Losse artikels

Artikels over uiteen­lopende onder­werpen, die ni thuishoren bij een bepaalde reeks.

3. Gemeentelijke spotnamen en hun ontstaan

Gecreëerd door Krommenaas. Laatst gewijzigd op 16 februari 2012 door Doederik.

Al het onderstaande is gecopy/paste uit ne mail diê circuleert, den oorsprong is ons onbekend en we hebben niks te maken met den inhoud!

 

 

GEMEENTELIJK SPOTNAMEN en hun ONTSTAAN

Spotnamen, spotverhalen, domme gezegden en geestigheden hebben altijd bij de mensen in een hoge gunst gestaan. De mens heeft steeds heel gaarne met zijn nabuur gespot! Zulks was reeds het geval in de oudheid. Tijdens de middeleeuwen en later ging het er al even erg aan toe. De naijver en afgunst die onze gemeenten bezielden was misschien wel de hoofdoorzaak van de gegeven spotnamen. Een tweede reden waaraan het ontstaan van spotnamen te wijten is, was de afzondering van de verschillende plattelandsdorpen. Er was gebrek aan gemeenschapswegen en er waren ook geen verkeersmiddelen. Onze voorouders bleven steeds binnen de perken van hun eigen gemeente en ze kwamen zelden of nooit in contact met de bewoners van andere dorpen, zodat ze mekaar voor vreemdelingen aanzagen. Dit alles gaf aanleiding tot wederzijds wantrouwen en onderlinge vijandschap. Om met de bewoners van de nabij gelegen dorpen te schimpen, nam men alles te baat. De kleinste gebeurtenis, het minste feit, werd verdraaid, vergroot en rondgebazuind. Deze feiten lagen dan meestal aan de basis van de spotnaam. Onze voorouders waren beslist niet kieskeurig met het kiezen van hun namen. Sommige schimpnamen waren wel wat plat en realistisch. Eens de spotnaam in voege, werd deze dan overgeleverd van geslacht tot geslacht.

 

De bijnaam van de Bruggelingen is Brugse zotten. Deze bijnaam danken ze aan volgende legende: nadat ze Maximiliaan I van Oostenrijk voor een tijd gevangen hadden genomen, verbood deze het houden van een jaarmarkt en andere festiviteiten. In een poging om hem te sussen, hield Brugge voor hem een groot feest en vroeg daarna voor de toelating opnieuw een jaarmarkt te houden, belastingen te mogen innen én ... het bouwen van een nieuw zothuis. Hij antwoordde: Sluit alle poorten van Brugge en je hebt een zothuis!.

 

 

Tussen haakjes aanduiding van de provincie.

Onder de link schuilt het ontstaan van de spotnaam.

 

 

Aaigem (O): Aaigemse boeren

Aalst (L.): tijlozen

Aalst (O): ajuinen, de draaiers, voile janetten.

Aalter (O.): gekkers (= spotters)

Aarschot (B.): kasseistampers.

Aartselaar: kleiboeren.

Achterbroek (Kalmthout-Wuustwezel) (A.): kwarten

Akkergem-Gent (O.): koolkappers

Alken (L.): vliegeneters

Alsemberg (B.): trapschijters, klokluiers.

Alveringem (W): Anderlecht (B.): boeren van Sint-Wijen

Antwerpen (A.): sinjoren, pagadder.

Anzegem : gapers.

Appelterre (W): toebakboeren

Ardooie (W.): " steek de mood "

Arendonk (A.): telouwerel'ers (bordenlikkers), tsjoeker, kousenwevers.

Asse (B.): kazakken, koekenvers

Assenede (O.): kasseibijters, saluuts (= vissoort)

Avelgem (W.): ruggenaars

Averbode:

 

B

 

Baaigem (O.): rotzitters (= krot, armoede)

Baal: kiekenfretters

Baardegem (O.): varinkdorsers (= varensdorsers)

Baasrode (O.): kalfeters (in verband met scheepswerf)

Balegem (O.): haringeters.

Balen (A.): messevichters, kerkenkruiers.

Bambrugge: geitenmelkers.

Bassevelde (O): ezels

Bavegem: (toren)schijters

Bavikhove (W): bruieters

Bazel : bazelse bulten

Beaumont: de rovers van Beaumont

Beek (L.): de "gruun", Duivel verhindert man toverboek in den ove te gooien.

