4. Kim Stanley Robinson - De jaren van rijst en zout
Kim Stanley Robinson - The years of rice and salt
Vertaling uit het Engels, p255 van de paperback. De Chinese zeeman Kheim en het Indiaanse meisje Vlinder zijn door Inca's gevangen genomen en worden meegevoerd naar nen bergtop.
Versie 1
Diene nacht was ijzig koud. Kheim hield Vlinder weer in z'n armen, en elke keer da ze zich verroerde wier 'em wakker. Heur ademhaling leek soms te stoppen, maar begon elke keer toch terug opnieuw.
Bij zonsopgang wieren ze wakker gemaakt, en Kheim was blij dat 'em weer heten thee kreeg, gevolgd door een stevige maaltijd en meer van de groene bladsjes om op te kauwen; alhoewel die laatsten hen gegeven werden door den beulgod.
Ze begonnen de flank van de vulkaan te beklimmen terwijl het nog een grijze sneeuwhelling onder ne witten ochtendhemel was. D'oceaan in het westen was bedekt door wolken, maar die begonnen uiteen te drijven, en het groot blauw vlak strekte zich daar ver, ver in de diepte onder hen uit.
Het wier kouder naarmate ze verder stegen, en moeilijk om te klimmen. De sneeuw was broos onder hun voeten, en ijzige stukskes ervan kraakten en glinsterden. De sneeuw was extreem helder maar al de rest te donker: de lucht blauwzwart, de rij mensen wazig. Kheim's ogen traanden, en de tranen voelden koud aan op zijn wangen en in zijn dunne grijze snor. Hij liep almaar door, zijn voeten zorgvuldig in de voetstappen van de bewakers voor hem plaatsend terwijl hij ongemakkelijk achter zich reikten om Vlinder's hand vast te houden en haar voort te trekken.
Eindelijk, nadat 'em al een tijdsje vergeten was om omhoog te kijken, ni langer verwachtend dad et uitzicht zou veranderen, begon de helling te minderen. Zwarte rotsen verschenen, links en rechts van hen uit de sneeuw stekend, en vooral voor hen, waar hij niks hogers meer kon zien.
Het was inderdaad den top: een uitgestrekte, verwarde woestenij van rotsen vermengd met ijs en sneeuw. Op het hoogste punt van de misvormde massa staken enkele palen omhoog, waaraan stoffen linten en vlaggen wapperden gelijk in de bergen van Tibet. Misschien waren deze mensen dus Tibetanen.
De priester, den beulgod en de bewakers verzamelden aan de voet van deze rotsen. De twee kinderen wieren naar de priester gebracht, terwijl de bewakers Kheim heel den tijd in bedwang hielden. Hij stapten achteruit alsof hij het opgaf en stak z'n handen onder z'n deken alsof ze koud waren, hetgeen ook zo was; ze tastten onhandig als ijsklompen naar de kolf van zijn pistool. Hij spande den trekker en haalde het wapen onder zijne mantel uit, waarna het enkel nog door het deken verborgen wier.
De kinderen kregen meer heten thee, dië ze gewillig opdronken. De priester en zijn handlangers zongen met hun gelaat naar de zon gericht en roffelden op trommels, in de maat met het pijnlijke gebons achter Kheim's halfblinde ogen. Hij had ne zware koppijn, en alle dingen zagen eruit als hun eigen schaduwen.
Beneden op de met sneeuw bedekte richel klommen kleine figuren snel omhoog. Zij waren getooid met de lokale dekens, maar Kheim bedacht da z'op I-Chen en zijn manschappen leken. Zij wieren achtervolgd door nog nen andere groep figuren, ver beneden hen.
Kheim's hart was al hard aan 't kloppen geweest; nu roffelde het in zijn binnenste gelijk de ceremoniële trommels. Den beulgod nam een gouden mes uit een zorgvuldig uitgesneden houten schede en sneed de keel van de jongen over. Het bloed ving 'em op in een gouden kom, waarin het lag te stomen in de zon. Begeleid door de trommels en fluiten en gezongen gebeden wier het lichaam in ne mantel van zachte geruite stof gewikkeld en zachtsjes op den bergtop neergelegd, in een spleet tussen twee grote rotsblokken.
Den beulgod en de priester keerden zich vervolgens naar Vlinder, die zich tevergeefs probeerde los te rukken. Kheim haalde zijn pistool te voorschijn vanonder zijn deken, keek de vuursteen na, en mikte dan met twee handen op den beulgod. Hij riep iets en hield zijnen adem in. De bewakers kwamen op hem af terwijl den beul hem aankeek. Kheim haalde den trekker over en het pistool knalden en rookten en hij wier twee stappen achteruit gestoten. Den beulgod vloog achteruit en gleed over een stuk besneeuwde grond terwijl bloed uit zijn keel gutste. Het gouden mes viel uit zijn open hand.
