Algemeen Vlaams

Deze site is nog in vollen opbouw. Den boomstructuur hieronder word geleidelijk uitgebouwd op basis van onze discussies in de forums - komd gerust meediscussiëren!
I. Beschouwingen
II. Spelling en uitspraak
III. Grammatica
IV. Woordenschat
V. Teksten
Uit: den blog van stijfvreter

Citaten uit Freud (1930) 'Het onbehagen in de cultuur'

stijfvreter | Zondag 19 december 2010

Het werk waarin Freud voor de eerste keer zijn ideeën heeft uiteengezet over de negatieve impact van samenleven in een cultuur op de emotionele drifthuishouding bij elk individu is Het onbehagen in de cultuur uit 1930, en hier volgen enkele citaten daaruit (de gebruikte uitgave is de Nederlandse vertaling uit 1999 bij Uitgeverij Boom onder redactie van Wilfred Oranje):

 

"Het lijden dreigt van drie kanten: vanuit ons eigen lichaam, dat tot verval en ontbinding is voorbestemd en zelfs pijn en angst als waarschuwingssignalen niet kan missen; vanuit de buitenwereld, die met oppermachtige, meedogenloze, vernietigende krachten tegen ons tekeer kan gaan; en ten slotte vanuit onze betrekkingen met andere mensen. Het lijden dat uit deze laatste bron voortkomt ondergaan wij misschien met de meeste smart; wij zijn geneigd het als een in zekere zin nodeloze toegift te beschouwen, hoewel het waarschijnlijk even fataal en onafwendbaar is als het lijden uit andere bron.

Geen wonder als mensen onder de druk van deze mogelijkheden tot lijden hun aanspraken op geluk plegen te matigen, zoals immers ook het lustprincipe zelf onder invloed van de buitenwereld tot het bescheidener realiteitsprincipe werd omgevormd..." (p. 314)

 

"Onbeperkte bevrediging van alle behoeften dringt zich als de meest aanlokkelijke wijze van leven op de voorgrond, maar dat betekent het genot laten prevaleren boven de voorzichtigheid en dat straft zichzelf na korte tijd." (pp. 314-315)

 

"Kunnen wij niet alle lijden opheffen, dan toch wel een deel ervan, en ander lijden kunnen wij verzachten, zoals de ervaring van duizenden jaren ons heeft geleerd. Een andere houding nemen wij aan tegenover de derde, sociale bron van lijden. Deze willen wij in het geheel niet accepteren, wij kunnen niet inzien waarom de inrichtingen die wij zelf geschapen hebben ons allen niet veeleer weldadige bescherming bieden. En toch, als wij overwegen hoe slecht juist dit middel om lijden te voorkomen ons is gelukt, rijst de verdenking dat ook hier een onderdeel van de onoverwinnelijke natuur in het spel is - ditmaal onze eigen psychische gesteldheid.

Als wij ons met deze mogelijkheid gaan bezighouden, stuiten wij op een bewering die zo verbazingwekkend is dat wij erbij willen stilstaan. Ze luidt dat onze miserie voor een groot deel te wijten is aan wat wij onze cultuur noemen; wij zouden veel gelukkiger zijn als wij haar zouden opgeven en naar primitiever toestanden zouden terugkeren. Ik noem deze bewering verbazingwekkend omdat - hoe men het begrip cultuur ook wil definiëren - toch vaststaat dat alles waarmee wij ons tegen de bedreiging uit de bronnen pogen te beschermen, juist deel uitmaakt van diezelfde cultuur." (pp. 324-325)

 

"Het samenleven van mensen wordt pas mogelijk als zich een meerderheid aaneensluit die sterker is dan ieder individu, en deze eenheid tegenover ieder individu weet te bewaren. De macht van deze gemeenschap stelt zich nu als 'recht' tegenover de macht van het individu, die als 'bruut geweld' wordt veroordeeld. Deze vervanging van de macht van het individu door die van de gemeenschap is de beslissende culturele stap. De essentie ervan is dat de leden van de gemeenschap hun mogelijkheden tot bevrediging beperkingen opleggen, terwijl het individu zulke barrières niet kende." (p. 334)

 

"...[T]en slotte, en dat lijkt het allerbelangrijkste, kan men onmogelijk over het hoofd zien hoezeer de cultuur op driftverzaking is gebouwd, hoezeer ze juist het niet-bevredigen (onderdrukken, verdringen of nog iets anders?) van machtige driften als premisse heeft." (p. 336)

 

"Voor het overige stel ik mij dus op het standpunt dat de neiging tot agressie een oorspronkelijke, zelfstandige driftdispositie van de mens is, en herhaal mijn uitspraak dat de cultuur hier op haar grootste hindernis stuit. Ergens eerder in deze studie heeft het inzicht zich aan ons opgedrongen dat de cultuur een bijzonder proces is dat zich aan de mensheid voltrekt, en dit denkbeeld beheerst ons nog steeds. Wij voegen eraan toe dat dit proces in dienst staat van de Eros, die geïsoleerde menselijke individuen, later families, dan stammen, volken, naties tot een grote eenheid, de mensheid wil verenigen. Waarom dat moet, weten wij niet; dat is nu juist het werk van de Eros. Deze mensenmassa's moeten libidineus aan elkaar worden gekoppeld; alleen de dwang der omstandigheden, de voordelen van het werken in een gemeenschap zullen hen niet bij elkaar houden. Tegen dit program van de cultuur verzet zich echter de natuurlijke agressiedrift van de mensen, de vijandigheid vaan één tegen allen en allen tegen één. Deze agressiedrift is het derivaat en de voornaamste vertegenwoordiger van de doodsdrift, die wij naast de Eros hebben ontdekt en die met hem de heerschappij over de wereld deelt. En nu, dunkt mij, is de zin van de culturele ontwikkeling ons niet langer duister. Ze moet ons de strijd tonen tussen Eros en Dood, tussen levensdrift en destructiedrift, zoals die zich aan de menselijke soort voltrekt. Deze strijd is de wezenlijke inhoud van het leven als zodanig, en daarom kunnen wij de culturele ontwikkeling kortweg de strijd om het bestaan van de menselijke soort noemen." (p. 361)