Beernem (W.): beren

Beerse (A.): zatlappen, paret ters

Beersel (B.): kèèsboeren, paret-ters.

Beerze (A.): brekken (= grote mieren)

Bekkerzeel (B.): broodfrèters

Bekkevoort: terpentijntrekkers.

Bellegem (W.): waterratten

Bellem (O.): papeters

Belsele (O.): klokkelappers.

Berendrecht (A.): reigers.

Beringen (L.): pintvegers (= drinkers)

Bergen-op-Zoom: krabben.

Berlare (O.): heikrekels, puitenslagers, kantgaarders.

Bertem (B.): tuisers (paardenhandelaars)

Beselare (W.): toveressen, heksen.

Bever (H.): stoefers

Beveren (A.): puitslagers.

Beveren-aan-Leie (O.): bonenklakkers

Beveren-Waas (O.): geitekoppen,puitslagers

Beverst (L.): koekenbakkers

Bilzen (L.): pootsteerters, stoepenkijkers,trotwaarlopers.

Blankenberge (W.):duinenslapers, butten, geernaarts

Bocholt (L.): torenkruiers.

Bonheiden (A.): grote mannen

Boom (A.): hondenfrètters

Boorsem: jutten

Borgloon (L.): strooplekkers,appelvreters, appelstoters, appelstokers.

Bornem (A.): boskrabbers.

Bosvoorde (B.):bezembinders .

Bouwel (A.): bladerendabbers

Bovekerke (W.): ratten

Branst (A.): vliegende geiten, zandstuivrs.

Brasschaat (A.): kapittelmakers.

Brecht (A.): mastentoppen,struiven.

Bree (L.): langoren, kwaartjeslimmers, stoepluipers.

Breendonk (A.): mëttens (jonge kalveren)

Breivelde-Grotenberge (O.): steenezels

Brugge (W.): Brugse zotten., hanze.

Burst: stro-ze(i)kers

Brussegem (B.): afkloppers

Brussel (B.): kiekenfretters, ketjes.

Brustem (L.): lijnen broeken

Buggenhout (O.): bosuilen

Buvingen (L.): lawijdmakers

 

D

 

Dadizele (W.): pompeschitters.

Daknam (O.): hottentotten.

Damme (W.): zuipers.

Deftinge (O.): raapeters

Deinze (O.): koordenmakers

Denderbelle (O.): koeien

Denderhoutem (O.): turfboeren

Denderleeuw (O.): scheepstrekkers.

Dendermonde (O.): kopvleesfretters, makeleters (= vissoort), flauzenmakers, knaptanden, polydoorkes, scheepstrekkers.

Dentergem (W.): papeters .

Dessel (A.): wolspinners, heikneuters

Destelbergen: niks bekend

Desteldonk (O.): trotters (trot = appelmoes)

Diegem (B.): marktboeren

Diepenbeek (L.): schoverik, aanjagers

Diest (B.): mosterdschijters, loterbollen

Diksmuide (W.): beutereters (= boter)

Dilbeek (B.): konijnenfretters.

Dilsen (L.): gekken

Dormaal (B.): weervolven, vuurmannen

Drogenbos (B.): kèèskrabbers

Duras (L.): slaven

Dworp (B.): bosuilen, drankstoempers.

De Haan (W.): dennelopers

De Klijte - Reningelst (W.): keien

 

E

 

Edegem (A.): afrijders, zonneblussers.

Edingen (H.): tietjes (van Jan-Baptist)

Eeklo (O.): dobbelgebakkenen, grebbeschijters, herbakkers.

Eikevliet (A): grote zwiet ze hebben een toren maar ge ziet hem niet.

Eindhout (A.): Enderste tutten

Eine (O.): wevers

Eisden (L.): bosberen

Ekeren (A.): bierpruvers.

Eksaarde (O.): blauwbuiken , witvissen

Eksel: bougezoekers

Elen (L.): vrijeleers (= twisters)

Elene (O.): dommeriken.

Elsene (B.): hondeknagers

Elversele: rostekoppen

Ename (O.): kletskoppen

Erondegem: plekkers.

Erpe (O.): palokeneters.

Erps: ezels, de heren van Erps.

Ertvelde (O.): peerdesaucieseters

Erwetegem (O.): pikkels, tekkers

Essegem (B.): Essen (A.): papeters, blazen (van vechten met varkensblazen)

Essenbeek: zoavelkoppen

Essene (B.): papeters

Etterbeek (B.): botermelkzakken

Eupen: belgier

Everbeek (H.): bosuilen, kerkuilen

Everberg: perslekkers.

