7. Louis Paul Boon - De Bende van Jan de Lichte

Gecreëerd door Krommenaas. Laatst gewijzigd op 6 maart 2010.

maart 2010

 

Ik neig nu meer naar een "Vlaams light" als romantaal. In dees probeersel:

  • met, dat, wat, niet
  • gij zult, zult ge, zulde gij
  • dieë en dieën
  • geen alternatieve verbuiging

 

 

p114.

 

De garde is ondertussen echter den trap opgestormd naar de zaal, waar baron de Creyl zich moet bevinden. Vagenende, Ysenbaert en de monnik laten zich gelijktijdig met de schouder neerkomen op de dubbele deur, die krakend opensplintert. Lieven Faviel, met zijn kille ogen, Meulenaere met zijne wrede mond, en ook Anne-Marie De Clerck in de verscheurde rafels van wat een zijden hemd is geweest, volgen hen op de hielen, het dreigende pistool in de handen.

 

Het moet De Creyl een meer dan naargeestige intrede schijnen... een misplaatste grap misschien, die hij geenszins op prijs kan stellen. Misschien zou zijnen allereersten indruk er ene van verbazing zijn geweest, om dieë vieze monnik, dieë met de schouder zijn deuren komt openrammen. Om die al even zonderlinge gevangene, die met een pistool in haar handen uit zijn kelders terugkeert. Maar zijn verbazing, en meer zelfs, zijn verontwaardiging, blijven in de kiem gestikt: hier grijpt iets plaats dat hij waarlijk niet omvatten kan.

 

'Wat betekent dat allemaal?' is hij op het punt aan de monnik te vragen... Maar op dieëzelfden ogenblik valt notaris Woese in een appelflauwte. Zijn ogen rollen heen en weer, zijn handen grijpen in het ijle.

 

'Ze zijn daar, ze zijn daar!' gilt hij. En dan valt 'em gelijk een open kruis op de grond.

 

Ze zijn daar! En baron de Creyl begint maar al te duidelijk te beseffen, wie daar zijn komen binnenvallen gelijk nen hoop woeste duivels. Geen enkel wapen heeft hij bij de hand, om hen te tonen dat hij nog altijd de kasteelheer is, den heerser en gebieder over uitgestrekte domeinen. En het is dan meer in verkropte woede dan in vrees, dat hij deze hoonlachende vrouw, midden de bandieten, aanstaart.

 

Nog altijd is haar borst naakt, gelijk hij die zelf aan ieders blikken heeft prijsgegeven... geholpen weliswaar door de jonker, bijgestaan door notaris Woese..., ja, zelfs voorafgegaan door Baru. Maar het is geen prettig zicht nu, met er vlak vóór de mond van een kil pistool, dat iederen ogenblik zijn lood kan uitbraken. Zij hoonlacht. En naast haar staat de monnik, wiens kap van over het hoofd is gegleden. Naast hen staan die zwijgende mannen, met kille ogen en wrede monden.

 

En toch is De Creyl meer woedend dan verschrikt. Hij is gene lafaard, maar hij voelt zich buitengemeen bedrogen. Hij voelt zich den dwaas, dieë de hete kastanjes uit het vuur heeft gehaald voor anderen, die al deze onheilen binnen in zijn kasteel hebben gelokt en boven zijn hoofd hebben doen neerkomen.

 

Hij voelt zich bedrogen door zijn wachters, welke deze bandieten lieten binnendringen. Bedrogen door de Franse soldaten, die zijne wijn zopen en zijn vlees vraten, en hoogstwaarschijnlijk gene poot hebben uitgestoken. Hij voelt zich bedrogen door Baru zélf.

 

En ja, waar is 'em nu, dieën Baru? En rondkijkend plots, naar alle kanten, kan hij Baru met geen ogen meer ontdekken.

 

'Mij in de doeken gedraaid, dat heeft hij!' schreeuwt De Creyl. 'Ha, de vuilbek, met zijne praat over d'onkreukbaarheid van het gerecht, en d'onversaagdheid in de plicht. Ha, de hansworst met zijn dreigend opgerichte moustache, gelijk het masker van ne carnavalszot. Mij mijn rechtmatige prooi ontlokt, dat heeft hij... en mij in het uur van het gevaar in de steek gelaten, dat heeft hij ook! Waar is nu de minister van politie? Waar zijn nu die vreemde ratten van Franse soldaten?'

