Algemeen Vlaams

Deze site is nog in vollen opbouw. Den boomstructuur hieronder word geleidelijk uitgebouwd op basis van onze discussies in de forums - komd gerust meediscussiëren!
I. Beschouwingen
II. Spelling en uitspraak
III. Grammatica
IV. Woordenschat
V. Teksten
Uit: den blog van stijfvreter

Brokstuk twee: macht

stijfvreter | Zaterdag 30 oktober 2010

En nu de hamvraag: waarom zouden we regulatieve regels überhaupt navolgen? Zoals in de vorige berichten uitgelegd werd, zijn regulatieve regels intrinsiek bedoeld om in te gaan tegen onze primaire constitutieve conventies. Maar dat creëert op de keper beschouwd eerder een probleem dan dat het er één oplost: waarom moeten we ons namelijk eerst habituele regels eigen maken om die vervolgens weer gedeeltelijk aan te passen? Waarom zijn de regulatieve en constitutieve regels niet gewoon dezelfde? Het hele probleem is met andere woorden van theoretische aard: je kan wel mooi een onderscheid maken tussen constitutieve en regulatieve regels en dat linken aan de primaire en respectievelijk secundaire socialisatie, maar dat verduidelijkt nog niet waarom dat onderscheid überhaupt bestáát. Eigenlijk zijn het rare jongens, die regulatieve regels!

 

Het aanleren van regels die onze spontane, natuurlijke neigingen bedwingen heeft dan ook al veelvuldig aanleiding gegeven tot bespiegelingen over de 'condition humaine'. Freud stelde bijvoorbeeld normen en wetten gelijk met het Super-Ego dat we interioriseren om onze impulsieve driften (het Id) in te tomen. Sindsdien is Freuds - nogal Rousseauiaanse - beeld van de menselijke psyche als een 'ketel onder druk' vaak aangehaald om duiding te geven aan onze cultuur. Dat is niet alleen het geval voor bijvoorbeeld de leden van de Frankfurtse School in hun veelzijdige beschouwingen over de hedendaagse 'vervreemding', maar ook voor Norbert Elias die zijn 'proces van civilisering' (als ontwikkeling van beschaafde omgangsvormen) uitdrukkelijk opvat als de verwerving van een Super-Ego.

 

Toch zijn regulatieve regels bij nader inzien niet zo onaards vreemd. Er zijn namelijk voorbeelden te bedenken waar de regulatieve regel zich voordoet als het voor de hand liggende antwoord op de situatie zelf. Een typesituatie is die waarin de optelsom van onze individuele handelingen collectief tot een minder aantrekkelijk resultaat leidt. Dat staat ook nog wel bekend onder de naam van het Gevangenedilemma. Stel, bijvoorbeeld, dat we ons met z'n allen in een kamer bevinden met maar één smalle deur, en dat er in de kamer brand uitbreekt. Onze instinctieve, spontane actie zou zijn om allemaal samen naar de deur te stormen in de individuele hoop om zo snel mogelijk uit de kamer te geraken. Echter, daarmee zou aan de deur een gedrum van jewelste ontstaan zodat niemand meer een stap vooruit komt, waardoor de kans gevoelig verhoogt dat sommigen van ons aan een gruwelijk einde komen. Er is dan een regulatieve nodig die ons vertelt hoe we ons zouden moeten gedragen tegen onze natuurlijke spontane reactie in. Of om een voorbeeld met verkeersregels te nemen, de meest prototypische representant van regulatieve regels: je kan het bij rijgedrag niet aan iedereen afzonderlijk overlaten om maar te bepalen hoe ze van het snelste van punt A naar punt B kunnen komen, want dan gebeuren er geheid verkeersongelukken. Het enige om dat te voorkomen zijn simpele regulatieve regels zoals de voorrang-van-rechtsregel.

 