Evergem (O.): taatjespapeters (= aardappelpap)

Ezemaal (B.): ezels

 

 

G

 

Gaasbeek (B.): heren .

Galmaarden (B.): Brabantse patatten .

Geel (A.): zotten

Gellik (L.): heiklieten (= vogel)

Geluwe (W.): gapers.

Genk (L.): heikneuter

Genoelselderen (L.): loerjägers

Gent (O.): stroppen (stropdragers).

Geraardsbergen (O.): giezbaargen, bergkruiers

Gestel (A.): kloonsociëteiters

Gijzelbrechtegem (W.): bezembinders

Ginglegom: groenhalzen.

Gistel (W.): hovelingen

Godveerdegem: picarren , flierefluiters.

Gooik (B.): botermelkzakken, hespendrogers, teljoorlikkers, vechters.

Goteringen: moorkrabbers

Grembergen (O.): zandeters

Grimbergen (B.): kraaischutters

Grimde (B.): hanemannen

Grote-Brogel (L.): briemsnieërs ( braamsnijders)

Grotenberge (O.): ezels, savooistekken

Grote-Spouwen (L.): kalveren

Groot-Gelmen (L.): genannen.

 

 

H

 

Haan (De) (W.): dennelopers

Haasdonk (O.): rostekoppen, kasseidieven.

Haaltert (O) stoefers, chiprioten

Halle (A.): pieren, vaantjesboeren

Halle (B.): vaantjesboeren.

Hamme (O.): wuiten , (= vogel) winten (= roetaard)

Hamont (L.): poelvulders, linnentoeters

Harelbeke (W.): scheepstrekkers, ratten

Hasselt (L.): lekkebaarders, vinstermikken,ossekoppen.

Hechtel (L.): koeketers

Heestert (W.): toveressen

Heist (W.): keuns (= konijnen), verzeilders, Heistse zwanen

Heist-op-den-Berg (A.): achterblijvers, telaatkomers.

Hekelgem (B.): hopboeren, verkens, smeerders.

Heks : heksen

Heldergem (O.): lekkers

Helen-Bos (B.): berrevoetlopers

Hemiksem (A.): niks bekend

Herderen : koeien

Herdersem: meiviskoppen, walen.

Herderen: Herent (B.): bezetenen

Herentals (A.): klokkeververs, pee stekers, nestbedervers, toefelaars, melkteilen, papscheten, papklossers, nestzitters.

Herenthout (A.): stoeters.

Herfelingen (B.): langoren

Herve: boeren

Herzele (O.): ganzenwachters, markaangasten.

Heule (W): de kouden.

Hillegem (O.): potlekkers

Hingene (A.): eters .

Hoboken (A.): strontscheppers, beerschippers

Hoeilaart (V-B): doenders , kolenbrander, eierzuiper, spekdief,stoefers

Hoelbeek (L.): heksen.

Hoestel (L.): doornkappers

Hoevenen (A.): gansrijders

Hoogstraten (A.): spilzakken .

Horpmaal (): titers.

Houthalen-Helchteren (L.): luizenverkopers

Houtvenne (A.):stekkebijters.

Hove ( A.):kèèskoppen.

Huizingen: de heren van Huizingen.

Hulste: rijstpekkers

Hulsthout (A.): vichters,torenboeren.

Humbeek (B.): brassers

 

 

I

 

Ichtegem (W.): kakkernest

Iddergem (O.): tovenaars.

Idegem (O.): zweetvoeten

Ieper (W.): kinders, het gaperke, keikoppen, kattekoppen

Impe (O.): omleegvallers.

Ingelmunster (W): brigands

Izegem (W): pekkers.

 

 

J

 

Jette (B): spiegelmannen.

 

 

K

 

Kachtem (W.): rosten.

Kalken (0.): hunkerboeren, unkerzakken, (- pap met roggebrood)

Kalmthout (A.):heikneuters.

Kanegem (W): niet-weters.

Kanne (L): witters.

Kapellen (A): randgevallen.

Kapel-op-den-Bos (B.): neusmakers

Kaprijke (O.): groeningen.

Kasterlee (A.): pompoenpapeters.

Kaulille (L.): slippendragers

Keerbeergen (B.): riemers (= messenvechters), zandjannen

Keiem (W.): keikoppen

Kemmel (W.): gapers.

