederzijds behoeftige individuen vervolgens hun behoeftevoorzieningen aan elkaar gaan uitwisselen, ontstaat er zo spontaan een collectief gecordineerde samenleving. Het zal wel duidelijk zijn welke weerslag dat heeft op de omgangsvormen, zoals taalregels, bijvoorbeeld. In het meest basale model worden de twee behoeftevoorzieningen namelijk op zich als gelijkwaardig tegen elkaar uitgewisseld: een kledingstuk voor een stuk brood, en verder komt daar niets anders bij kijken. Subtielere situaties zijn echter die waar er tegen elkaar opgeboden (of afgedongen) wordt. Omdat een van de partijen niet akkoord gaat met de gelijke waarde van de twee uitgewisselde voorzieningen (hij vindt bijvoorbeeld dat het hele bakproces van een brood beduidend meer investeringen vergt dan het aan elkaar naaien van een kledingstuk), zal hij ertoe overgaan om bijkomende voorwaarden te stellen (zoals hierboven beschreven). Het punt, dat daarmee evenwel blootgelegd wordt, is dat elke onderhandeling een impliciet conflictueuze activiteit is, hoe vredig en constructief alles aan de oppervlakte ook mag lijken: iedere partij in het geding wil er primair het beste voor zichzelf uit halen, dus zal niemand zich zomaar zonder slag of stoot neerleggen bij de voorwaarden die hem opgelegd worden. Uiteindelijk heeft de andere namelijk ook jou nodig (voor zijn kleren), dus moet ook hij een aanpassing doen. Dat impliceert dat de tweede partij haast onvermijdelijk zal reageren door op zjn beurt zijn eigen bijkomende voorwaarden te formuleren. Hij vermeerdert met andere woorden het aantal bijkomende voorwaarden, maar hij doet dat om de onderhandeling (weer) in equilibrium te brengen. Om dat op ons taalvoorbeeld toe te passen: als je buur bijvoorbeeld jou het stuk brood pas wilt geven als jij bepaalde woordkeuzes maakt, dan kun jij hem enkel het kledingstuk geven als hij op zijn uitspraak let.

 

Dat toont aan hoe taalregels, zoals alle bijkomende voorwaarden, vooral middelen zijn om je in het onderhandelingsproces te laten gelden: je wilt geen doetje zijn en je door de andere in een hoekje laten drummen; je wilt dat hij ook rekening met jou houdt. Welnu, taalregels zijn dan een manier om de andere voor voldongen feiten te plaatsen. Dat is eigen aan elke onderhandeling, en het heet retributie: ik dek jou(w rug) als jij op de mijne krabt, maar als jij bij mij een appel steelt, dan hak ik jouw notelaar om. "Oog om oog, tand om tand" is een andere naam, maar omdat die teveel louter het negatieve aspect van bestraffing benadrukt, en de positieve connotatie van wederzijdse dienstverlening een beetje verbergt, is de betere uitdrukking misschien (zeker voor wie nu aan het googlen slaat): tit for tat. Wat dat voor de omgangsvormen betekent laat zich wel raden: de retribuerende strategien van individuen in onderhandeling vormen namelijk ht mechanisme dat leidt tot de genese van allerhande normen en prescriptieve regels. Als dat niet meteen duidelijk is voor twee individuen, bedenk dan eens wat er gebeurt in samenlevingen met tien individuen, of honderd, duizend, een miljoen,... of zes miljoen. Ieder individu in die samenleving is gespecialiseerd in een bepaalde niche van behoeftigheid waarin hij kan voorzien; allemaal zullen ze daar elk op zich gebruik van maken om voor zichzelf het grootste voordeel te verkrijgen en de anderen zoveel mogelijk te verplichten om met hen rekening te houden. Elk van hen zal dan ook aan de samenleving deelnemen door zijn of haar bijkomende voorwaarde(n) te stellen - denk namelijk aan de zonet aangestipte eigenschap van onderhandeling dat het het aantal bijkomende voorwaarden per definitie vermeerdert en nooit vermindert. Het resultaat is een hele mikmak van normatieve regels, die bepalen hoe iedereen zich in sociale betrekkingen met elkaar moet gedragen.

 

Uiteindelijk is net dat het hele idee achter de civilisatietheorie van Norbert Elias. Ook Elias zag in de retributieve praktijken van gespecialiseerde individuen de oorzaak ('als door een onzichtbare hand geleid', om aan die andere notie van Adam Smith te appelleren) voor het ontstaan van allerhande regels voor de 'beschaafde omgang' - en in het geval van Elias mogen dat echt wel 'etiquetteregels' genoemd worden. Elias' theorie over 'civilisering' is dan ook in elk opzicht een theorie over regulering.

15 reacties (recentste erst)
stijfvreter 8 juli 2011, 17:44
@Georges:

Mijn stelling is inderdaad dat er in Vlaanderen een groeiende tendens is om niet langer aan de standaardtaal te conformeren. En verder betekent dat inderdaad dat je er sociaal mee kunt scoren: de reden is net dezelfde als waarom mannetjespauwen zo'n grote staart hebben, of (dichter bij ons) waarom rijken zoveel geld uitgeven aan dure gadgets: het etaleert net die rijkdom en hun status!