Het kenmerkende aan deze voorbeelden, en dit is cruciaal, is dat de regulatieve regel hier in het eigenbelang is van de individuen - waarmee de romantische illusie gelogenstraft wordt als zouden regels en regulering per definitie alleen maar haaks kunnen staan op de zogenaamd natuurlijke spontaneïteit van onze primaire disposities (een illusie die trouwens nogal wat linguïsten koesteren met betrekking tot de relatie tussen de 'artificiële' standaardtaal en het 'authentieke' dialect). Het geeft meteen ook aan wat de intrinsieke oorsprong is van regulatieve regels: dat zijn met name sociale verbanden. Regulatieve regels 'ontstaan' doordat meerdere individuen met elkaar moeten samenleven. Elk individu kan namelijk niet langer als een zelfbesloten einzelgänger door het leven blijven stappen, maar zal vroeg of laat de andere(n) nodig hebben, al is het maar voor zijn eigen bestaansonderhoud. Daarmee is gelijk het fundamentele mechanisme achter de vorming van sociale verbanden geschetst: het is de eigen behoeftigheid die individuen 'drijft' tot collectieve actie met de anderen. Nu bergt samenleven evenwel potentieel conflictsituaties in zich, omdat het belang van het ene individu soms nu eenmaal regelrecht kan indruisen tegen dat van het andere individu. In dat geval kunnen regulatieve regels helpen zodat het conflict niet in een totale catastrofe zou ontaarden waarbij geen van de partijen krijgt wat het eerst nog beoogde. Regulatieve regels beantwoorden op die manier aan een behoefte.

 

Tegelijk geeft dat evenwel aan dat naleving van regulatieve regels toch niet zo vanzelfsprekend is. Dat legt dan een belangrijke eigenschap van regulatieve regels bloot: hun inherente volatiliteit. Een individu mag zich namelijk wel door een regulatieve regel laten leiden voor zover dat in zijn eigenbelang is, maar als puntje bij paaltje komt weerhoudt niets hem er eigenlijk van - behalve dan de regulatieve regel zelf - om de regel te doorbreken en zelf zijn onafhankelijke gang te gaan als navolging niet langer de belofte in zich draagt om nog wezenlijk voordeel op te leveren. In de kamer met de brand kan degene die wel voorkruipt terwijl alle anderen ordelijk hun beurt afwachten vlugger bij de uitgang geraken en zo het gevaar voor eigen leden sterk doen dalen. In de verkeersituatie kan degene die af en toe eens door het rode licht rijdt sneller op zijn bestemming geraken dan de andere automobilisten, die er verhoudingsgewijs langer over zullen doen. De term voor dit soort gedrag is 'vrijbuiterij' of ook 'sociaal parasitisme', maar ondanks de evaluatieve bijklank van deze benamingen zal het wel duidelijk zijn dat het voor elk individu afzonderlijk niets anders dan de meest rendabele strategie is: het is de manier om de kosten het kleinst te maken en de baten het grootst. Het betekent evenwel dat sociale verbanden uiteindelijk erg broze, instabiele kaartenhuisjes zijn. Regulering is zonder meer een dans op een slappe koord.

 

De onvermijdelijke implicatie is daarom - en nu komen we tot de crux van het argument - dat regulering altijd vergezeld gaat van nog een mechanisme. Dat mechanisme is macht: een instantie die de mogelijkheid bezit om de naleving van de regulatieve regels ook daadwerkelijk af te dwingen. Dit is de Leviathan van Thomas Hobbes, het 'goddelijke monster' dat zelf boven elke regel verheven is (of om het met Hobbes' eigen citaat uit Job 41 te zeggen: "met wie niets op aarde vergeleken kan worden"), maar dat ertoe dient om erop toe te zien dat de regulatieve regels in werkelijkheid ook nagevolgd worden. In de Freudiaanse psychoanalyse is dit de vaderfiguur die de Wet dicteert, en laat zich om die reden ook vergelijken - bijvoorbeeld door Freud zelf - met God. Dat voert ten slotte tot een andere bijbelse referentie, waar de link expliciet gelegd wordt met de taal: dat is met name die van de Adamitische 'nomotheet', de Naamgever die voor eens en voor altijd vastlegt wat het juiste woord voor de dingen is. Van taalnormering gesproken!

 