Kerkom (B.): schreeuwers van den boskant

Kessenich:ertesjieters.

Kester: boenstriepers

Kiel: ratten.

Kieldrecht (O.): koutermollen

Kleine Spouwen (L.): Geiten

Kinrooi (L.): duvelskoel.

Klerken (W.): reizigers.

Klinge (De) (O.): dodden, koutermollen, lomporen, voddenrapers.

Kluizen (O.): guêrtrekkers (= slijktrekkers)

Kluisberg: valsmunsters.

Klijte (De) - Reningelst (W.): keien

Knesselare (O.): moordenaars.

Knokke (W.): Duinenslapers, Duinezeekers, Polderasten, Wulloks

Kobbegem (B.): koppigaards

Koksijde (W): brasser.

Komen (W.): drapeniers

Koningshooikt (A.): houtrovers

Koninksem (L.): saladeboers

Kortenaken (B.): kinderen

Kortenberg: waterheren.

Kortijs (L.): kappermans (drinken bier met kappers), ennebsiters

Kortrijk (W.): pastei-eters, Leiepissers,ennebiters

Krombeke (W.): bosketen

Kuurne (W.): ezels.

Kwaadmechelen (L.): krèmers

Kwaremont (O.): luizen

Kwerps: boeren.

 

 

L

 

Laar: mouton

Laarne (O.): messentrekkers , ganzendrijvers.

Laken (B.): boeren

Lanklaar (L.): zavelknuipers.

Lauw (L.): gekken

Lebbeke (O.): voddemannen

Lede (O.): hovaardige boeren.

Leeuwergem (O.): stoefers, vortzakken (= rotzakken ), dommeriken.

Letterhoutem (O.): varkens

Lembeke (O.): savooien, gapers

Lennik: strobranders, windheren.

Leut ( L.): korenmussen

Leuven (B.): pietermannen, koeienschieters

Lichtaart (A.): kwezels

Liedekerke (B.): stad Berrevoets, messentrekkers

Lieferinge (O.):beddezekers

Lier (A.): schapekoppen.

Liezele (A.): pieren

Lillo (A.): krabbenvangers

Linkebeek (B.): moeile douwers.

Lippelo (A.): gedeisterde patatten (= gestampte)

Lissewege (W.): ezelboeren

Lo-Reninge (W.): composteters

Lochem: koolhazen.

Loenhout (A.): pezeriken.

Lokeren (O.): rapenbraders.

Lombardsijde (W.): duinkeuns (= konijnen)

Lommel (L.): bezembinders, heikappers

Londerzeel (B.): kiekenpoeliers

Lot (B.): pensen, plaaggeesten

 

 

M

 

Maarheze: kattenuil.

Maaseik (L.): gapers, knapkoeketers , heksen

Machelen (B): gadeluineboeren.

Maldegem (O.): broodmessen, wildjagers

Malderen: papzakken

Malle (A.): joden.

Mariekerke (A.): de heren van Sint Amands.

Marollen: schieven architekt.

Massenhoven (A.): vliegenstovers

Mater (O.): vechters

Mazenzele (B.): bezembinders

Mechelen (A.): maneblussers.

Mechelen (L.):. muggenblussers.

Meer (A.): wringers

Meerbeek: papboeren.

Meerbeke (O.): gipsheren(= flierefluiters)

Meerdonk (O.): kletskoppen, stuifkoppen, stuifbollen..

Meerhout (A.): meerkatjes.

Meerle (A.): mastentoppen

Meeswijk (L.): briggelhanen (= brood uit onrijp koren)

Meeuwen: de alvermannekens van Meeuwen.

Mere (0.): papboeren.

Meise (B.): klotboeren

Melle (O.): dikke nekken.

Melsele (O.): pijpkens

Membruggen: waterratten

Mendonk (O.): palingstropers

Menen (W.): wagenwielvangers

Merchtem (B.): houten ballekens, theedrinkers

Merksem (A.): stroboeren.

Merksplas (A.): spalkers, spetters

Mesen (W.): dikkoppen

Messelbroek (B.): kalotten

Meulebeke (W.) Turken

Meuzegem (Wolvertem) (B.): bosuilen

Michelbeke (O.): pronkers (= spaarders)

Middelburg (O.): ketelboeters (= ketellappers)

Mielen (L.): dikkoppen

Millen (L.): snuifdozen, kattenvillers

Minderhout: papboeren

Moerbeke-Waas (O.):smeerkoeketers

Moerzeke (O.): pruimen

Mol (A.): soepbeners, sopweikers, kortoren

Molenbeek: vaartkapoen.

