Algemeen Vlaams

Deze site is nog in vollen opbouw. Den boomstructuur hieronder word geleidelijk uitgebouwd op basis van onze discussies in de forums - komd gerust meediscussiŰren!
I. Beschouwingen
II. Spelling en uitspraak
III. Grammatica
IV. Woordenschat
V. Teksten

2. Algemene Vlaamse woorden

GecreŰerd door Krommenaas. Laatst gewijzigd op 19 september 2013 door Grytolle.

We verzamelen hier woorden waarvan we aannemen dat ze in heel Vlaanderen gebruikt worden, maar die...

 

  • (GN) helemaal niet tot het Nederlands behoren

 

  • (VD) in Van Dale als "Belgisch - niet algemeen" of "Belgisch - informeel" gebrandmerkt staan

 

  • (MW) door Hollandsminnende Vlamingen als minderwaardig beschouwd worden omdat ze niet tot het Hollandse taalgebruik behoren

 

Uiteraard zijn alle woorden die het Vlaams met het Nederlands deelt ook Vlaamse woorden, maar minder interessant om op te sommen.

 

De lijst is verre van volledig en bevat ongetwijfeld woorden die er niet in thuis horen. Uw commentaren zijn meer dan welkom op het Woordenschat-forum.

 

(todo: bij elk woord markeren om welk van de drie bovenstaande gevallen het gaat)

 

' (weglatingsteken)

  • 'em = ie (hij)
  • 'k = ik
  • 'kik = ik

 

A

  • afbollen, het ~ = weggaan
  • afkomen = langskomen
  • afkomen, ~ meh = komen aanzetten met
  • afluizen = afbedelen
  • afslag = prijsverlaging
  • ajuin (m.) = ui
  • allee (m.) = overloop
  • alleman = iedereen
  • ambetant = vervelend
  • ambeteren = lastigvallen
  • appelsien (v./m.) = sinaasappel
  • appelsiensap (o.) = sinaasappelsap

 

B

  • bak, den ~ = de gevangenis
  • bakkes (o.) = smoel
  • bangelijk = geweldig
  • bedot (m.) = verstoppertje
  • bijlange ni = helemaal niet
  • beuzelen = liegen
  • beuzelaar (m.) = leugenaar
  • beziens, ~ hebben = bekijks hebben
  • beŕstig = geweldig
  • binnendoen = tongzoenen
  • binnendraaien = tongzoenen
  • bleiten = huilen
  • bleiter (m.) = huilebalk
  • blotte (m.) = kaalkop
  • blottekop (m.) = kaalkop
  • boecht (m.) = walgelijke drank
  • boefer (m.) = beroepsmilitair
  • boeleke (o.) = baby
  • boeregat (o.) = dorp
  • boke (o.) = boterham
  • bomma (v.) = oma (VD)
  • bompa (m.) = opa (VD)
  • bot (v./m.) = laars
  • beuzze, ~ geven = gas geven
  • broebelen = spreken
  • broekschijter (m.) = angsthaas
  • brosser (m.) = spijbelaar
  • buis (v.) = onvoldoende score op een test
  • buitewipper (m.) = uitsmijter
  • buizen = onvoldoende halen
  • buskot (o.) = bushok

 

C

  • cervela (m.) = cervelaatworst
  • chapeluur (v.(m.)) = paneermeel
  • chappen = ondervloer leggen
  • confituur (v.(m.)) = jam

 

D

  • da's = dat is
  • daarjuist = zonet (GN)
  • deb (m.) = onnozelaar
  • debardeureke (o.) = gilet
  • den = de
  • der = er
  • dikkels = vaak
  • dop (m.) = werkloosheidsuitkering
  • doppen = stempelen
  • draagberrie (v.) = brancard
  • driepikkel (m.) = driepoot
  • dro˘gzwierder (m.) = centrifuge
  • dutske (o.) = sukkeltje

 

E

  • echtig = echt
  • efkes = even
  • eforreke (o.) = kleine inspanning
  • ek = ik
  • ekik = ik

 

F

  • feitelijk = eigenlijk
  • flessen = onvoldoende halen
  • flik (m.) = politieagent
  • floeren = fluwelen
  • foefelen = sjoemelen
  • foefelaar = sjoemelaar
  • foert ~ bekijk het maar, je kunt de pot op
  • fo˘r (v.) = jaarlijks gehouden kermis
  • frank = brutaal (VD)
  • Frans bro˘d (o.) = stokbrood
  • frak (m.) = jas
  • freetzak (m.) = veelvraat
  • frigobox (m.) = koelbox
  • frisco (m.) = ijsco op een stokje
  • frietkot (o.) = patatkraam
  • fusee (m.) = vuurpijl

