Algemeen Vlaams

Deze site is nog in vollen opbouw. Den boomstructuur hieronder word geleidelijk uitgebouwd op basis van onze discussies in de forums - komd gerust meediscussiëren!
I. Beschouwingen
II. Spelling en uitspraak
III. Grammatica
IV. Woordenschat
V. Teksten

Bronding gij-vormen/den uitgang -d

Gecreëerd door Grytolle. Laatst gewijzigd op 16 oktober 2009 door Krommenaas.

http://dbnl.org/tekst/schu031assi01_01/schu031assi01_01_0001.htm

 

Zoals we uit de RND-gegevens en de monografieën van COLINET (1896), GOEMANS (1897-98), SMOUT (1905), VERSCHUUR (1902), TEIRLINCK (1924), PAUWELS (1958), DE VRIENDT (1983) en TAELDEMAN (1976, 1985) kunnen opmaken, is er daarnaast een groot Vlaams + Brabants gebied waar prevokalische Vf.-t enkel stemhebbend wordt als ze zelf volgt op een (onderliggend) stemhebbend segment.21 Voorbeelden (uit het Gents):

 

 

 

hij gaa[d] ons … vs. hij laa[t] ons … ( < tt)

hij lee[zd] een … hij vi[st] in …

hij kom[d] al … hij werk[t] in …

 

 

 

Aangezien Vf.-t zich vóór anlautende vokaal heel anders gedraagt dan een niet-suffigale eind-/t/ (vgl. hij staa [d] in … ˜ mijne maa[t] is …), ligt de formulering van een ad-hoc regel voor de hand:

 

 

 

(R 4) Vf.-t → [+stem] / [SEGM.][+stem] + - #V …

 

 

 

DE VRIENDT (1983) vindt dit een zeer onelegante oplossing wegens de strijdigheid met het normale assimilatiepatroon van het Nederlands: hij vis[t] in … en hij lēz[d] in … suggereren progressieve assimilatie, maar het Nederlands manifesteert overigens enkel regressieve assimilatie wanneer de ‘rechtse’ obstruent een okklusief is (cf. 't i[z] donker). In navolging van TROMMELEN-ZONNEVELD (1979)

19Waartoe echter niet de westrand van beide Limburgse provincies behoort.

20Die werden ons resp. door T. Vallen en Prof. J. Goossens bezorgd, waarvoor onze hartelijke dank.

21Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat Vf-t tussen twee vokalen doorgaans wegvalt in drie grote gebieden: (a) bijna heel Oost-Vlaanderen + het zuidwesten van West-Vlaanderen, (b) Schouwen-Duiveland en Tolen en (c) Oost-Brabant + West-Limburg. Cf. …. staa + Ø in … (RND, zin 57). In deze kontekst lijkt een [d]-stadium prealabel aan de deletie.

[p. 110]

 

bestaat zijn oplossing er dan in een frikatieve /ð/-uitgang van de Vf. te poneren, die via zijn regelsysteem (p. 45) inderdaad tot de juiste oppervlaktevormen leidt. Omdat wij nu eenmaal van de meta-teoretische overweging uitgaan dat een (deel)-grammatika zo nauw mogelijk moet aansluiten bij het intuïtieve kennisbeeld van de gemiddelde native-speaker, houden wij het liever bij een onelegante ad-hoc regel dan bij een anti-intuïtieve abstraktie.22 Verderop komen we echter nog eens op deze materie terug.

 

 

http://www.utexas.edu/cola/centers/lrc/books/pgmc03.html

zonder op de exacte klinkers te letten:

  • -de(n)/-te(n) komd van -ede
  • -d/-t voltooid deelwoord komd van -ed
  • -d/-t presens gij en hij komd van -eth
  • -d/-t imperfect gij komd van -eth

 

Klank- en vormleer van het Middelnederlands van Machteld van Royen

p. 88:

>. De 2e persoon meervoud praesens indicatief *kinned heeft een Westgermaanse stemhebbende dentale spirant d.

>. Deze stemhebbende d wordt in het Middelnederlands in de Auslaut ( = eindklank van het woord) stemloos, dus d > t. Sporadische uitzonderingen hierop zien we bv. in Walewein vs. 6173 en 6238: ghi sijd.

>. Bij inversie blijft de d bewaard, behalve wanneer de stam van het werkwoord eindigt op p, t, of k. Bv. praesens hoopti, moeti, maecti.