 

"Van welke middelen bedient de cultuur zich om de haar weerstrevende agressie af te remmen, onschadelijk te maken, eventueel buiten werking te stellen? Enkele van deze middelen hebben wij reeds leren kennen, de vermoedelijk belangrijkste echter nog niet. Wij kunnen ze bestuderen aan de hand van de ontwikkelingsgeschiedenis van het individu. Wat gebeurt er met hem dat zijn agressielust onschadelijk maakt? Iets heel merkwaardigs, dat wij niet zouden hebben geraden en dat toch zo voor de hand ligt. Zijn agressie wordt geïntrojecteerd, verinnerlijkt, maar eigenlijk teruggestuurd naar haar plaats van oorsprong, dus tegen het eigen Ik gericht. Daar wordt ze overgenomen door een bestanddeel van het Ik, dat zich als Boven-Ik tegenover de rest stelt en nu als 'geweten' tegenover het Ik dezelfde strenge bereidheid tot agressie betracht die het Ik graag aan de andere, vreemde individuen bevredigd zou hebben. De spanning tussen het strenge Boven-Ik en het daaraan onderworpen Ik noemen wij het schuldgevoel; ze uit zich als behoefte aan straf. De cultuur bedwingt dus de gevaarlijke agressielust van het individu door het te verzwakken, te ontwapenen en te laten bewaken door een instantie in zijn innerlijk, als een veroverde stad door bezettingstroepen." (pp. 363-364)

 

"Zo zien wij dat het schuldgevoel een dubbele oorsprong heeft: de angst voor de autoriteit en later de angst voor het Boven-Ik. De eerste dwingt tot het afzien van driftbevredigingen, de tweede vraagt bovendien dringend om bestraffing, daar het voortbestaan van de verboden wensen het Boven-Ik niet verborgen kan blijven." (p. 367)

 

"De chronologische volgorde zou dus zijn: eerst driftverzaking uit angst voor agressie van de externe autoriteit - daarop komt de angst voor liefdeverlies immers neer, de liefde biedt bescherming tegen deze agressie die de straf is -, vervolgens vestiging van de interne autoriteit, driftverzaking uit angst daarvoor, gewetensangst. In het tweede geval gelijkstelling van slechte daad en slechte intentie, vandaar schuldbewustzijn, behoefte aan straf. De agressie van het geweten conserveert de agressie van de autoriteit." (p. 368)

 

"Mij dunkt dat wij nu eindelijk twee dingen in alle duidelijkheid begrijpen: het aandeel van de liefde in het ontstaan van het geweten en de noodlottige onvermijdelijkheid van het schuldgevoel. De vraag is werkelijk niet beslissend of men de vader heeft gedood dan wel zich van die daad heeft onthouden; in beide gevallen moet men zichzelf schuldig achten, want het schuldgevoel is de uitdrukking van het ambivalentieconflict, van de eeuwige strijd tussen Eros en destructie- of doodsdrift. Dit conflict laait op zodra de mensen voor de taak gesteld worden met elkaar in gemeenschap te leven; zolang deze gemeenschap slechts de vorm van het gezin kent, moet het conflict in het Oedipus-complex tot uitdrukking komen, het geweten installeren, het eerste schuldgevoel scheppen. Wanneer uitbreiding van deze gemeenschap wordt beproefd, wordt ditzelfde conflict voortgezet in vormen die een produkt van het verleden zijn, het wordt verhevigd en leidt tot een verdere groei van het schuldgevoel. Daar de cultuur aan een immanente erotische aandrift gehoorzaamt die haar gebiedt de mensen tot een innig verbonden massa te verenigen, kan ze dit doel alleen bereiken door het schuldgevoel voortdurend te versterken. Wat tegen de vader werd begonnen, wordt voltooid tegen de massa. Indien de cultuur de noodzakelijke ontwikkelingsgang van gezin naar mensheid is, dan is onlosmakelijk daarmee verbonden de vergroting - ten gevolge van het aangeboden ambivalentieconflict, van de eeuwige twist tussen liefde en streven naar de dood - van het schuldgevoel, tot een omvang wellicht die voor het individu moeilijk te verdragen is." (pp. 372-373)

 

Freuds 'Het onbehagen in de cultuur' is zo belangrijk omdat zijn beweringen erin de inspiratiebron hebben gevormd voor nogal wat sociale analyse. Dat is niet het minst het geval voor de marxisten van de 'Frankfurter Schule', van wie Herbert Marcuse in dit opzicht misschien wel de meest relevante naam is: zijn boeken Eros en civilisatie (1955) en De ééndimensionale mens (1964) werden tijdens het studentenoproer in de late jaren '60 namelijk stukgelezen, en menig academicus is er dan ook door beïnvloed. Een ander paradigma waarin de sociologische implicaties van Freuds model uitgewerkt werden is de Civilisatietheorie van Norbert Elias (en die werd dan weer in Tussen spreek- en standaardtaal aangehaald - spijtig genoeg).

Reageren