Molenbeersel (L.): pierenland

Moorsel (O.): boksers

Moortsele (O.): platte borzen

Mopertingen (L.): papzakken

Mortsel (A.): zotten.

Munsterbilzen (L.): kabuiskoppen (van kabuiskolen)

 

 

N

 

Namen (N.): escargots

Neeroeteren (L.): kolven (= knuppels)

Neerpelt (L.): wolvenschieters.

Nekkerspoel : mestrapers

Nevele (O.): moordenaars.

Niel (L.): kerk van Niel (betekent bij het kaartspel : kaarten zonder één " beeldeken ")

Nieuwenhove (O.): grijzers.

Nieuwenrode (B.): toekkers (= wildstropers), visfretters

Nieuwerkerken (O.): schapenkoppen, lompe boeren

Nieuwkapelle (W.): muggenblusser

Nieuwkerken (O.): schapenkoppen

Nieuwpoort. (W.): schrobben (=vissoort)

Nijlen (A.): sparrijders.

Nijvel: aclots.

Ninove (O.): wortelmannen, kaffeegieters, wortelkrabbers, steksesmannen, voddenmannen.

 

O

 

Oelegem (A.): Oelegemse brakken (= grote mieren).

Oevel: biechtstoel.

Okegem (O.): hoppewinders .

Olen: de boeren van Olen.

Onkerzele (O.): toverheksen

Oombergen (O.): gersbuikers

Oordegem (O.): polkaboeren

Oorderen (A.): karotenbuter (in verband met de teelt van cichoreiwortels)

Oostakker (O.): savooistekers.

Oosteeklo (O.): geitenpoepers

Oostende (W.): platen, pladijzen (= vissoort.), Schollen

Oosterzele (O.): groenbuiken, zeiktelen

Oostmalle (A.): joden.

Oostvleteren (W.): smouteters

Opglabbeek (L.): brouwers.

Ophem: halve wilden

Ophoven (L.): kinderen van -.

Oplinter (B.): wannessen

Oppem-Wezembeek (B.): halve wilden

Opwijk (B.): drinkers

Orsmaal (B.): engwörpers (eendenwerpers)

Ossel: bèren.

Oten (A.): (lompe) boeren

Ottergem: advocaten.

Oudegem (O.): gierigaards

Oudekapelle (W.): muggenblissers

Oudenaarde (O.): boneknagers, kiekens

Overmere (O.): smouters .

Overpelt. (L.): blazers (baanvorm van toren)

Overijse (B.): doenders (= koeksoort)

 

 

P

 

Pajottenland: kersenboeren.

Pamel: arjaunen.

Panne (De) (W.): puzzieschieters .

Park (B.): zwaantjes

Paulatem (O): Paulatemse puitenrijders.

Peer (L.): muggenblussers.

Perk (B.): wildstropers

Peutie (B.): slappe benen.

Pollare (O.): troteters (= appelmoes)

Poperinge (W.): krombenders,keikoppen, heisnijders, langoren

Poppel (A.): krombenders.

Pulderbos (A.): stokslagers

Pulle (A.): heikneutes

Putte (A.): mattenbreiers, verbrande Puttenaars

Puurs (A.): kipkapfretters .

 

 

R

 

Ramsdonk (B.): opgeslagen broeken

Ramsel (A.): poleerddabbers

Ratte: kortoren

Ravels (A.): pieren

Rekem (L.): gekken

Relegem (B.): groenvinken

Ressegem: emmers, lompe boeren van Ressegem

Retie (A.): kortoren, klaplopers.

Riemst (L.): éénwinters (= éénjarig kalf), koeien, lepkens, loerjagers

Rijkevorsel (A.): papboeren,kleidabbers.

Riksingen (L.): kersenplukkers

Rode:voetbrander

Roeselare (W.): sulferdoppers, vechters.

Rollegem (W.): bot Rollegem.

Ronse (O.): slekkentrekkers, (in verband met de Fiertel) ,zotten.

Rossem (Wolverlem) (B.): bosuilen

Ruisbroek (A.): kaballen. (oude versleten paarden)

Rummen: boeren.