>. De –i is de enclitische pendant van ghi. In de kuststreek werd -i vervangen door -je, de ongeaccentueerde vorm van *ji. Bv. in het Aardenburgse Boek met de Knoop (ca. 1380): wilye, hebje.

 

p. 133

>. zwakke vervoeging (hierin worden de tijdsverschillen uitgedrukt door toevoeging van -ede in het praeteritum en *-ed in het participum perfecti, dus als het ware door ‘hulp van buitenaf’; de Duitse taalkundige Jacob Grimm (vgl. p. 42) maakte gebruik van beeldspraak toen hij de beide conjugaties resp. de term ‘sterk’ en ‘zwak’ toekende)

 

>. De tegenstelling 'sterk' - 'zwak' blijkt ook uit het participum perfecti: resp. op -en en op -et

 

Den tekst Walewein: DBNL

 

http://www.dbnl.org/tekst/wink002gesc01_01/wink002gesc01_01_0008.htm

>. De uitgang van den 3en p. sing. is Onfr. it (zwak ook ot), Mnl. et, allengs ook t, en sedert het midden van de 17e eeuw uitsluitend t. De 1e p. plur. is Onfr. un, Mnl., Nnl. en; de 2e p. Onfr. it, et (zwak ook ot), Mnl. et, allengs ook t, en sedert het midden van de 17e eeuw uitsluitend t; de 3e p. Onfr. unt, int (zwak ook ont), Mnl., Nnl. en.

 

>. Door het enclitisch gebruik der pron. komen, hoofdzakelijk in het Middelnederlandsch, allerlei bijvormen voor, die hier niet behandeld kunnen worden. Ik wijs slechts op het weglaten van en in den 1enen 3en p. plur, bijv. aetwi, liepsi, en op vormen als neemdi, naemdi, segdi, die in het Middelnederlandsch dikwijls en in de 17e eeuw (bijv. bij Vondel en Bredero) nog menigmaal voorkomen in plaats van neemt ghi, naemt ghi, segt ghi. Het zijn verbindingen met ji, den bijvorm van gi, en ontstonden reeds in een tijd, toen de uitgang nog th was, uit vormen als nemethi (voor nemethji), nâmethi (voor nâmethji), seggethi (voor seggethji)1). In het tegenwoordig Brabantsch is neemdi, segdi, enz. neemde, zegde geworden; het pron. wordt er niet meer in gevoeld en men hoort thans algemeen in het Brab. neemdegij? zegdege? Zoo werden Mnl. ook vormen als neems du, sies du door enclisis neemstu, siestu of, met verzwakte u neemste, sieste. Dat ste werd somtijds als uitgang van den 2en pers. opgevat: vandaar vindt men nu en dan du neems te, du sieste, enz. Als je (voor jij) in de 17e eeuw en later (voornamelijk in de 19e eeuw kreeg dit gebruik de overhand) achter het werkw. wordt geplaatst, dan wordt de uitgang t weggelaten, dus neem je, zeg je. De 2e p. plur. neemt dan den klinker van den 1en p. sing. aan, bijv. nam je. Een merkwaardig verschijnsel in de Nederlandsche vervoeging is, dat door de sterke zucht naar analogie overal de i-umlaut in de afzonderlijke personen verwijderd is.

>. 1)Zie Van Helten in Taal- en Letterb. III 91 vlg., Cosijn in id. V. 309-311.

 

http://www.dbnl.org/tekst/wink002gesc01_01/wink002gesc01_01_0006.htm

>. Ook twee d's worden door Kern1) onderscheiden, eene linguale en eene dentale. De eerste is de oorspronkelijke d, de tweede wordt door eene r gevolgd of is uit th2) ontstaan.

>. 1)Kern in Taalk. Bijdr. 175-181.

>. 2)Daar het teeken voor de scherpe dentale spirant niet aanwezig was, wordt th geschreven.