 

En hij slaat de in woede gebalde vuist op tafel neer, zodat de erover verspreid liggende voorwerpen met ne schok opwippen. Ne met wijn gevulden beker, en ook nen inktkoker met een ganzepen springen op. Den inktkoker valt zelfs om, en zijne zwarten inhoud stroomt over het tafelblad uit, om met een straaltsje in de vloer terecht te komen. In de vloer, ja... ware het niet dat notaris Woese juist op deze plek in zijn appelflauwte ligt uitgestrekt, en de zwarte straal over het bleek gelaat krijgt.

 

Hij moet er in zijn woede nog om lachen, baron De Creyl. En ook de monnik moet vechten tegen zijnen opkomende lach. En ondanks alles, ondanks de wraak die zij op deze kasteelmeneer nemen wil, moet ook Anne-Marie de Clerck lachen. Alleen Vagenende kan nu op dezen ogenblik, of op gelijk welken anderen ogenblik, met zulke dingen niet lachen. Hij is ne vent zonder humor. Ge hebt zulke mensen. En hij vraagt alleen maar aan baron de Creyl wanneer hij nu eindelijk gaat afdokken.

 

'Afdokken?' Baron de Creyl staart hem met nadenkend gefronst voorhoofd aan.

 

'Jawel, afdokken! Of peinst ge dat we hier nog eens zijn binnengekomen om u ne goeienavond te wensen? Afdokken zult ge, en genoeg!'

 

En Vagenende slaat op zijn beurt op tafel.

 

Neen, nu wordt De Creyl paars. Dit is het toppunt... te moeten beseffen dat hij nu ook nog gaat uitgeschud worden, gelijk den eerste den beste van zijn stomme boeren al werd uitgeschud. En nog even poogt hij dit nieuwe onheil te bezweren, tracht hij de naam van Baru als bliksemafleider te gebruiken. Baru is van alles de schuld. Hij is het die hun gezellin naar zijn kasteelke heeft doen brengen, hij is het die haar naar den toren van Aelst wou doen overbrengen. Hij is de nietsontziende schurk dieë hem, De Creyl, gelijk nen bloedzuiger het laatste goudstuk uit de zakken komt halen. En hij wil nog verder uitweiden, over de steeds zwaardere belastingen, de decreten, de...

 

Voor Vagenende tellen echter geen woorden. Woorden zijn geen oorden.

 

'Wij vragen u niet naar uw praatsjes, oude gek!' zegt hij. 'We vragen u naar uw geld.'

 

Maar het is niet die brutale onderbreking die indruk op De Creyl maakt, het zijn veel meer die kille ogen die hem ondertussen aanstaren. Het zijn vissenogen. Het zijn ogen die ieder menselijk woord nutteloos en overbodig maken.

 

'Ik heb geen geld,' stamelt De Creyl, in een laatste poging er zo goedkoop mogelijk vanaf te komen.

 

En dieëzelfden ogenblik krijgt hij reeds een gaap van Vagenende's mes, over de ganse lengte van zijn gelaat. Het is niet diep, het snijdt alleen de huid open.

 

'Ik zal u eens het teken des kruises leren maken!' zegt Vagenende. En nu lacht hij... ne kille grijns, dieën aantonen wil dat ook hij over humor beschikt, maar over een heel andere soort.

 

Baron de Creyl voelt ontzet aan de lange gaap over zijn aangezicht, waar reeds hier en daar een druppelke bloed begint uit op te wellen. En ook notaris Woese, dieë stilaan terug bij kennis kwam, staart die witte streep aan, en valt dadelijk terug in zwijm.

 

De Creyl heeft geen kruis nodig. Hij tracht zo haastig mogelijk in gindsen hoek een kast te bereiken, waaruit hij de gevraagde goudstukken delven gaat... maar nog vlugger is Meulenaere om hem de pas af te snijden en die kast open te breken. Het is, ondanks de zopas uitgebrachte uiteenzetting van zijnen treurigen toestand, ondanks de slechte tijden, den hongersnood en de veeleisendheid der troepen, ne schone som te noemen.

2 reacties
Krommenaas 6 maart 2010, 16:37
foutsje! fixed
elvisrules 6 maart 2010, 16:34
Ik zul?
Reageren