Dat laatste is zelfs de stelling van het eerste werk, waarin de link tussen Mer... evolutiebiologie en economie werd gelegd om er de 'spilzucht' en overconsumptie van de Amerikaanse Upper Class mee te verklaren: The Theory of the Leisure Class van Thorstein Veblen uit 1899 (dus, lng vr Richard Dawkins of Robert Axelrod).

Natuurlijk impliceert dat dat die rijken eerst genoeg welstand vergaard moeten hebben opdat ze zich die 'relaxte' levensstijl kunnen permitteren (dat onderstreept Veblen dan ook). Voor het taalgebruik in Vlaanderen houdt dat in dat de levensstandaard en het welvaartspeil hoog genoeg moeten zijn, opdat de Vlamingen hun taal kunnen dereguleren. De vraag is dus inderdaad, zoals je het zelf formuleert: wat verklaart wat. Maar me dunkt dat ik het altijd al zo beschreven heb.
Georges Grootjans 8 juli 2011, 10:13
Tit-for-tat was een topper in 1984, Carl Lewis ook. We zijn ondertussen enkele decennia verder. (Tit-for-tat heeft destijds wel mooi aangetoond dat christelijke waarden zoals vergevingsgezindheid niet per se nadelig zijn in een wereld waar 'fitness' belangrijk is.)
Ik heb het al eerder gezegd: die reductionistische bottom-up modellen zijn achterhaald. De mierenkolonie is niet simpelweg de resultante van het gesommeerd individueel mierengedrag.
Nu ben ik benieuwd hoe ge de (relatief) Mer... recente taalevolutie in Vlaanderen gaat verklaren: Er is een stijgende tendens naar het niet conformeren aan het SN. Volgens de speltheorie zou dit betekenen dat er een voldoende kritische massa individuen zou zijn die daar voldoende succes - wat dat ook betekent - mee zouden scoren. Uw beeldspraak gebruikend zoudt ge kunnen zeggen dat het voedsel van de mieren van NL naar VL verlegd is? (Zie ter illustratie die heisa rond boek Jeroen Meus). De vraag is wat brengt wat op gang. Als er nu eens andere mechanismen zijn die taalverschuivingen in beweging zetten?
Ik wil uw theorie uitdagen met een boutade:
Zolang wij hier witloof (liefst in hespenrolletjes) eten, lintbebouwing hebben en in een gematigd zeeklimaat wonen 'kunnen' (het is niet van willen) wij geen Chinees klappen.
(Ik verwacht wel een heleboel Chinese woorden. Wie kent er al eentje?)
stijfvreter 8 juli 2011, 00:13
@Georges:
Ja, speltheorie: je hebt 'm gevat! Daar is het me inderdaad uiteindelijk allemaal om te doen! Je beschouwt jezelf niet als een kenner, maar me dunkt dat je allemaal behoorlijk goed snapt.

Nu, dat bewust intentionele streven naar voordeel is nog iets dat bijgesteld moet worden, toegegeven; dat wil ik in het hierna volgende bericht dan ook doen.

ECHTER,... het zijn net de huidige speltheoretische modellen die daarin uitweg bieden (wat raar dat jij dan ook Mer... het kind met het badwater wilt weggooien)!
In de klassieke economie wordt er namelijk inderdaad axiomatisch uitgegaan van de 'rationeel calculerende actor', maar het geniale aan speltheorie is dat het eveneens van toepassing is op volstrekt mechanisch werkende robotjes (die alleen maar een algoritme uitvoeren). Dan heb ik het zelfs niet eens zozeer over de EVOLUTIEBIOLOGIE (sinds John Maynard Smith), waar eencellige organismen, bijvoorbeeld, natuurlijk geen bewuste geest hebben. Een van de mijlpalen in de geschiedenis van de speltheorie was namelijk net het computertornooi dat Robert Axelrod begin jaren '80 heeft georganiseerd tussen wederzijds 'beconcurrende' AUTOMATA (en dat hij in 1984 heeft beschreven in zijn boek The Evolution of Cooperation - dat is dus het boek dat van 'tit-for-tat' een virtuele wereldster heeft gemaakt). Waar het in deze 'artificile' contexten om draait, is dat de individuele 'spelers' helemaal geen intentionaliteit en/of bewuste wil HOEVEN te hebben: die spelers kunnen zo 'mechanisch' als een wandklok zijn; het is de OMGEVING die bepaalt wat/wie wel en niet succes heeft!!!
Denk aan de mier die geprogrammeerd is om op zoek te gaan naar voedsel; welnu, als het toevallig nu eenmaal zo is dat er een grote voedselbron aan de linkerkant van de mier gelegen is, dan zal de mier die geprogrammeerd is om naar rechts uit te zwenken geen succes kennen, terwijl de mier die geprogrammeerd is om naar links uit zwenken wel.
Het punt is nu: ook DAAR gaat speltheorie over! Toegepast op taal betekent dat dat er inderdaad niemand normen poneert in ruil voor voedselvoorzieningen, maar wel dat diegene die de dispositie heeft (en nogmaals, dat hoeft dus niet bewust te zijn; hij kan gewoon een onnadenkende conformist zijn) om zich aan de heersende normen te houden, meer kans heeft op slagen in de samenleving.