 

 

>. Germ. TH werd Nl. aan het begin en in het midden dentale d, bijv. dank (Onfr. thank), denken (Onfr. thencon), ding (Onfr. thing), dorst (Onfr. thurst), duizend(Onfr. thûsint)), dringen (Onfr. thringon), aarde (Onfr. ertha), beeld (Onfr. bilithi), broeder (Onfr. bruother), genade (Onfr. ginâtha), enz. In het midden is die d in het Nnl. dikwijls gesyncopeerd, bijv. bleu uit *bleude naast bloode (Os. blôdi), gedwee (Mnl. ook gedwade, Mnl. en in de 17e eeuw ook gedweech uit gedwedig, Mhd. getwedic), kweelen uit kwedelen (bij Onfr. quethan), oolijk (uit *oodelijk, van Mnl. oode, Os. ôdi), reu, Mnl. rode (Ags. hryththa), veer naast veder (Onfr. fethera), vla (Mnl. vlade, Ohd. flado), vlerk (Mnl. vlederic), vlier (bij Kiliaen nog vlieder, Hd. Flieder), vleermuis (Ohd. fledarmûs). De d is door j vervangen in vermoeien, in de 17e eeuw ook vermoeden (van moede, Os. môdi). De d is aan de voorafgaande n geassimileerd in gezin(ne), Mnl. nog gesinde (Ohd. gisindi, Os. gisídi). Aan het eind werd th zonder uitzondering (reeds in Geldersche oorkonden van 720, 850, 855) dentale t, hoewel in het Nnl. meestal met d geschreven, bijv. mond, Mnl. mont, Onfr. munt (uit munth). Daar germ. th en d in het Nl. beide d zijn geworden, en dus samengevallen, is ‘grammatischer Wechsel’ niet meer aan te wijzen. Voor asem zie men bij de S.

 

 

>. Germ. D (d) werd linguale d (of vóór r misschien dentale d) aan het begin en in het midden, hetzij oorspronkelijk (uit Idg. DH), hetzij door ‘grammatischer Wechsel’ ontstaan (uit Idg. T), bijv. dag (Onfr. dag), deel (Onfr. deil), dier (Onfr. dier), dochter (Onfr. dohter), doen (Onfr. duon), vader (Onfr. fader), leiden (Onfr. leidon), midden (Onfr. mitdon), enz. In het Nnl. is die d tusschen klinkers echter dikwijls gesyncopeerd, bijv. beul (bij Vondel nog beudel, bij bode, Ags. bydel), afbeulen (Mnl. bodelen, beuling (Mnl. bodelinge), blaar (Mnl. en nog in de 17e eeuw bladere), boel naast boedel, door naast dooier (bij Kiliaen nog doder), graag (Os. grâdag), kiel (Mnl. kidel), leer naast ladder (in de 17e eeuw bijv. bij Vondel nog leeder), paarlemoer (bij Kiliaen nog perlenmoeder, vgl. Ital. madreperla), voeren (van kleederen, uit voederen), enz. of door j of w vervangen, bijv. (uit)rooien (Mnl. roden) samengevallen met uitroeien (Mnl. roeden, de takken afhouwen), roeien (van den wijn, uit roeden, vgl. Fra. verger le vin), kruien (Mnl. cruden, Ags. crûdan), ooievaar (Mnl. odevare); schouw (vaartuig, Mnl. scoude), schouw (schoorsteen, Mnl. scoude, bij scouden, branden, uit Mlat. scaldare, excaldare), spouwen (Mnl. spouden), vouwen (Mnl. vouden, vgl. eenvoudig, enz.), kouwelijk, ouwelijk, enz. Anorganisch daarentegen is de achter î ingelaschte d in Nnl. geschieden, spieden, vlieden, kastijden, belijden, verlijden, wijden, bevrijden, Mnl. ghescien, spien, vlien, castîen, belîen, verlîen, wîen, vrîen, en de in het Mnl. nog zelden, in het Nnl. echter veelvuldig voorkomende epenthetische d tusschen l, n of r en volgend (e)r, bijv. in daalder, elders, helder, kelder, kolder (paardenziekte) en malienkolder, selderij (Fra. sellerie), vilder, zolder, beenderen, boender, bunder, diender, donder, dragonder, hoenders, spaanders, vaandrig, Hendrik, Leendert, Reindert, Meindert, naarder (Mnl. naerre, thans, met syncope van de r, nader), in talrijke nomina agentis, bijv. hoorder, bestuurder, enz. en in alle comparatieven der adjectiva, die op r uitgaan, bijv. zwaarder, verder, duurder. Aan het eind werd linguaie d, reeds in de 8e eeuw, zonder uitzondering linguale t, hoewel in het Nnl. meestal met d geschreven, bijv. Onfr. guot, Mnl. goet, Nnl. goed

 