Rumst (A.): lazaruskens (vereniging H. Lazarus)

Rupelmonde (O.): muggenblussers

 

S

 

Schaarbeek (B.): ezels

Schaffen: koeistetten (koeienstaarten) Scheldewindeke (O.): platte beurzen

Schellebelle (O.): maantjes (Reus heette maantje)

Schendelbeke (O.): jeneverdrinkers

Scherpenheuvel (B.): kaarskatten,kladder.

Schilde (A.): rakkers, rabauwen (vechtersbazen)

Schoonbeek: pettemboeren.

Schoonderbuken: bezembinders.

Schuiferskapelle (W.): naar S. gaan (= vertrekken)

Sinaai (O.): schinkeleters

Sint-Agatha-Berchem (B.): lastigen.

Sint-Agatha-Rode (B.): padden

Sint-Amands (A.): kipkap

Sint-Antonius: varkenskoppen

Sint-Antonius (Brecht) (A.): verkenskoppen , rakkers , houtmaaiers.

Sint-Denijs-Westrem (O.) : sint-Denijsers

Sint-Eloois-Winkel (W.): rijstkakkers.

Sint-Genesius-Rode (B.): bezembinders

Sint-Gillis (B.): kolenkappers

Sint-Gillis (O.): sprinters

Sint-Gillis-Waas (O.): eiertrappers .

Sint-Goriks-Oudenhove (O.): kraaienest, preibuiken

Sint-Huibrechts-Lille (L.): windmakers

Sint-Job-in-'t-Goor (A.): bosuilen

Sint-Joris-ten-Distel: lattenklevers.

Sint-Kattelijne-Waver (A.): (onversaagde Jan) kadodders

Sint-Kwintens-Lennik: windheren, strobranders.

Sint-Kruis-Winkel (O.): savooistekken

Sint-Kwintens-Lennik (B.): strobranders

Sint-Lennaarts (A.): leempikkers, kleipikkers

Sint-Lievens-Esse (O.): kwezels (met zwarte kousen)

Sint-Lievens-Houtem (O): broekwassers.

Sint-martens-Lennik (B): boeren

Sint-Niklaas (O.): rapenbraders, oliezekers, blauwselmannen

Sint-Pieters-Lille (A.): krawaten.

Sint-Truiden (L.): kiekeneters, bink

Stabroek (A.): ajuintrappers.

Stalhille (W.): beslagmakers

Stavele (W.): rosten

Steendorp (B.): mosterdpotten.

Steenhuffel (B.): klotboeren.

Steenokkerzeel (B.): kaasboeren.

Steendorp (O): mosterdpotten.

Stekene (O.): blauwbuiken, vechters, baanstropers

Stokkem (L.): mandenmakers

Stokrooie (L.): zo zuiver als de klater (kerkschaal) van S. (= bezit niets meer)

Strijtem (B.): waterdrinkers

 

 

T

 

Temse (O.): azijnzekers,tuysschers.

Teralfene (B.): Turken, zotten

Tergnée : vampieren.

Terhagen (A.): Potjaerkladders

Terheiden (A): torenboeren.

Ternat (B.):kalen,zomerheren, Stom Loummek, zot Wammek, kaal Ternat, 3 parochies van den hond zijn gat

Tielt (W.): lijnwadeniers.

Tienen (B.):boterpotten, kwèkers., verkensblussers .

Tisselt (A.): lijkenpikkers, raaien

Tollembeek (B.): hanezoekers .

Tongeren (L.): mussen, trullen (= ovaalvormige tarwekoekjes), trullebakkers, vlaaieters, vlaaischijters.

Torhout (W.): boffers

Tremelo (B.): zandstuivers, messentrekkers, messen-vechters, kiekenfretters.

Turnhout (A.): binken, muggenblussers

 

 

U

 

Uitbergen: teutemensen.

Uitkerke (W.): dessers (= dorsers)

Ukkel (B.): rattenfretters

Ulbeek (L.): loerjagers

 

 

V

 

Vaalbeek (B.): broodfretters

Val-meer: knabbeneire

Veldwezelt (L.): wortelzekskes, verkens

Velzeke-Ruddershove (O.): moordenaars, beneknagers, bedelaars

Verrebroek (O.): filippen, kerkschijters.

Veurne (W.): Veurnse slapers,, keikoppen

Viane (O): strontraper

Vichte (W.): zwijnkot

Vilvoorde (B.): pjeierefretters

Vinkt (O.): stinkers (Vinkt-stinkt)

Vlamertinge (W.): plaatsekraaien, brandhazen

Vlekkem (O): zop-eters

Vlezenbeek (B.): kersenboeren .

