4. Bijvoeglijke naamwoorden
Bijvoeglijke naamwoorden, ook adjectieven genoemd, zijn woorden als korte en schone die iets meer zeggen over een zelfstandig naamwoord. Een bijvoeglijk naamwoord bestaat uit een vast deel, de stam S, en een uitgang die veranderlijk is. Bij korte is de stam bijvoorbeeld kort, en de uitgang -e.
De uitgang van een bijvoeglijk naamwoord hangt af van het geslacht (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig) en het aantal (enkelvoud of meervoud) van het zelfstandig naamwoord waarop het betrekking heeft. We zeggen ook dat een bijvoeglijk naamwoord verbogen wordt, en noemen het overzicht van de mogelijke uitgangen van een bijvoeglijk naamwoord de verbuiging ervan.
In het Vlaams zijn er verschillende verbuigingen voor verschillende groepen bijvoeglijke naamwoorden mogelijk.
4.1 De standaardverbuiging
De meeste bijvoeglijke naamwoorden worden in het Vlaams als volgt verbogen (S is de stam van het bijvoeglijk naamwoord):
| mannelijk | vrouwelijk | onzijdig | |
| enkelvoud | S+e[n] | S+(e) | S |
| meervoud | S+(e) |
De verbuiging van kort is bijvoorbeeld de volgende:
| mannelijk | vrouwelijk | onzijdig | |
| enkelvoud | korte[n] | kort(e) | kort |
| meervoud | kort(e) |
De uitgang -e[n] in het mannelijk enkelvoud is de mannelijke uitgang die eerder besproken werd. De eind-n van deze uitgang wordt enkel uitgesproken en genoteerd wanneer het volgende woord begint met een b, d, h, t of klinker.
- ne korten dag, ne korte nacht
- ne lêlijken bril, ne lêlijke zonnenbril
- ne stommen ezel, ne stomme muilezel
Merk op dat het volgende woord niet noodzakelijk het zelfstandig naamwoord is maar ook een ander bijvoeglijk naamwoord kan zijn.
- ne grôten auto, ne grôte witten auto, ne grôten duren auto
De uitgang -(e) in het vrouwelijk enkelvoud en alle meervouden is de zwakke uitgang die ook reeds besproken werd. De eind-e van deze uitgang wordt enkel uitgesproken wanneer het volgende woord met een klinker begint.
- de volgende vraag, de volgend' oefening [dë volgënD-oefëning] → de volgende oefening
In het onzijdig enkelvoud krijgt het bijvoeglijk naamwoord geen uitgang. In het Nederlands is dat ook zo na een onbepaald lidwoord - bvb. "een wit paard" - maar niet in alle andere gevallen - bvb. "dat witte paard". In het Vlaams is er normaal nooit een uitgang - een wit paard, da wit paard - maar onder invloed van het AN wordt dikwijls toch een uitgang toegevoegd, met name na het bepaald lidwoord het - het witte paard.
4.2 De alternatieve verbuiging
Een grote groep bijvoeglijke naamwoorden kan in het Vlaams als volgt verbogen worden:
| mannelijk | vrouwelijk | onzijdig | |
| enkelvoud | S+e[n] | S | S |
| meervoud | S |
Met deze verbuiging, die we de alternatieve verbuiging zullen noemen, krijgen bijvoeglijke naamwoorden enkel in het mannelijk enkelvoud een uitgang. Het vrouwelijk enkelvoud en het meervoud hebben geen uitgang en wijken daarmee af van de standaardverbuiging.
Deze verbuiging kan toegepast worden op bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op:
- een lange klank + l/m/n/r/w: vuil, geheim, klein, duur, sluw, ...
- -el, -er, -lm en -rm: donker, gammel, proper, kalm, warm, ...
- -au(w) of -ou(w): ou, blauw, ...
- een j-klank: saai, goei (goed), ...