Met de notie van macht zijn we dan gewapend om de regulering in het geval van taal aan te vatten. De stelling dat we hier verkondigen is het in de sociolinguïstiek als canoniek geponeerde - marxistisch aandoend - principe dat de regulatieve regels van de taal uiteindelijk de regels zijn van wie de macht heeft. Hoe dat precies zit zullen we zo meteen uit de doeken doen, maar eerst willen we er nog op wijzen dat dit resoluut ingaat tegen een nogal klassiek antwoord op de vraag waarom we ons aan de taalregels houden. Dat antwoord luidt dat die regels dienen om de efficiënte communicatie te waarborgen: opdat individuen hun gedachten aan elkaar kunnen uitwisselen, is er een code nodig die voor elke betekenis aangeeft wat het corresponderende woord ervoor is, zodat individuen over een eenvormig instrument beschikken om hun gedachten überhaupt aan elkaar kenbaar te maken. Dit gaat terug op het 'coördinatieprobleem' van de Amerikaanse filosoof David Lewis, en valt verder op door zijn regelrechte nonsensicaliteit! De bespreking van het 'coördinatieprobleem' zal tot een later bericht moeten wachten, maar in hoofdzaak komt het argument erop neer dat onze cognitieve vermogens tot primaire taalverwerving - dus die waarmee we de constitutieve regels aanleerden - zelf perfect in staat zijn om vervolgens ook in een grootschaliger verband om te gaan met groepen van wie het taalgebruik van het onze verschillend is. Het hele idee is dat we ons probleemloos elkaars alternatieve varianten eigen kunnen maken, waardoor er een situatie van 'collectieve synonymie' voor het sociaal overkoepelende geheel ontstaat, die eveneens het coördinatie- en dus communicatieprobleem oplost. Communicatieve efficiëntie is bijgevolg niet de reden waarom we de regulatieve regels van de normatieve grammatica's navolgen.

 

Het principe dat daarvoor wel verantwoordelijk is laat zich kernachtig als volgt verwoorden: ook in taalzaken passen we ons aan aan de eisen van hen die we nodig hebben voor ons welslagen. Concreet behelst dit dat normovername een rechtstreekse afgeleide is van behoeftigheid (dat is wat het woordje "nodig" in de vorige zin precies betekent): we laten ons leiden door prescriptieve regels als we daar ook iets wezenlijks mee kunnen winnen. Op zijn beurt impliceert dit evenwel omgekeerd - en dat zal uiteindelijk verstrekkende gevolgen hebben - dat die adhesie aan normen afneemt naarmate we beter voorzien zijn: materieel comfort doet de normnavolging dalen.

 

Nu zit er nogal veel in het principe samengebald, dat we er dan ook maar stukje voor stukje uit zullen halen. Om te beginnen wordt hier het bovenvermelde principe herhaald dat sociale cohesie het resultaat is van de behoeftevoorziening van het ene individu door het andere individu. Dat betekent niet meer of niet minder dan dat de 'lijm' achter sociale verbanden het economische mechanisme van vraag en aanbod is. Of om het in een beknopte stelling samen te vatten:

 

Stelling 1:

Twee individuen vormen een sociaal verband (i.p.v. als twee afzonderlijke eenlingen naast elkaar te leven) als de één kan aanbieden waar er bij de ander vraag naar is.

 

Meer specifiek wordt er echter gesteld dat de relatie tussen vrager en aanbieder nooit symmetrisch is. Vrager en aanbieder staan niet op gelijke voet met elkaar omdat de eerste nu eenmaal afhankelijk is van de laatste. Dat komt omdat je je behoeften natuurlijk niet kunt kiezen (zij kiezen eerder jou, om het in filosofische bewoordingen te zeggen). Je kan er namelijk wel voor kiezen om niet toe te geven aan je behoefte (bijvoorbeeld, als je je ten opzichte van de aanbieder wat onafhankelijker wilt opstellen), maar daarmee verdwijnt die behoefte zelf nog niet. Dat moge blijken uit het voorbeeld van honger: als jij honger hebt en je 'buur' een stuk brood, dan kan je buur er ongestoord voor kiezen om dat stuk brood al dan niet aan jou te geven; nu kan jij er dan wel voor kiezen om dat stuk brood niet van hem aan te nemen, maar daarmee blijf je letterlijk alleen maar 'op je honger zitten'. Behoeften noemt men om die reden ook nog wel eens 'absoluut': de aanbieder heeft vrijelijk de keuze om de gevraagde behoeftevoorziening aan te bieden of niet; de vrager heeft enkel maar de keuze tussen passief aanvaarden dan wel behoeftig blijven. Dat alles geeft de aanbieder macht over de vrager, en laat zich als volgt formuleren:

 

Stelling 2:

Omdat de vrager uiteindelijk afhankelijk is van de aanbieder, heeft de aanbieder macht over de vrager.

 

Machtsverschillen laten zich natuurlijk vertalen in een statushiërarchie: de één staat hoger in de sociale pikorde - en is dus "belangrijker" - dan de ander omdat zijn macht over de ander groter is dan die van die laatste over hem. Dat onderscheid in hogere en lagere positie heeft daarbij een vanzelfsprekende wiskundige notatie, en wel in termen van ranggetallen: daarbij krijgt de hoogst gepositioneerde partij ranggetal 1, degene die onmiddellijk na hem komt ranggetal 2, degene daarna ranggetal 3, enzoverder. In ons abstract geconstrueerde voorbeeld van een sociaal verband met 1 vrager en 1 aanbieder, heeft de aanbieder rang 1 en de vrager rang 2. Dat leidt tot het volgende corollarium:

 

Corollarium 2.2:

De aanbieder heeft een hogere rang dan de vrager (wat wiskundig weergegeven wordt in een lager rangGETAL).