 

G

  • garšon (m.) = kelner (VD)
  • gast (m.) = kerel
  • gazet (v.) = krant
  • ge = je (VD)
  • gebroebel (o.) = gestamel
  • gedacht (o.) = mening, gedachte
  • gemak (o.) = toilet
  • geraken = raken (VD)
  • geire/gere = graag
  • gij = jij (VD)
  • goesting (v.) = zin
  • griet = meisje

 

H

  • hoerekot (o.) = bordeel
  • hof (m.) = tuin
  • hutsepot (m.) = stamppot

 

I

  • inkom (m.) = toegang
  • is = eens

 

J

  • jonkheid (v.) = jeugd

 

K

  • kabas (m./v.) = boodschappentas
  • kakkendoor (m.) = WC-stoel
  • kalot (v.) = muts
  • kapstok (m.) = kleerhanger
  • karottentrekker (m.) = komediant
  • kastrol (v./m.) = kookpot
  • katteke (o.) = tikkertje
  • kazakkendraaier (m.) = overloper
  • keren = de vloer borstelen (GN)
  • kurieus = nieuwsgierig
  • kurieuzeneus (m.) = nieuwsgierigaard
  • kieke (o.) = kip
  • klak (v.) = pet (VD)
  • klappen = praten
  • klappeke (o.) = babbel
  • klein mannen = kinderen
  • kleine (m.) = zoon, kind
  • kletskop (m.) = kaalkop
  • kleŕd (o.) = jurk
  • kloef (m.) = klomp
  • kloefkapper (m.) = lomperd
  • koeion (m.) = pestkop
  • koer (v.) = binnenplaats
  • koleriek = driftig
  • kolerig = razend
  • kop (m.) = hoofd
  • kopkussen (o.) = hoofdkussen
  • kost = kon (OVT van kunnen)
  • kot (o., koten) = studentenkamer
  • kotmadam (v.) = hospita
  • kozijn (m.) = neef
  • krabber (m.) = knoeier
  • krak (m.) = uitblinker
  • kraantsjeswater (o.) = leidingwater
  • kuisen = schoonmaken
  • kuisvrouw (v.) = schoonmaakster
  • KW (m.) = regenjas
  • kwistenbiebel (m.) = hansworst

 

M

  • m'neigen = mezelf
  • makak (m.) = racistisch scheldwoord voor kleurlingen
  • marcelleke (o.) = onderhemdje
  • matrak (v./m.) = wapenstok, knuppel
  • max, de ~ = het summum
  • mem (v.) = borst
  • metsen = metselen
  • metser (m.) = metselaar
  • moemoe (v.) = oma
  • mo˘r (m.) = fluitketel
  • mottig = onwel, lelijk (GN)
  • motto (m.) = motorfiets
  • muizestrontsjes (mv.) = hagelslag

 

N

  • natie (v.) = veem (VD)
  • ne = een
  • neffe = naast
  • nen = een
  • nijpen = knijpen
  • nikske = niets
  • nonkel (m.) = oom (VD)

 

O

  • omzeggens = vrijwel, nagenoeg, haast, zo goed als (VD, MW)

 

P

  • parlefoon (m.) = deurtelefoon
  • pas (m.) = identiteitskaart
  • patat (m.) = aardappel
  • pee (m.) = kerel
  • peizen = denken
  • pekelteef (v.) = kreng
  • pezewever (m.) = muggenzifter
  • pijpajuin (m.) = stengelui
  • pikkel (m.) = poot
  • pikkelen = hinken (VD)
  • pile (v.) = batterij
  • pilarenbijter (m.) = fanatieke katholiek
  • pinken = knipperen
  • pinker (m.) = richtingaanwijzer, knipperlicht
  • pinklicht (o.) = richtingaanwijzer, knipperlicht
  • pispot (m.) = pot om in te urineren
  • pissijn (o.) = urinoir
  • pitsen = knijpen
  • plaaster (m.) = gips, pleisterkalk (VD)
  • plattekaas (m.) = kwark
  • poep (v.) = achterwerk (VD)
  • poepen = neuken (VD)
  • poepchic = heel chic
  • pompaf = bekaf (VD)
  • p˘teren = valsspelen
  • po˘tsjelap, ~ zetten = voetje lichten
  • pol (m.) = hand
  • politieker (m.) = politicus
  • pree (v.) = loon

