Algemeen Vlaams

Deze site is nog in vollen opbouw. Den boomstructuur hieronder word geleidelijk uitgebouwd op basis van onze discussies in de forums - komd gerust meediscussiŽren!
I. Beschouwingen
II. Spelling en uitspraak
III. Grammatica
IV. Woordenschat
V. Teksten
Uit: den blog van stijfvreter

Nogmaals taalnatuurlijkheid, of toch net niet

stijfvreter | Zaterdag 12 maart 2011

We zullen nog een laatste keer terugkomen op de zogenaamde natuurlijkheid van dialecten en/of het inherent artificiŽle van standaardisering: dat is dan het derde bericht, en zo kunnen we het onderwerp als een trilogie afsluiten. De invalshoek die we hier zullen kiezen is die van wetenschappelijke hypothese: de theorie van wat we maar de 'taalnatuurlijkheid' zullen noemen beweert dan dat endogene elementen intrinsiek spontaan zijn en dat sprekers een automatische neiging zullen vertonen om ze te gebruiken, en dat exogene of opgelegde elementen per definitie gevoelens van weerstand zullen oproepen.

 

Het is een vaak geuite gedachte, vooral in populaire discussies (op al even populaire fora), en het valt gemakkelijk in te zien dat ze pertinent onwaar is. Op de website 'Red het Belgisch Nederlands' wordt nu bijvoorbeeld al berichtenlang de teloorgang aangekaart van aloude Vlaamse worden zoals "plezant", "goesting", "kleed" etc. Vandaag de dag gebruiken we in toenemende mate en ongestoord "leuk", "zin", "jurk" e.d. Als de hypothese van de taalnatuurlijkheid waar was, dan zou dat natuurlijk niet kunnen: we zouden een spontane neiging moeten voelen om de woorden uit het laatste rijtje te weren, en in plaats daarvan terug te grijpen naar de woorden uit het eerste rijtje. De realiteit is echter dat woorden zoals "leuk", "zin", "jurk" volstrekt geen problemen (meer) oproepen, en dat is het net wat de bezorgdheid van de Belnedblogger (d.i. de beheerder van 'Red het Belgisch Nederlands') wekt: we (of toch steeds meer Vlamingen) voelen helemaal geen tegenstand of zelfs maar onwennigheid om ze te gebruiken. Integendeel, voor de meeste Vlamingen klinken ze steeds vlotter.

 

Of neem de discussies over het woordgenus, die ook op deze site al over veel berichten uitgesmeerd zijn. Is het niet vreemd dŠt er gewoon nog maar over woordgeslachten gediscussieerd wordt? Ooit was het namelijk zo klaar als een klontje wat het genus is van woorden zoals "helft", "abces" en "leugen", maar blijkbaar zijn daarin ongemerkt verschuivingen opgetreden die we, sterker nog, vandaag volstrekt normaal vinden. Naar het zich laat aanzien is er toch niet zoiets als een 'intrinsiek geslacht' dat woorden hebben, en waar wij dan altijd naartoe zouden neigen.

 

Nu betreffen deze voorbeelden allemaal lexicale aspecten, en er is in de taalwetenschap een hele school die beweert dat het lexicon maar een perifeer deel is van de taal. De kern van de taal, zo luidt de theorie, is de grammatica: syntaxis en morfologie, daar draait het om. Nu valt er op die theorie nogal wat af te dingen (zo zijn lexicon en grammatica namelijk niet zo scherp van elkaar te scheiden, zoals bijvoorbeeld blijkt uit vaste verbindingen, zegswijzen, uitdrukkingen, enz.), maar hoe dan ook maakt het eigenlijk niet veel uit: zelfs als we dat uitgangspunt for the sake of the argument nu maar even aannemen, dan verandert dat weinig aan onze discussie over de artificieelheid van standaardisering. Er zijn namelijk tal van grammaticale voorbeelden te geven waarvan de hedendaagse standaardvariant ons helemaal niet als onnatuurlijk voorkomt. Neem bijvoorbeeld de aanvoegende wijs, de Nederlandse pendant van de Latijnse conjunctief. In het Oud- en Middelnederlands was dat de geijkte manier om een wens enzomeer uit te drukken met een compleet systeem voor alle zes personen (1-ste, 2-de en 3-de, in zowel enkelvoud als meervoud), in volmaakte concurrentie met de indicatief. Vandaag leeft het alleen nog voort in vaste uitdrukkingen zoals "leve de koning" en/of "het ga u goed", maar er is niemand die vindt dat de Nederlandse grammatica nu 'lege plekken' vertoont. De morfologie bevat daarbij misschien nog wel het meest illustere voorbeeld van teloorgegane elementen die eigenlijk door niemand gemist worden: de naamvallen. Het Middelnederlands had een volledig systeem van uitgangen voor 4 verschillende naamvallen: de nominatief, genitief, datief, en accusatief, en dat voor zowel een 'sterke' als een 'zwakke' klasse van substantieven. Is er echter iemand die het tegen de borst stuit dat die vormen er vandaag niet meer zijn? Vindt er iemand dat dit een natuurlijkere toestand van het Nederlands zou representeren?

 

Integendeel, we kennen allemaal www.vlaamsetaal.info waar dit soort ideeŽn aangehangen worden, wat bij Krommenaas ooit de bewering heeft ontlokt: "diej mens is persies al een paar eeuwen ni meer buiten geweest".

 

Dus: neen, niemand voelt die oudere vormen, die soms nog lokaal bewaard gebleven zijn, als 'authentieker' aan, en niemand percipieert de huidige, meer geŁniformiseerde toestand (die er grotendeels door de standaardisering gekomen is) als op ťťn of andere manier onnatuurlijk en weerstandwekkend. Eerder lijkt het zo te zijn, en daar zouden de hierboven gegeven voorbeelden het bewijs van hebben moeten leveren, dat die perceptie van natuurlijkheid gewoon het product is van gewenning: we beschouwen een bepaald element als natuurlijk dan wel artificieel naarmate we er (respectievelijk) meer of minder aan blootgesteld zijn, en doorslaggevend is daarbij de primaire socialisatie tijdens de kinderjaren. Natuurlijkheid en/of artificieelheid zijn zo zelf het gevolg van wat in de sprekersgemeenschap de facto habitueel gangbaar is.

 

Alleen, daarmee wordt de theorie van de taalnatuurlijkheid volslagen circulair: als het natuurlijke dan wel artificiŽle statuut van bepaalde taalelementen afhangt van hun verankering in het habituele taalgebruik, dan kun je die natuurlijkheid of artificieelheid natuurlijk niet inroepen als verklaring waarom een sprekersgemeenschap die elementen habitueel wel of niet gebruikt. Veel accurater is het om te beweren dat sprekers in een bepaald habitueel patroon gesocialiseerd zijn, en dat die socialisatie tegelijk hun perceptie van natuurlijkheid en artificieelheid verklaart.

 

We alluderen daarmee op de centrale notie van Saussure: alles aan taal is door en door conventioneel. Het maakt ook duidelijk wat het pijnpunt is waar de theorie van de taalnatuurlijkheid aan lijdt: die theorie is een vorm van essentialisme. Het doet het voorkomen alsof er in taal een onvervreemdbare, 'innerlijke vorm' van spreken is, die onveranderlijk is en onaantastbaar. Het is de voorstelling die bepaalde mystici hebben over de taal van het Aards Paradijs, waarin de woorden (nog) de 'ware aard' van de dingen uitdrukken (wat dat dan ook moge betekenen), maar die sinds de spraakverwarring van Babel in verbasteringen verloren geraakt is. Het is de reden waarom de school van de Kabbala al sinds de vroege Middeleeuwen zichzelf verliest in allerhande typografische praktijken zoals het van achter naar voren en/of van onder naar boven plaatsen van de letters uit de Thoraboeken, het vervangen ervan door cijfers om daar rekenkundige bewerkingen op te doen en de uitkomst daarvan opnieuw om te zetten in woorden, de beginletter van elk woord combineren tot nieuwe woorden, of gewoon letters cryptografisch vervangen door andere letters, en dat allemaal in ťťn titaanse poging om het Ware Woord van God te achterhalen.

 

Het is volstrekte illusie: in taal zijn er geen natuurlijke essenties maar enkel gehabitualiseerde conventies. Nu internaliseren we die conventies weliswaar, waardoor sommige praktijken inderdaad min of meer 'natuurlijk' en vanzelfsprekend kunnen lijken, maar dat komt alleen maar omdat we ons niet (meer) bewust zijn van onze socialisering.

 

Tegelijk wijst dat echter op twee belangrijke implicaties, een ethische en een wetenschappelijke. Ten eerste betekent natuurlijkheid als effect van gewenning dat het handen uit de mouwen is voor wie ijvert voor het behoud van endogene Vlaamse elementen: de massale verspreiding van het Standaardnederlands in de media e.d. als middel voor officiŽle communicatie en de blootstelling van zoveel sprekers daaraan maakt dat die sprekers die situatie op den duur automatisch normaal zullen beginnen vinden. In het huidige Vlaamse taalklimaat is de dominantie van de standaardtaal met andere woorden onvermijdelijk. Ruud Hendrickx heeft dan ook gelijk als hij zijn taalbeleid verdedigt om net dezelfde reden als waarom de Belnedblogger het aan de kaak stelt: onder deze omstandigheden gaan we de varianten van de standaardtaal van langsom meer overnemen. Het betekent wel een wake-up call voor wie minzame bezorgdheid koestert voor de dialecten en hun varianten: naar het zich laat aanzien blijven er steeds minder uitwegen over dan om vroeg of laat over te gaan tot politieke actie.

 

De wetenschappelijke implicatie is ten tweede dat we nu op zoek moeten naar meer gefundeerde verklaringsfactoren om de verbreiding van informalisering en het Verkavelingsvlaams te kaderen dan een simplistisch en circulair beroep op 'natuurlijkheid' - en dat is het waar het dit bericht om te doen is geweest. We hebben gezien dat de natuurlijkheid die sprekers bij taalvarianten voelen er het gevolg van is hoe gangbaar de variant is in het habituele taalgebruik. Het komt er dan ook op aan om de factoren te achterhalen die bepalen hoe ruim of beperkt verspreid een variant Łberhaupt geraakt: wat maakt dat de ene variant in het algemeen publieke verkeer gangbaar wordt, terwijl de andere variant geÔsoleerd blijft tot lokale situaties?

 

Het antwoord op die vraag is een in de sociologie klassiek principe: het hangt allemaal van de mobiliteit van de sprekers af welke varianten het ruimst verspreid geraken en welke beperkt blijven tot de lokale en/of uitzonderlijke omgang. Het zijn namelijk de mobiele sprekers die het sterkst de publieke sfeer in de samenleving "penetreren", en zo de communicatieve omgang "inpalmen" met hun endogene varianten. Voor alle andere sprekers betekent dat ofwel dat ze zich zullen moeten aanpassen aan de gevestigde varianten, ofwel dat ze andere en/of nieuwe middelen dienen te vinden om zich in de samenleving "te laten gelden". Vooral die verwijzing naar 'middelen' maakt duidelijk dat het ultieme mechanisme achter de reikwijdte van taalverspreiding uiteindelijk dat van macht is - en daarmee sluiten we aan bij wat de algemene lijn van deze blog is geweest sinds de aller-vroegste berichten (oef, is me dat eindelijk een opluchting, zeg!): het zijn de sprekers met de meeste middelen - en die zijn van socio-economische aard - die zich het sterkst in de samenleving kunnen "doorzetten" en daarmee de sociale omgang naar hun hand zetten. In die zin ďciviliserenĒ zij de omgangsvormen, zoals het in de terminologie van Norbert Elias heet. Het komt er dan ook op aan om de distributie van de socio-economische middelen en de verschuivingen daarin te achterhalen die samenhangen met het variatiespectrum in het hedendaagse Belgische Nederlands. Als we dat gedaan hebben, dan hebben we er werkelijk een verklaring voor gevonden waarom het Vlaamse taallandschap eruit ziet zoals het er nu eenmaal uit ziet.

 

Zo, daarmee is dan de laatste argumentatieve hindernis uit de weg geruimd en is het nu linea recta naar de finale!

2 reacties
stijfvreter 13 maart 2011, 18:32
Vind ik ook! Alleen, vergelijk het eens met jouw bewering uit het Taalcharter (die ik in mijn vijfde bericht op deze blog, op 18 oktober 2008, geciteerd heb):

"In Vlaanderen wordt de standaardtaal immers niet of nauwelijks gedragen door een 'spraakmakende gemeente'. In onze buurlanden wordt die mede gevormd door politici, bedrijfsleiders en academici, maar in Vlaanderen kan hun taal bezwaarlijk een voorbeeld worden genoemd."

Aan de andere kant heb je eens gezegd dat het Taalcharter aan revisie toe is. Dat vind ik dan ook weer, en zeker wat deze passage betreft.

Je andere reactie op het nieuwsbericht beantwoord ik ook nog, alleen heb ik voor morgen een les voor te bereiden.
Ruud Hendrickx 13 maart 2011, 15:32
Een perfecte beschrijving van "de spraakmakende gemeente" en "standaardisering".
Reageren