>. Nnl. worden thans ook met t (uit d) geschreven want (Os. hwanda, Onfr. wanda), want (van een schip, vgl. Mnl. gewant, gewande en Nnl. ingewand), omtrent en trant (Ofri. trind; daarbij nog drentelen, Hd. trendeln), schroot (naast schroodijzer, bij Kiliaen: schrooden, snoeien, Mnl. schroder, kleermaker), zat (naast verzadigen, bezadigd, Os. sad), bent (naast bende), buskruit en rattenkruit (slechts sedert 1866 met t, ofschoon kruit het gewone kruid in de beteekenis ‘poeder’ is1)); vgl. nog met t uit th: vaart (naast vaardig, aanvaarden, hoovaardij) en voort (naast vorderen). D werd nog t aan het eind van eene lettergreep vóór l en n, in wentelen (uit wentlen, wendlen, bij wenden), vandaar wenteltrap naast Mnl. wendelsteen, en verbintenis (bij verbinden), ontsteltenis (bij het part. ontsteld), ontstentenis (bij het vroegere part. ontstanden); vgl. nog beeltenis (bij beeld met d uit th).

 

Inleiding Oudnederlands, A. Quak & J. M. van der Horst

p.50

>. In het meervoud overheersen in de WP de uitgangen -et en -it bij de sterke werkwoorden. Bij de zwakke werkwoorden lijkt een licht overwicht te bestaan -it en -et bij jan-werkwoorden en -ot bij de ôn-werkwoorden. Maar van de laatste groep zijn slechts twee voorbeelden overgeleverd. In de LW is uitsluitend -et overgeleverd zowel bij zwakke als sterke werkwoorden. Na een lange klinker valt dan de -e- uit: werthet, underleged, dôt, geet. In stemhebbende omgeving verschijnt vaak -ed, zoals ook in andere gevallen waar -t in de absolute uitgang staat.

 

Etymologie.nl

 

gij

vnw. 2e pers. ev. en mv.

 

Onl. gijullie (2e pers. mv.) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. gi, ghi, gy (dit zijn slechts spellingvariaties); gediftongeerd tot vnnl. gij.

 

Gij is oorspr. het persoonlijk voornaamwoord voor de 2e persoon meervoud en stond zo in oppositie met het enkelvoud mnl. du. Als beleefdheidsmeervoud kon er een enkelvoudig persoon mee worden aangesproken. Dit is een verschijnsel dat in veel talen voorkomt, bijv. in de meeste Romaanse talen al vanaf de 4e eeuw, maar in de oudste fasen van de overige Germaanse talen niet of nauwelijks, in het Oudhoogduits bijv. pas vanaf het eind van de 9e eeuw. Het feit dat de meeste vroeg-middeleeuwse schrijvers twee- of meertalig zullen zijn geweest, maakt het aannemelijk dat de Nederlandse ontwikkeling rechtstreeks is be
ïnvloed door het Laatlatijnse en Franse systeem: vos resp. vous in het meervoud en als beleefdheidsvorm, naast tu tegen lager geplaatsten.

 

Maar al in het Middelnederlands begint ghi steeds meer in het enkelvoud gebruikt te worden. In de 16e eeuw is du niet meer algemeen in gebruik en is het beperkt tot enkele dialecten (Limburg), en zie ook → dijn. Eenzelfde ontwikkeling heeft plaatsgevonden in het Nieuwengels met you, dat ook oorspr. een meervoud is en dat het enkelvoud thou heeft verdrongen.

 

De verwante voornaamwoorden in de andere Germaanse talen hebben alle hun meervoudsfunctie behouden: os. gī, ge (mnd. gi, je); ohd. ir (met wegval van de anlaut onder invloed van de verbogen naamvallen en met -r o.i.v. wir wij; nhd. ihr); ofri. jī; oe. gē (met klinker o.i.v. wē wij; ne. vero. ye); on. (onder invloed van vér wij) ér (ozw. ir; nzw. I); got. jūs. Voor nfri. jo jij en ne. you jij, jullie zie → jou. De Gotische klinker is gezien de overige Indo-Europese vormen (zie onder) de oorspronkelijke, dus pgm. jūz. In het West-Germaans moet dit onder invloed van pgm. wiz wij (zie → wij) jīz, jī, *ji zijn geworden.