Vlijtingen (A): witte kamezollen

Vlimmeren (A.): peggers, Stad Worst.

Vollezele (B.): hengstemans (paardefokkers), boschverkens.

Voorde (O.): jeneverdrinkers, puitrijders

Voormezele (W.): paptelen

Vorst (A.): pootzakken .

Vorst (B.): hondenfretters

Vosselaar (A.): messenstekers .

Vrasene (O.): bulten

Vrijbos (Het) (W.): bosketen, buskanters (gemeenten waarover het Vrijbos zich uitstrekte)

Vroenhoven: sokkeleire

 

 

W

 

Waanrode (B.): torendraaiers.

Waardamme (W.): waaromme

Waarschoot (O.): brouweters (koeksoort), geitenpoepers

Waasmunster (O.): hespeneters

Wakken (W.): waterheren .

Waltwilder (L.): judaswilder

Wambeek (.): klaverboeren.

Wannegem-Lede (O.): kludde met zijn bellen

Watou (W.): schotters (= schutters)

Waregem (W): gèsloeties.

Weelde (A.) (zie Poppel)

Weert (A.): slijkneuzen, rogstekkers, heksen.

Welden (O.): Welle (O.): vrekken, duivetjes

Wellen (L.): bokkenrijders.

Wenduine (W.): ezels

Wervik (W)): slapers.

. Westerlo (A.): kale heren

Westmeerbeek (A.):karleespoorders.

Westrem (O.): ophangers

Westvleteren (W.): kersemoeseters

Westerlo (O.):flierefluiters.

Wetteren (O.): mosselmans, haringfretters

Wevelgem (W.): lopers

Wichelen (O.): 1) schooiers.

2) schooiers.

Wiekevorst (A.): kiekenpoten

Wieze (O.): zotten, vliegeneters

Wijnegem (A.): "aambras "-makers (twisters)

Willebroek (A.): waterratten, lijkenpikkers, vaartkapoenen.

Wilrijk (A.): geitekoppen.

Wintam (A.): kazakken .

Wingene (W.): gouden ring

Wondelgem (O.): kerremelkzekers

Wortegem (O.): penen boeren

Woubrechtegem (O.): zotten

Wulveringen (W.): zottekot

Wuustwezel (A.): hörten (= moeszeikers) .

 

 

Z

 

Zaffelare (O.): beseboten.

Zandhoven (A.): mastentoppen.

Zandvliet (A.): kieviten .

Zegelsem (O.): ponkers

Zele (O.): kloddezak.

Zellik (B.): onstuimigen

Zelzate (O.): beseboten, polkaheren

Zemse-Laar (B.): honden

Zerkegem (W.): zandlopers

Zeveneken (O.): katoenpletsers.

Zevergem (O.): tsuurkenszuipers (= halve pintjes), appelmoesfretters

Zichem (B.): heren (de heren van Zichem)

Zichen-Zussen-Bolder (L.): schildpadden

Zingem (O.): wannemakers

Zoerle-Parwijs (A.): heksen

Zoersel (A.): houtdraaiers .

Zonhoven (L.): zon

Zottegem (O.): mergelspensen, zotten, stoofmakers, beslagmakers,theezeikers, ,schoenmakers.

Zoutleeuw (B.): waterratten

Zuienkerke (W.): vlasbinders

Zutendaal (L.): (zoet)

Zwevezele (W.): paptelen

Zwijndrecht (A.): machuten.

28 reacties (recentste eêrst)
Pagina's: 1 2
Jo 11 mei 2017, 15:39
Vinderhoute (O) = bloendekappers
geert 7 april 2017, 11:46
Moorsele = Stekselgaten
Karel 20 december 2016, 19:56
Die van Scheldewindeke, zijn de groenbuiken en niet die van Oosterzele
VANDEVOORDT Roland 21 mei 2016, 05:47
GELINDEN Limburg : kattenfretters

