Regels, regels, en nog eens regels...
Even de puntjes op de i zetten: in plaats van "constitutieve" versus "regulatieve" regels spreekt men in de taalkunde doorgaans nog over - respectievelijk - "descriptieve" versus "prescriptieve" regels. Het betekenisverschil blijft evenwel hetzelfde: descriptieve regels drukken een feitelijke regelmatigheid uit die empirisch in het taalgedrag valt waar te nemen; prescriptieve regels ordonneren stipulatief welke taalvorm gebruikt zou moeten worden en welke niet, en worden om die reden dan ook wel eens "normatieve" regels genoemd. De verwarring die echter zou kunnen ontstaan is dat in de geciteerde passage uit Stokhof (2000) het onderscheid tussen constitutieve en regulatieve regels wordt geplaatst tegenover de descriptieve regels als derde soort regels, die dan ook duidelijk niet met één van beide eerste regels (met name, de constitutieve) samenvallen. Welja, dit is een staaltje van de typisch byzantijnse haarkloverijen waarover taalgeleerden zich al eens het hoofd breken. Voor ons maakt het evenwel niet uit welke subtiele subspecificaties men binnen bepaalde klassen van regels aan kan brengen (het kan namelijk nog genuanceerder: zie bijvoorbeeld de drie keer tweeledige onderscheidingen in Duintjer 1977. Rondom regels. Wijsgerige gedachten omtrent regel-geleid gedrag), en komt het enkel op de basale tweedeling aan die nu zo onderhand al wel kraakhelder zal zijn: om het ietwat filosofisch te zeggen, descriptieve/constitutieve regels drukken een zijn uit; prescriptieve/regulatieve regels een moeten.
Het kan echter nog anders: we kunnen het bij regels ook hebben over het principe op basis waarvan een taalvorm gelegitimeerd wordt. Het gaat dan per definitie om prescriptieve regels, of normen. Als we over de één of andere norm spreken, dan bedoelen we daarmee het argument dat specifieert waarom een bepaalde taalvariant te prefereren valt. In de taalverzorgingsliteratuur somt men zo traditioneel 7 normen op. Deze zijn (dit overzicht kent een lange geschiedenis van kopiëring en citatie: de meest recente is Deygers 1998, die zich baseert op Burger & De Jong 1991, dat zelf weer gebaseerd is op Renkema 1985):
1. De historische norm: taalvorm X is juist omdat ze de oudste is.
2. De autoriteitsnorm: taalvorm X is juist omdat ze de vorm is de die meest gezaghebbende sprekers in de samenleving gebruiken.
3. De logische norm: taalvorm X is juist omdat ze volgens de wetten van de logica is (bijvoorbeeld: de dubbele ontkenning, die de ontkenning eigenlijk 'opheft').
4. De statistische norm: taalvorm X is juist omdat de meerderheid van de sprekers haar gebruiken.
5. De zuiverheidsnorm: taalvorm X is juist omdat ze het zuiverst Nederlands/Fins/Koeterwaals/... is.
6. De effectnorm: taalvorm X is juist omdat ze voor de toehoorder(s) het meest begrijpelijk is.
7. De esthetische norm: taalvorm X is juist omdat ze het mooist is.
Het lijstje maakt duidelijk wat de 2 grootste problemen bij deze 7 'normen' zijn. Aan de ene kant zijn sommige normen relatief (bv. de zuiverheidsnorm: wat zuiver Nederlands is hangt namelijk af van wat je definitie van het Nederlands is) of zelfs ronduit subjectief (de esthetische norm - dat behoeft verder weinig betoog). Veel zwaarwegender aan de andere kant is echter dat sommige normen met elkaar in strijd kunnen zijn. Zo is het de logische norm om "gisteren kwam een aantal mensen op bezoek" te zeggen omdat het aantal onderwerp is van de zin en dat nu eenmaal enkelvoud is, alleen gebruiken de meeste sprekers van het Nederlands vandaag de dag daarentegen kwamen, dus stelt de statistische norm dat het die vorm moet zijn. Een ander voorbeeld van twee normen die met elkaar kunnen conflicteren - en één dat misschien voor sommigen enige gevoelens van herkenning kan oproepen - is de autoriteitsnorm versus de statistische norm: in veel gevallen spreekt de elite in de samenleving namelijk net níet zoals het merendeel van de bevolking dat doet, en geeft toetsing aan beide normen volledig tegengestelde resultaten. Je ziet taaladviseurs (zoals bijvoorbeeld de schrijvers van de geciteerde artikelen) er dan ook steevast op hameren om de vernoemde normen veeleer als handige leidraad te hanteren bij het maken van evaluatieve keuzes.
Waarom breng ik de opsomming dan toch naar voren? Als die normen toch alleen maar 'leidraden' zijn, en ze strikt genomen zelfs helemaal geen normen zijn maar eerder rationalisaties post-hoc (en in die hoedanigheid dan ook onvermijdelijk ad-hoc), waarom vermeld ik ze dan? Wel, één van de voorbeelden van pogingen om een regelsysteem voor een taal op te stellen - wat we in de taalkunde met een technische term "codificatie" noemen - en waar er dan ook uitvoerig over bepaalde keuzes gedebatteerd wordt (de lengte van sommige discussies op de fora bewijst dat wel) is natuurlijk deze vlaamsetaal.be, dat zich tot doelt stelt om een grammatica van het Vlaams te ontwerpen. Welnu, je/ik zou daarom kunnen zeggen dat de 7 'leidraden' misschien enig nut kunnen hebben bij het beslechten van bepaalde hardnekkige discussiepunten. Niet dat dat uitgerekend moet: zoals aangegeven, op de keper beschouwd heb je de 7 'metanormen' helemaal niet nodig en kan je gewoon stipuleren wat de beste taalvariant is op basis van je preferenties. Of je kan je grammatica zuiver descriptief opmaken aan de hand van wat empirisch algemeen gangbaar is - uiteindelijk is dat precies wat de ANS voor het Standaardnederlands doet. Alleen, voor sommige taalkwesties kúnnen de metanormen misschien uitsluitsel bieden. Met andere woorden, en ook niet meer dan dat: ik geef ze gewoon maar even mee.
Bibliografietje
Burger, Peter & Jaap De Jong (1991). "De vraag naar goed of fout. Normen." In: Burger & De Jong (reds). Onze taal! Zestig jaar strijd en liefde voor het Nederlands. Den Haag: SdU Uitgeverij, 77-89.
Deygers, Katrien (1998). "Normen voor goed Nederlands in Noord en Zuid." Handelingen van de Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 52, 77-94.
Renkema, Jan (1985). "De Taaladviesdienst. Over regels en normen in taalgebruik." Onze Taal 54 (11), 138-141.


schoon overzicht!