De alternatieve verbuiging van schoôn is bijvoorbeeld de volgende:
| mannelijk | vrouwelijk | onzijdig | |
| enkelvoud | schône[n] | schoôn | schoôn |
| meervoud | schoôn |
Het gebruik van de alternatieve verbuiging is niet algemeen. Ze komt voor in de meeste Vlaamse streektalen, met name die van Limburg, Antwerpen, Brabant en een deel van Oost-Vlaanderen (zuid en oost), maar niet in die van de rest van Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen.
In het algemeen Vlaams wordt de alternatieve verbuiging door velen gebruikt maar door vele anderen dan weer niet. Naast het regionale verschil speelt de invloed van het AN, dat maar één verbuiging kent. Wanneer de alternatieve verbuiging niet gebruikt wordt geldt gewoon de standaardverbuiging en wordt dus ook bij vrouwelijke woorden en meervouden een uitgang toegevoegd.
We spreken ons hier niet uit over wat algemener is. In afwachting van een dominante vorm of een standaard moet het individuele taalgevoel spelen. Ter illustratie tonen we daarom dezelfde voorbeelden met en zonder de alternatieve verbuiging. Zo kan de lezer zelf gemakkelijk inschatten of hij of zij zelf de alternatieve verbuiging gebruikt of niet.
- met de alternatieve verbuiging:
- (v) da's een schoôn bloes, hij heefd een klein vrouw, een goei kroeg
- (mv) ik heb vuil handen, da' zijn duur klêren, blauw mutsen, z'heefd goei punten
- met de standaardverbuiging:
- (v) da's een schône bloes, hij heefd een kleine vrouw, een goeie kroeg
- (mv) ik heb vuile handen, da' zijn dure klêren, blauwe mutsen, z'heefd goeie punten
4.3 De n-verbuiging
Wanneer een bijvoeglijk naamwoord verbogen wordt krijgt het een uitgang -e of -en. Bij sommige bijvoeglijke naamwoorden, zoals oranje en open, eindigt de stam zelf echter al op -e of -en. Deze bijvoeglijke naamwoorden krijgen uiteraard geen extra uitgangen meer, maar ze worden in de uitspraak wel verbogen in die zin dat het al of niet uitspreken van de eind-n afhangt van de gebruikelijke factoren: het geslacht en het aantal van het zelfstandig naamwoord waarop ze betrekking hebben.
De volgende tabel geeft weer wanneer de eind-n van deze bijvoeglijke naamwoorden wel of niet uitgesproken wordt:
| mannelijk | vrouwelijk | onzijdig | |
| enkelvoud | -e[n] | -e(n) | -e(n) |
| meervoud | -e(n) |
In alle gevallen geldt dus dat een eind-n uitgesproken wordt wanneer het volgende woord met een klinker begint. Wanneer het bijvoeglijk naamwoord bij een mannelijk woord hoort wordt de eind-n ook uitgesproken wanneer het volgende woord met een b, d, h of t begint.
Wanneer zullen we nu een eind-n schrijven? Als de stam van het bijvoeglijk naamwoord zonder eind-n geschreven wordt dan voegen we die eind-n toe wanneer ze uitgesproken wordt, zoals in nen oranjen auto.
Als de stam van het bijvoeglijk naamwoord wel met een eind-n geschreven wordt noteren we die eind-n altijd, ook wanneer ze niet uitgesproken wordt. We doen dit omdat woorden als open en verlegen te ongewoon zouden ogen zonder hun eind-n.
4.4 Vergelijking met het Nederlands
Het Nederlands kent maar één verbuiging, die er als volgt uitziet:
| mannelijk | vrouwelijk | onzijdig | |
| enkelvoud | S+e | S+e | S of S+e |
| meervoud | S+e |
In het onzijdig enkelvoud wordt na een onbepaald lidwoord geen uitgang toegevoegd maar in alle andere gevallen wel. Men zegt dus "een klein kind" maar "het kleine kind". Onder invloed van het Nederlands geven Vlaamssprekers het onzijdig enkelvoud soms ook een uitgang in die andere gevallen.
Forumdiscussie over
dit artikel — 42 berichten