HORPMAAL Limburg : TUITERS en niet TITERS

een tuit is een veldfles, ook bidon genaamd
Johan 28 januari 2016, 19:40
Opdorp zijn "keisdruppers" (Gehucht van Buggenhout)
Cementzakske 6 maart 2015, 01:24
Rijkevorsel zijn de Brakken, en het bijbehorende dorp, Sint-Jozef, zijn de cementzakken.
Beerse zijn de kleidabbers, niet Rijkevorsel.
lesley 24 januari 2015, 04:02
De spotnaam van Bavegem is BROEKSCHIJTERS.
Komt van een man die in de kerk stierf, en zijn grote behoefte in zijn broek deed.
Vroeger lachten we daar soms mee met de buren van Sint Lievens Houtem.
Die van Bavegem mogen in hun broek schijten, die van Houtem moeten ze toch uitwassen.
guido 4 september 2014, 19:39
het dorp poederlee staat er ook al niet tussen
De Poejelse Mollen.
daarom dat ik geen verklaring vind van deze bijnaam
knops dominique 9 augustus 2014, 23:46
Landen : borduurlopers.
peamel 19 maart 2014, 19:31
koel
zoekikop 3 januari 2014, 04:58
Kan iemand mij helpen aan de spotnamen van Kerksen, Meldert en Haaltert? Bedankt
walter egels 21 juni 2013, 07:15
en die van st genesius rode de SPAANDERBOEREN
walter egels 21 juni 2013, 07:14
in mijn jonge tijd (1950 ) werden die van ruisbroek bij brussel de TOOGPISSERS genoemd
Veerle Van Regenmoorter Dendermonde 12 maart 2013, 16:43
St Gillis/Dendermonde zijn de varkens (komt niet voor in de lijst
Tipsela 29 oktober 2012, 16:58
Zou ook interessant zijn, moest de uitspraak in oorspronkelijk plaatselijk dialect (fonetisch ?) vermeld worden. Vb. Bouwel: bloaredabbers klinkt beter dan het opgepoetste bladerendabbers of blarendabbers.
Geldt ook voor de plaatsnamen: Vb. Puijel - Poederlee, Juit - Koningshooikt ...
Doederik 16 februari 2012, 22:38
anhepast!
Depoorter Daniël 16 februari 2012, 17:14
De spotnaam van de stad Menen is niet magenwielvangers zoals in de hierboven vermelde lijst, maar wel wagenwielvangers.
Met vriendelijke groeten,
Daniël Depoorter
Ledegem
Krommenaas 6 februari 2012, 15:05
lol, kijkt misschien is naar de naam van deze site, en leest dan is het hoofdstuk over werkwoordvervoegingen (III.13.2).
Henk De Coninck 6 februari 2012, 14:52
Leer eerst Nedderlands schrijven:
Reactie geweigerd. Ge moog(d)TTTTTTT ni naar ander websites verwijzen als ge ni ingelogd zij (anti-spam).
Henk De Coninck 6 februari 2012, 14:46
Het onstaan der spotnamen waar vind ik dat ? de meeste spotnamen & ontstaan die op mijn site is omdat ik culturele cetra mailde. Blijkbaar zijn er onnozelaars die met de eer gaan lopen.
Georges Grootjans 14 september 2011, 09:21
@prophecy: De combinatie Ukkel Rattenfretters levert inderdaad geen bruikbare googlementen op. Maar Ukkel heeft wel iets met ratten blijkbaar (bv. Théâtre du Ratinet ). Ik zou via de website van Ukkel eens ter plaatse mijn licht gaan opsteken...
Doederik 13 september 2011, 20:43
@prophecy: daar wete wijle helaas niks over.


@Nozem: g'ed gelijk, 'k heb het ook efkes in de Reeks Nederlandse Dialectatlassen opgezocht en daar wordt onder Terhagen ('Traag') idd Potsjeirkladders vermeld.

Waar deze kettingbrief (daar is de informatie op deze site op gebaseerd) dat idioot "rotte-hondenfreters" haalt weet ik ook niet.
prphcy 13 september 2011, 19:02
Hallo, ik heb voor school een werkje over de bijnaam voor Ukkel "rattenfretters" nodig,maar ik kan nergens vinden over hoe ze aan die bijnaam kwamen,kan iemand mij helpen? danku!
nozem 10 september 2011, 21:52
Spotnaam voor Terhagen is "potsjeirkladders" omdat in dat (mijn) dorp al 200 jaar niks anders was dan de bak- en handsteennijverheid. Iedereen werkte op't "geleig".
Zie Piet Van Aken: Klinkaart, De onschuldige barbaren, enz.
Krommenaas 13 mei 2011, 12:10
da sta' gewoon vol fouten denk ik
Pagina's: 1 2
Reageren