 

De overgang van *ji (een vorm die in de oudste schriftelijke onl. en os. bronnen al niet meer voorkomt) naar gi is opvallend en treedt binnen de Germaanse talen oorspr. alleen op in sommige Frankische dialecten. Zo ook in → ginder, ginds, → gene, → gier 2
mest, → gist.

 

Erfwoord met representaties in vele Indo-Europese talen, o.a.: Sanskrit yūyám; Litouws jūs; Oudkerkslavisch vy (Russisch, Tsjechisch vy); Albanees ju; dit alles op basis van de nominatief pie. *iuH jullie. Daarvan te scheiden zijn: Latijn vōs (Catalaans vós, Frans vous); Grieks hūmeĩs; Sanskrit vas; Hittitisch sumēs; deze zijn gevormd op basis van een accusatief, die op een andere pie. stam teruggaat.

 

Dit voornaamwoord verscheen in de Germaanse talen oorspr. alleen in de nominatief. De datief en accusatief waren in het mnl. u en de genitief uwer (in het enkelvoud ook wel uws, uwes).

 

De onbeklemtoonde variant van gij is ge, die zal zijn ontstaan naar analogie van onbeklemtoond me en we. In de Middelnederlandse schrijftaal kwam deze nog niet voor; in plaats daarvan schreef men meestal een verzwakte enclitische vorm *ji > *i aan het werkwoord vast: segdi
zegt ge, hebdi hebt ge.

 

Als gevolg van de vervanging van du door gij in vrijwel het gehele Nederlandse taalgebied (m.u.v. oostelijke dialecten) en in alle taalregisters verdween in de tweede persoon het onderscheid enkelvoud/meervoud en vertrouwelijkheid/beleefdheid. Ongeveer vanaf de 16e eeuw verschijnen dan de voornaamwoorden → jij (vertrouwelijk) en → u (beleefd), later ook → jullie (vertrouwelijk). Dit gebeurde aanvankelijk alleen in de spreektaal en in de schriftelijke weergave daarvan, en bovendien uitsluitend in het Noord-Nederlandse taalgebied. Gij en de objectvorm u bleven in de offici
ële schrijftaal nog lang de enige gangbare aanspreekvormen, waarbij veelal meer duidelijkheid werd gegeven door het toevoegen van expliciete meervoudsmarkeerders zoals in gijlieden, gij allen, gij beiden, gij zelf, resp. ulieden, u allen etc. In de 20e eeuw verdween gij geleidelijk aan definitief uit het NN schriftbeeld. Doodsteek was de verbanning uit de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004. In de Zuid-Nederlandse dialecten en in het BN zijn gij en ge echter nog springlevend.
Lit.: J.A.M. Vermaas (2002), Veranderingen in de Nederlandse aanspreekvormen van de dertiende t/m de twintigste eeuw, Utrecht

 

 

jij:

>. jij vnw. 2e pers. ev.

De oudste attestatie van jij staat in een taalgids: vnnl. hier zalmen oac notéren hoe dat men zommighe lieden vind die zegghen iy of jy voor ghy [1550; Lambrecht]. In literaire teksten verschijnt het pas vanaf het begin van de 17e eeuw, in weergave van spreektaal, bijv. in Ie soutme niet kennen willen, Iy de Bruygom mit Claertje, Van ien jonghen as jy [1617; Hooft]. Eerder al wel onbeklemtoond enclitisch je: mnl. Onrecht hebje ‘U heeft ongelijk’, Wil ye horen, ghi scepenen [1300-50; Vorsterman 1892].

De persoonlijke voornaamwoorden je en jij bleven aanvankelijk beperkt tot Hollandse teksten en sloegen daarin op zowel het enkelvoud als het meervoud van de tweede persoon, zonder onderscheid m.b.t. de status van de aangesprokene en soms vrijelijk afgewisseld met ghi (gy). In de loop van de 17e eeuw verschenen beide woordjes steeds vaker op schrift, maar beperkte het gebruik zich tegelijkertijd tot het enkelvoud in informele situaties. Men neemt meestal aan dat je en jij oorspr. de Hollandse varianten zijn van het voornaamwoord pgm. *jīz dat in het grootste deel van het Middelnederlandse taalgebied → gij was geworden (Muller 1926). De vrijwel totale afwezigheid van jij/je in het Middelnederlands wordt dan verklaard door de volkstalige status ervan; in de Middelnederlandse schrijftraditie, die vooral op het Zuid-Nederlands was gebaseerd, schreef men altijd g(h)i.

