Waarom stoom aflaten afloopt met een sisser
Dit zal sommige romantici teleurstellen: op zich is er helemaal niets 'tegennatuurlijks' om zich de normen van de standaardtaal eigen te maken, net zoals er omgekeerd niets diepmenselijks aan de dialecten is dat daardoor verloren dreigt te gaan.
Dat verdient enige extra aandacht omdat het in de vorige berichten steeds over constitutieve versus regulatieve regels is gegaan die gelinkt zijn aan respectievelijk de primaire en de secundaire socialisatie. Daaruit zou nu de indruk kunnen rijzen dat het hier uiteindelijk om niet veel anders draait dan een simpele variant op Freuds psychoanalytische model van de interiorisering van de Wet - als Jood was Freud geïnspireerd door de Mozaïsche Traditie en heeft daar ook een boek over geschreven: De man Mozes en de monotheïstische religie (1939) - om onze impulsieve driften te beteugelen. Volgens Freud moeten we dat doen om sociabele wezens te worden, maar diep vanbinnen blijft elk van ons zo een drukketel onder stoom die constant op springen staat (en dan komt het beest in ons naar boven), en eigenlijk zouden we dat, als we heel eerlijk zijn, zo nu en dan ook best wel willen doen. De Wet is voor Freud met andere woorden een noodzakelijk kwaad: het liefst van al deden we het zonder, en dan zouden we een paradijselijke gelukzaligheid ervaren, maar hier in het hedendaagse aardse tranendal kunnen we er nu eenmaal niet buiten.
De vermelding van het Gevangenedilemma in het vorige bericht is net bedoeld om aan te geven dat dit beeld schromelijk overdreven is. Normen en regels staan namelijk níet per se haaks op onze 'menselijke natuur', wat Rousseau, die achttiende-eeuwse voorloper van Freud, daar ook over moge beweren: soms kan het ook zo zijn dat we zelf regels willen. Het is net de politieke filosoof Thomas Hobbes die daar in zijn boek Leviathan (1651) 250 jaar vóór Freud op gewezen heeft. In een toestand waar er niets zeker is en waar je veiligheid op het spel staat kan het op zijn minst 'handig' zijn - en dat is nog zacht uitgedrukt - als er een stel normen is die zeggen hoe het één en ander moet verlopen. Hobbes ging uit van een bestaan dat - om zijn eigen beeldrijke taal nog maar eens te citeren - "lonely, poor, nasty, brutish, and short" is, waarin iedereen potentieel een wolf voor de anderen is (en vice versa), en daaruit leidde hij af dat het alleen maar 'nuttig' is als het gereguleerd is wat iedereen hoort te doen. De illustratie hiervan - voor de tigste keer - is het in de sociologie klassieke voorbeeld van de manier waarop coördinatieve en/of coöperatieve actie ontstaat, met name het probleem van voedselverdeling: stel, dat we met enkele individuen in een groep samenleven, en dat er ergens een voedselbron opgedoken wordt. Onze eerste reflex zou zijn om zo snel mogelijk een zo groot mogelijk deel van die voedselbron te bemachtigen met als gevolg dat dit onder de individuen uitloopt op een huizenhoog conflict: degenen die er namelijk het eerst bij aankomen, zouden bijvoorbeeld een onevenredig groot deel kunnen inpalmen en eventueel zelfs de hele voedselbron monopoliseren, zodat degenen die later zijn zich opeens voor het voldongen feit geplaatst zien dat ze van die eersten totaal afhankelijk zijn (en het risico lopen om uitgebuit te worden). Omdat van die laatsten verwacht mag worden dat ze zich daar niet zomaar bij zullen neerleggen, zal er bijgevolg een heuse beroering ontstaan over wie nu recht heeft op welk deel, en uiteindelijk is iedereen misschien meer bezig om ruzie te maken dan zich daadwerkelijk van de voedselbron te bedienen. Chaos alom, en in die situatie kan een prescriptieve regel, die zegt hoe we ons allemaal moeten gedragen, de welkome oplossing zijn, en over het algemeen zullen we er daarom ook geen wezenlijke meerwaarde in zien om die regel te doorbreken. Dat zou de anderen alleen maar aanzetten om net hetzelfde te doen, en zo zouden we gewoon terug belanden in de situatie die we precies wilden voorkomen. De regel is kortom in ons eigenbelang, dus vormt de naleving ervan niet echt probleem.
Tegelijk maakt dit ook duidelijk wat op de keper beschouwd het criterium is waarom we (regulatieve) regels navolgen:
We houden ons aan een regel als dat in ons voordeel is.
Met de regels van de standaardtaal is het net zo gesteld: ook m.b.t. taalnormen kunnen we ernaar streven om ze over te nemen als ons dat iets oplevert. Om dat te begrijpen, moeten we bedenken dat het dialectrijke Vlaanderen tot aan de Tweede Wereldoorlog een in hoofdzaak achtergestelde, weinig ontwikkelde, grotendeels agrarische regio was - met in Oost-Vlaanderen en in Limburg een beetje industrie, maar ook daar behoorden de Vlamingen veeleer tot de arbeidersklasse dan het patronaat. De Vlaming leefde - om een notie uit een heel oud bericht op deze blog opnieuw te gebruiken - in een Gemeinschaft van dorpelingen onder de plaatselijke kerktoren. In die omstandigheden is het niet zo verwonderlijk dat er een roep om een standaardtaal komt, die dan ook massaal te horen viel: dat is namelijk een symbool van prestige, zeker als in de omringende landen met een geëmancipeerde burgerij (die zich uitdrukt in de standaardtaal) alle politiek indringende beslissingen genomen worden die de geschiedenis van Europa tijdens de negentiende en twintigste eeuw zo doortastend vorm hebben gegeven. Nu kan je Vlaanderen weliswaar romantiseren als een schatkamer van lokale cultuur, waar alles nog eenvoudig is gebleven, maar als dat betekent dat je de gebeurtenissen op hoog niveau alleen maar passief moet ondergaan, dan is dat op de keper beschouwd maar een schrale troost (vooral aangezien België en Vlaanderen van Napoleon vs. de Duke of Wellington tot Nazi-Duitsland vs. de Geallieerden nogal vaak het slagveld is geweest van de politieke conflicten die tussen de Europese mogendheden bedisseld werden). Daarom is het perfect begrijpelijk dat de Vlamingen op een bepaald moment een standaardtaal over zijn beginnen te nemen: dat werd namelijk helemaal niet als verdrukkend, maar integendeel als juist bevrijdend beschouwd.