 

Nu uit macht zich in allerhande wederdiensten die de aanbieder van de vrager kan eisen. Dat is dan de prijs van de aangeboden behoeftevoorziening. Merk evenwel dat dat om het even wat kan zijn; de prijs die de aanbieder van de vrager eist is met andere woorden volledig arbitrair. Dat volgt namelijk net zo goed uit de aangestipte asymmetrische relatie tussen vrager en aanbieder, waarbij de eerste absoluut afhankelijk is van de laatste en dus weinig andere keuze heeft dan de eisen van de aanbieder in te willigen, hoe weinig die ook in verhouding staan tot de oorspronkelijke behoeftevoorziening (dat is dan hun arbitrariteit). Waar het om draait is dat de prijs in het algemeen de vorm aanneemt van gedrag dat de vrager moet stellen, wil hij de verlangde behoeftevoorziening ook daadwerkelijk verkrijgen. Het is voor de vrager om die reden een norm (regulatieve regel) waaraan hij zich moet houden, en waar hij vanwege zijn afhankelijkheid maar moeilijk onderuit kan komen. Hier zien we met andere woorden de genese van sociale regulering als de prijs voor geleverde behoeftevoorziening. Dat laat zich verwoorden in de volgende twee uitspraken:

 

Stelling 3:

De macht van de aanbieder over de vrager is geconcretiseerd in de vorm van regulering (=het instellen van regulatieve regels).

 

En het correlaat daarvan:

 

Corollarium 3.2:

Regulering is de prijs die de aanbieder aan de vrager oplegt voor de geboden behoeftevoorziening.

 

Hiermee opent zich een rechtstreekse link naar de populaire discussie over de standaardtaal als vehikel voor sociale promotie en emancipatie - want wie de prijs wil betalen wacht navenant de beloning - evenals de keerzijde van de medaille over de potentieel discriminerende aspecten daarvan - omdat regulering een barrière schept voor wie wil meespelen. In het algemeen kan daarbij gesteld worden dat de hele kwestie van regulering - de zogenaamde 'druk' om volgens de norm te handelen - zich pregnanter stelt naarmate men over minder middelen beschikt (en dus afhankelijker is van anderen), wat dan omgekeerd betekent dat wie van welstand verzekerd is zich minder geïnhibeerd hoeft op te stellen. Op die manier wordt ook duidelijk hoe we regulering finaal operationaliseren als het al dan niet opgeven van het primaire, habituele gedrag - in de zin van het tegengestelde van het gewoon behouden ervan: er is het habituele gebruik dat tijdens de primaire socialisatie verworven wordt - omdat daar nu eenmaal alles mee begint - en vervolgens is er meer of minder de 'incentive' om dat aan te passen. Met alle hierboven gedefinieerde begrippen kan dat trouwens uitgedrukt worden in een wiskundige formule. Laat p de kans zijn (of: relatieve frequentie) waarmee een spreker een bepaald primair taalelement habitueel uit en laat r de sociale status van die spreker zijn (zoals boven gekwantificeerd in termen van ranggetallen), dan behelst de hier geschetste redenering de volgende wiskundige betrekking, die we de Wet van (de)regulering dopen:

 

Wet van (de)regulering:

p ~ 1/r

 

In woorden geformuleerd staat hier dat de kans van een habitueel, primair taalelement omgekeerd evenredig is met het sociale ranggetal van de spreker van dat element.

 

Deze Wet van (de)regulering is de centrale wiskundige evenredigheid, die in een notendop de hoeksteen vormt voor de hele hier uiteen te zetten theorie. Alle volgende blogberichten zullen bestaan in het verder uitpluizen van de precieze implicaties ervan.

3 reacties
Grytolle 4 november 2010, 13:48
Als het uitstel zo interessant is vind ik dat geen erg!
stijfvreter 4 november 2010, 12:44
Bedankt!
Het is niet het bericht dat ik wou schrijven op basis van het congresje over "De Manke Usurpator" in Antwerpen, maar dat betekent alleen maar dat er nog meer berichten op stapel staan!
Grytolle 30 oktober 2010, 22:11
Jeuj!
Reageren