De drie eeuwen verschil tussen het verschijnen van enclitisch je en zelfstandig jij wordt daarmee echter niet verklaard. Enclitisch mnl. -je moet niet vergeleken worden met ghi, maar met mnl. -i in vormen als begrijpti (< *begrīpiþ-ji) = ghi begrijpet ‘u begrijpt’ en brengdi (< *brengiþ-ji) = ghi brenghet ‘u brengt’, en kan daar inderdaad de Hollandse variant van zijn, die van oudsher heeft bestaan. Pas in de 17e eeuw verschijnt dan niet-enclitisch je en de vorm jij. Hoe dit jij is ontstaan, blijft door de complete afwezigheid van duidelijke voor-17e-eeuwse schriftelijke attestaties (m.u.v. Lambrecht, zie boven) duister. Als het inderdaad in het mnl. niet bestaan heeft, is het misschien naast je ontstaan naar analogie van de klinker in de andere persoonlijke voornaamwoorden hij, zij, wij, mij.

De theorie dat enclitisch -je is ontstaan uit -di door een palatalisering: -di > -dji > -djie > dže > že > je, voorgesteld door Verdenius (1924), aangevochten door Muller (1926) en door Verdenius (1930: 116) zelf reeds opgegeven, maar nog steeds bepleit door Van der Sijs (2004: 471), moet worden afgedaan als zeer onwaarschijnlijk.

De j-vormen zijn typisch Noordzee-Germaans. Ook de objectvorm mnl. ju was oorspr. vooral Zeeuws en Hollands, zie → jou en de aldaar genoemde Engelse, Friese en Nederduitse voornaamwoorden. Zie verder onder → gij voor de verwante woorden in de overige Indo-Europese talen.

Ook na de introductie van jij en je als vertrouwde, spreektalige voornaamwoorden bleef in de schrijftaal gij de norm. Pas later tekende zich een beleefde aanspreekvorm → u af. In de 19e eeuw werd gij door deze voornaamwoorden verdrongen. Zowel spreek- als schrijftalig ging gelden: vertrouwelijk jij/je en beleefd u.

Intussen levert de behoefte om in aanspreekvormen onderscheid te maken tussen enkelvoud en meervoud een scala aan voornaamwoorden op van het soort gijlieden, gijlui, uluiden, jijlui, joului, jelie. Pas in de 20e eeuw kristalliseert zich dit in de standaardtaal uit tot een algemeen aanvaard vertrouwelijk → jullie. De beleefde vorm blijft voor enkelvoud en meervoud u.

Dit alles geldt voor het NN. In de meeste Zuid-Nederlandse dialecten is de situatie relatief overzichtelijk gebleven. Gij en de objectvorm u zijn daar nog steeds de normale vormen en kunnen zowel beleefdheid als vertrouwelijkheid uitdrukken. Ook in de algemene omgangstaal, het BN, bestaat dit systeem. Het ondervindt daar echter sterke concurrentie van het NN u/jij-systeem, in het bijzonder in formele situaties en in geschreven taal. In de Belgische jeugdliteratuur en het onderwijsmateriaal zijn gij en ge systematisch uitgebannen. In de spreektaal en de informele schrijftaal worden je, jij, gij en u zeer onsystematisch toegepast.

Lit.: A.A. Verdenius (1924), ‘De ontwikkeling der Hollande voornaamwoorden je en jij’, in: TNTL 43, 81-104; J.W. Muller (1926), ‘De herkomst van je en jij’, in: TNTL 45, 81-110; A.A. Verdenius (1930), ‘Over mogelijke spelvormen onzer j-pronominain Middelnederlandse en 17de-eeuwse taal’, in: TNTL 49, 97-125; N. van der Sijs (2004), Taal als mensenwerk, Den Haag, 469-473; J.A.M. Vermaas (2002), Veranderingen in de Nederlandse aanspreekvormen van de dertiende t/m de twintigste eeuw, Utrecht; J. Lambrecht (1550), Nederlandsche spellijnghe, Antwerpen (herdruk 1882, Gent); G.A. Vorsterman (1892), Rechtsbronnen der Stad Aardenburg, Den Haag, par. 47 en 52; P.C. Hooft (1716), Warenar, Amsterdam, herdruk Amsterdam/Antwerpen 1971, 58