Hoe gek in wezen de redenering is om een standaardtaal als intrinsiek 'volksvreemd' te zien wordt duidelijk als we de vergelijking maken met de hedendaagse globaliserende (of 'mondialiserende', hoewel in Vlaanderen het eerste woord volkomen geaccepteerd is) samenleving. Wat vroeger de standaardtaal was voor gebruik in de publieke sfeer - de Gesellschaft - komt vandaag de dag in onze mondiaal éénwordende wereld overeen met het Engels (toch in onze Westerse landen). Analoog nemen de huidige nationale standaardtalen zoals het Standaardfrans, StandaardDuits, StandaardNederlands, enz. op mondiaal niveau variationeel dezelfde positie in als vanouds de dialecten. Toch hoor je niemand tegen het Wereldengels fulmineren als zou het enkel maar een artificiële, steriele variëteit zijn die louter de distinctiestrijd dient van een elitaire kaste, en verder iedereen maar belemmert om zijn ware gevoelens en identiteit uit te drukken. Niemand stipuleert de eis om de andere talen dan het Engels tot gelijke status als die van het Engels te eleveren, zodat uit respect voor ieders eigenheid bijvoorbeeld voortaan alle communicatie maar simultaan in alle talen moet gebeuren (waardoor vertaler/tolk plots het belangrijkste beroep ter wereld zou worden). Integendeel, het is net erg praktisch dat er voor internationale informatie-uitwisseling een enkelvoudige, uniforme taal bestaat waarin al het belangrijke gecommuniceerd kan worden; en 'praktisch' is hier trouwens wel het geijkte woord, omdat het blootlegt dat eentaligheid en/of standaardtaligheid in de eerste plaats vooral een nuchtere handigheid is. De meesten van ons beschouwen het Engels dan ook als een onmiskenbare aanwinst naast de beheersing van onze moederta(a)l(en), en niemand maalt erom om de positie van het Engels ter discussie te stellen.
Dat verdrukkende, beklemmende karakter is dus geen inherente eigenschap van standaardtalen en/of normen, zoals in de Freudiaanse interpretatie, maar het ziet er eerder naar uit dat die gevoelsassociatie het gevolg is van de concrete socio-historische omstandigheden waarin mensen moeten leven. Het gaat, om het in één woord samen te vatten, om de marktwaarde van een taalvariëteit die bepaalt hoe individuen zich ertoe verhouden: is die hoog, dan is de evaluatieve beoordeling bij de sprekers positief; is die daarentegen laag, dan is de beoordeling negatief, en dat vertaalt zich dan in gevoelens van resistentie. De attitude tegenover standaardtalen is echter nooit noodzakelijk negatief, en ze zal postief zijn als er iets met de standaardtaal te winnen valt. Omgekeerd betekent dat evenwel dat de attitude negatief zal zijn, als de standaardtaal uiteindelijk geen wezenlijke winst (meer) boekt - en laat dat nu de verklaring zijn (voor wie er nog steeds in geïnteresseerd is) van de opkomst van het Verkavelingsvlaams.


Anderzijds moet het voor de volledigheid toch gezegd dat men vandaag de dag soms ook tegen de 'imperialistische' positie van het Engels ageert. Dat verklaart bijvoorbeeld recent nog die hele hetze rond het invoeren van het Engels als onderwijstaal. En dan is er nog Frankrijk, waar er altijd al een puristische strekking is geweest.
Maar waar het me om draait is waarom men van het Esperanto vindt dat het een Meêr... kunstmatige, geforceerde taal is. Is dat omdat er iets 'inherent onnatuurlijks' aan is, of is het net om de - circulaire - reden dat men die taal nooit is beginnen te gebruiken?
Persoonlijk geloof ik niet zo in 'natuurlijke' tendenzen: dat doet het namelijk uitschijnen dat je als wetenschapper niet op zoek moet naar een degelijke verklaring.
Toch moet ik toegeven dat het voor het Esperanto ietwat moeilijker ligt, maar dat ligt er natuurlijk aan dat het een volledig ONTWORPEN taal is, in tegenstelling tot het Standaardnederlands dat nog altijd een natuurlijke taal is. In hoeverre zo'n geconstrueerde taal überhaupt wel alle menselijke ervaringen en gevoelens onder woorden kan brengen is nu nog steeds een heikel discussiepunt.
Het gaat dan ook maar ten dele op om het Standaardnederlands in Vlaanderen te vergelijken met wat het Esperanto voor Europa is geweest. Bij het Standaardnederlands blijft de vraag of we die variëteit niet gebruiken omdat ze artificieel is, dan wel (omgekeerd) of ze als artificieel percipiëren omdat we ze nooit zijn beginnen te gebruiken.
Da's wel precies hetgeen gezegd word over het esperanto, da' de pretentie had een wereldtaal te zijn. Ge zou kunnen zeggen dad AN in Vlaanderen de rol vervuld diên esperanto op wereldvlak, of toch op Europees vlak, wou vervullen.