(en daaruit volgt dan omgekeerd dat wie dat net doet - en tussentaal spreekt - over andere middelen met beschikken die zijn succes verzekeren)
Georges Grootjans 7 juli 2011, 22:44
@Stijfvreter: Ik ben dan ook geen kenner. Maar ik zou het toch niet aanraden om een taalsysteem te gaan verklaren met marktmechanismen. Het is niet omdat er op beide systemen begrippen van de speltheorie van toepassing zijn dat er een isomorfisme tussen deze twee bestaat. Het is dus uit den boze om de wetmatigheden van het ene systeem op het andere over te hevelen. En liefst de terminologie ook niet. Voor mij zijn taalconsument, taalklant, taalmarkt, taal 'vraag&aanbod', ... letterlijk en Mer... figuurlijk misplaatste begrippen. (Die benadering is bijna een ziekte aan het worden, iedereen is overal klant: bij de dokter, bij de vrt, zelfs bij de belastingen. Kinderen zijn bijna klant bij hun ouders. Of waarom zijn we geen klant van onze eigen hersenen?)
Nog andere kritiek? Ja. Dat een individu enkel tot eer en glorie van zichzelf zou handelen. Een spin die paart en zich vervolgens laat opvreten doet dat niet uit individueel zelfprofijt. Een mens (die figuurlijk hetzelfde doet ;)ook niet. Ge moogt u dan ook de vraag stellen of uw genen dan wel voor u werken of eerder voor de soort.
Verder is er heel wat taal voorgeprogrammeerd. Dit deel ontsnapt op korte termijn aan de adaptatie.
En, misschien mijn grootste kritiek, ge moogt taal niet isoleren. Taal is ingebed in een context, een wereld, een cultuur, ... Als ge brood voor taal(regels) wilt verhandelen, verhandelt ge niet alleen die taal, maar de hele context. Niet dat dat niet kan, in tegendeel, we doen niet anders. Cool hebben we gratis bij het flesje cola gekregen. (En met dat ik dit schrijf denk ik ineens aan die film The Gods must be crazy. Die kliktaal van de Bosjesmannen, klinkt dat niet zoals een flesje cola dat opengetrokken wordt?)
stijfvreter 7 juli 2011, 12:46
@Doed: percies!
Doederik 7 juli 2011, 12:42
Ah, in den tijd die kik nodig had om u der op te wijzen hadde het zelf ook al gezien percies.
stijfvreter 7 juli 2011, 11:22
Ah, there can only be one, indeed!

@Krommenaas:
Vader, Uw wil geschiede!
Krommenaas 7 juli 2011, 11:13
drie weesgegroetsjes en enen onze vader gast. en dan komd'er licht vanaf ze :)
stijfvreter 7 juli 2011, 11:12
@Doed:
Kweeget, kword hier op een fout gewezen, en dan nog had ik 'm niet door...
Doederik 7 juli 2011, 11:01
@Steve: hij bedoelde natuurlijk dat het 'jouW' moest zijn ;)
stijfvreter 7 juli 2011, 10:56
Maar aan de andere kant: klopt, 't is een taalfout!
stijfvreter 7 juli 2011, 10:53
@Krommenaas:
Ja, die kon ik niet laten liggen!
Ook ben ik nogal onbescheiden trots op 'de harmonietheorie die toekomstmuziek blijft'.
Krommenaas 7 juli 2011, 10:49
"ik dek jou rug" ts ts :)
stijfvreter 7 juli 2011, 10:42
Vreemd, ik dacht dat het voor de kenners wel duidelijk zou zijn dat ik stilaan naar zo'n complex netwerk toe aan het werken was. Maar ik geef toe, alles was wellicht helderder geweest als ik die harmonietheorie verder uitgewerkt had.

De term "taalklant" heb ik inderdaad nog niet gebruikt, maar die van "taalconsument" wel. Dat is ook logisch want een markt ("taalmarkt" is trouwens nog zo'n term, en van Bourdieu nog wel) laat zich net vergelijken met een complex systeem.
Georges Grootjans 7 juli 2011, 09:21
Met permissie, maar het is dit soort deterministische systeemdenken uit vorige eeuw dat tot Bush-shit geleid heeft. Ge hebt het woord 'taalklant' nog juist niet gebruikt. Het individu als deeltje en de gemeenschap als resulterende vectorsom van de deeltjes. Wel, in de fundamentele fysica is men er intussen al bijna een eeuw achter dat dit deterministische model niet opgaat. Zeker niet voor systemen met voldoende complexiteit. Dus zeker niet toepasbaar op comlexe adaptieve systemen, en bijgevolg niet op taal. Natuurlijk is er selectiedruk op taal (selectie is inherent aan complexe adaptieve systemen), maar ge kunt en moogt daar geen reductionisme op toepassen. Bah.
Reageren