 

R

  • rap = snel (MW)
  • reclameren = klagen (VD)
  • rekker (m.) = elastiek
  • reklammeke (o.) = reclamefoldertje
  • renneweren = stuk maken
  • resem = reeks (VD)
  • rieken = ruiken (VD)
  • rien-de-knots = niets
  • rijven = harken
  • roos (bn) = roze
  • root (v.) = rij

 

S

  • saf (m.) = sigaret
  • saflet (v.) = oorvijg
  • sacoche (v.) = handtas
  • schab (o.) = schap
  • schabelleke (o.) = voetbankje
  • scheel (v.) = deksel
  • schel (v.) = plak
  • schellen = schillen
  • schoelle (m.) = mannelijk uitschot
  • scho˘n = mooi
  • schuif (v.) = lade
  • schuifaf (m.) = glijbaan
  • schup (v.) = spade (GN)
  • schuppen = schoppen (in kaartspel)
  • schuppen = graven (GN)
  • schuppes, ~ zijn = weg
  • selder = selderie (VD)
  • seut (m.) = sukkel
  • sjampetter (m.) = veldwachter
  • sjarel (m.) = piemel
  • sleffen = slenteren
  • sleffer (m.) = pantoffel
  • sloeber (m.) = rakker
  • sloef (m.) = pantoffel
  • slo˘r (v.) = slons
  • sloppel = slaapwel
  • smos (m.) = broodje gezond
  • smoske (o.) = broodje gezond
  • smossen = morsen
  • snok = ruk (GN)
  • snokken = rukken (VD)
  • snotvalling (v.) = verkoudheid
  • solden (mv.) = seizoenopruiming, uitverkoop, koopjes
  • sos (m.) = socialist
  • speken = spugen (GN)
  • spouwen = braken
  • stekkedo˘s (v.) = luciferdoosje
  • stekske (o.) = lucifer
  • stinkpatÚkes (mv.) = stinkvoeten
  • stoefen = opscheppen
  • stoof (v.) = kachel
  • stratjee (m.) = straathond (stratier)
  • stuiken, in elkaar ~ = ineenstorten (VD)
  • suske (o.) = lieveling

 

T

  • tas (v.) = kop
  • tegeneŕn = tegen elkaar
  • tet (v.) = borst
  • tipmachine (v/o) = typemachine
  • tippen = typen
  • tiret (v.) = ritssluiting
  • tist (m.) = rare vent
  • toep (m.) = joint
  • toespijs (v.) = broodbeleg
  • trekken, ~ op = lijken op
  • trekzak (m.) = accordeon
  • trezebees (v.) = onbenul
  • tristig = droevig
  • troep (m.) ~ = leger
  • tsjeef (m.) = christendemocraat
  • tsjoep (m.) = dop
  • tutter (m.) = fopspeen

 

U

  • uweigen = jezelf

 

V

  • vaak (m.) = slaap
  • valies (v.) = koffer
  • valling (v.) = verkoudheid
  • vaneigens = uiteraard
  • verdiep (o.) = verdieping
  • verkeŕrde (m.) = homo
  • verleden = vorige
  • verho˘g (o.) = podium (VD)
  • verschieten = schrikken
  • vijs (v.) = schroef
  • vleŕsklak (v.) = kaal hoofd
  • vlo/velo (m.) = fiets
  • vossen = neuken (GN)
  • vuilschuif (v.) = vuilniskoker
  • vureke stook, ~ doen = vuurtje stoken

 

W

  • wafelenbak (m.) = wafelfestijn (VD)
  • weeral = alweer
  • witteke (o.) = jenevertje

 

Z

  • z'neigen = zich
  • zabberen = zuigen
  • zagen = zeuren (VDB)
  • ziekekas (v.) = ziekenfonds
  • zjanet (v.) = homo
  • zoo (m.) = dierentuin
  • zoologie (v.) = dierentuin
  • zuiders = zuidelijk van sfeer, gevoel, mentaliteit (VD)
  • zwanzen = gekscheren

Forumdiscussie over dit artikel — 25 berichten
Verwijzingen naar dit artikel: