1. De uitgang -d
| Germaans | Oudnederlands | Vroeg Middelnederlands | Modern Vlaams |
| *gibeþ? | he givid | hi gheved | hij geefd |
| *gibeþ? | gi geved | ghi gheved | gij geefd |
| *-ji | *gevedji? | ghevedi > gheefdi | geefde (gij) |
| Kustvlaams | gheefje | geefje (gij) | |
| cliticumloze vorm | geved gi | gheved ghi | geefd ge/gij |
| *gâvuþ? | gi gâved | ghi ghaved | gij gaafd/gafd/gaf |
| Kustvlaams | *ghaafje? | *ghaafje (gij) | |
| cliticumloos | gâved gi | ghaved ghi | gaafd ge/gij |
| *-ji | *gâvedji? | ghavedi/ghaafdi | gaafde/gafde (gij) |
| *mâkōþ? | he makod | hi maked | hij maakt |
| *mâkuþ? | gi makod | ghi maked | gij maakt |
| *-ji | *makodji? | makedi > maekti | maakte (gij) |
| KustVl | maekje | maakje (gij) | |
| cliticumloos | maked ghi | maakt ge/gij | |
| *mâkōda? | he makoda | hi makede | hij maakte |
In het Nederlands/Vlaams wordt þ/ð tot d; door finale verstemlozing kan d herinterpreteerd worden tot t als er geen verlengde vorm bestaat die ze ervan behoedt:
hond [hont], honden [hondə(n)] ← het meervoud zorgt ervoor dat de taalgebruiker zich ervan bewust is dat het om een d gaat en geen t
In het Vlaams dat het cliticum –e: kent, wordt de d in de werkwoordsuitgang –(e)d (< -Vþ) op dezelfde manier beschut tegen herinterpretatie:
gij geefd [ʝæ. ʝe:ft], geefde gij [ge:vdə gæ:]
Dat hij een d is, is ook zelfs hoorbaar vóór klinkers - tenzij hij wordt voorafgegaan door een stemloze medeklinker:
| geefd is ne voorbeeldzin | [ge:fd is nə vo:rbe.ltsɪn] |
| gij maakt een tafel voor mij | [gæ. ma:kt ən ta.fəl vor mæ:] |
Het is mogelijk, maar niet waarschijnlijk, dat hij in latere tijden weer stemhebbend is geworden. We vinden namelijk aanwijzingen zowel in het Oudnederlands als in het Middelnederlands die erop wijzen dat hij stemhebbend is gebleven voor klinkers.
Na een lange klinker valt dan de -e- uit: werthet, underleged, dôt, geet. In stemhebbende omgeving verschijnt vaak -ed, zoals ook in andere gevallen waar -t in de absolute uitgang staat.
Uit: Inleiding Oudnederlands van A. Quak & J.M. van der Horst (p. 50, Gebiedende wijs)
| Mi dinke, ghi sijd al ombedacht | (Ik denk da’ g’al zijd ?ombedacht? |
| Ja en siedi wel, het es nacht | Ja, en ziede ’t wel? ’t Is nacht.) |
| Uit: De jeeste van Walewein en het schaakbord (Middeleeuwse tekst) | |
Dat we niet zoveel spellingen met d terugvinden in Middelnederlandse teksten, komt door de manier waarop men toen gewoonlijk schreef: Je schreef een woord zoals het klonk als je het afzonderlijk uitsprak:
De schrijver hoort [hont], daarom schrijft hij ook hont.
De schrijver hoort misschien [ɣi: si:d al], maar voelt wel aan dat het om drie woorden gaat, dus hij spreekt ze afzonderlijk uit en schrijft ze zo neer:
[ɣi:] → ghi
[si:t] → sijt
[ɑl] → al
ghi sijt al
De enige systematische uitzondering vormen de cliticavormen; vandaar dat we altijd segdi (of door verkeerde splitsing seg di) vinden, en nooit *segt i. In de Middeleeuwen schreef men ook niet geheel fonetisch; iemand die kon schrijven was iemand die veel had gelezen. Men schreef dikwijls woorden zoals men ze geschreven had gezien, ook al kwam het niet overeen met de eigen uitspraak.
Geraadpleegde bronnen
De bronnen die gebruikt werden voor het maken van dit artikel, kunnen hier worden gevonden.