Alle toeschouwers staarden geschokt naar den beulgod; ze wisten ni wat er gebeurd was. Kheim hield zijn pistool op hen gericht terwijl hij in zijn gordeltas naar kruit, aanstamper en kogel graaide. Hij herlaadde zijn pistool terwijl zij toekeken en riep hen eên of twee keer scherp toe zoda ze terugschrokken.
Zogauw zijn pistool herladen was richtte hij het op de bewakers, die achteruit deinsden. Sommigen vielen op hun knieën, anderen wankelden achterover. Hij zag I-Chen en zijn matrozen door de sneeuw op de laatste helling omhoog zwoegen. De priester zei iets, en Kheim richtte zijn pistool zorgvuldig op hem en schoot weer.
Opnieuw de luide knal van d'ontploffing, gelijk nen donderslag in het oor, en opnieuw de sliert witte rook dien uit het pistool spoot. De priester vloog achteruit alsof hij ne slag had gekregen van een gigantische, onzichtbare vuist. Hij stuikten ineen en bleef kronkelend in de sneeuw liggen, zijne mantel bevlekt met bloed.
Kheim haastte zich door de rook naar Vlinder. Hij trok haar weg van haar bewakers, die als verlamd stonden te sidderen, en droeg haar in z'n armen langs het pad naar beneden. Ze was maar half bij bewustzijn, waarschijnlijk had den thee haar verdoofd.
Hij kwam bij I-Chen, dië hijgend en stotend op kop van de bende matrozen liep. Ieder lid van de groep was gewapend met geweer, pistool en musket. "Terug naar de schepen", beval Kheim. "Schiet iedereen dien in de weg sta overhoop."
Versie 2
Veranderingen na feedback lotte:
- geen -en voor werkwoordvormen enkelvoud
- dië → dieje
- diene → dieje
- zelf wa aanpassingen aan formuleringen
Dieje nacht was ijzig koud. Kheim hield Vlinder weer in z'n armen, en elke keer da ze zich verroerde wier 'em wakker. Heur ademhaling leek soms te stoppen, maar begon elke keer toch weer opnieuw.
Bij zonsopgang wieren ze wakker gemaakt, en Kheim was blij dat 'em weer heten thee kreeg, gevolgd door een stevige maaltijd en meer van de groene bladsjes om op te kauwen, alhoewel die hen gegeven werden door den beulgod.
Ze begonnen de flank van de vulkaan te beklimmen terwijl de sneeuwhelling nog grijs onder de witten ochtendhemel lag. D'oceaan in het westen wier bedekt door wolken, maar die begonnen uiteen te drijven en het groot blauw vlak strekte zich daar ver, ver in de diepte onder hen uit.
Het wier kouder naarmate ze verder stegen, en moeilijk om te klimmen. De sneeuw was broos onder hun voeten, en ijzige stukskes ervan kraakten en glinsterden. De sneeuw was extreem helder maar al de rest te donker: de lucht blauwzwart, de rij mensen wazig. Kheim's ogen traanden, en de tranen voelden koud aan op zijn wangen en in zijn dunne grijze snor. Hij liep almaar door, zijn voeten zorgvuldig in de voetstappen van de bewakers voor hem plaatsend terwijl hij ongemakkelijk achter zich reikte om Vlinder's hand vast te houden en haar voort te trekken.
Eindelijk, nadat 'em al een tijdsje vergeten was om omhoog te kijken, ni langer verwachtend dad et uitzicht zou veranderen, begon de helling te minderen. Zwarte rotsen verschenen, links en rechts van hen uit de sneeuw stekend, en vooral voor hen, waar hij niks hogers meer kon zien.
Het was inderdaad den top: een uitgestrekte, verwarde woestenij van rotsen vermengd met ijs en sneeuw. Op het hoogste punt van de misvormde massa staken enkele palen omhoog, waaraan stoffen linten en vlaggen wapperden gelijk in de bergen van Tibet. Misschien waren deze mensen dus Tibetanen.
De priester, den beulgod en de bewakers verzamelden aan de voet van deze rotsen. De twee kinderen wieren naar de priester gebracht, terwijl de bewakers Kheim heel den tijd in bedwang hielden. Hij stapte achteruit alsof hij het opgaf en stak z'n handen onder z'n deken alsof ze koud waren, hetgeen ook zo was. Ze tastten onhandig als ijsklompen naar de kolf van zijn pistool. Hij spande den trekker en haalde het wapen onder zijne mantel uit, waarna het enkel nog door het deken verborgen wier.
De kinderen kregen meer heten thee, dieje ze gewillig opdronken. De priester en zijn handlangers zongen met hun gelaat naar de zon gericht en roffelden op trommels, in de maat met het pijnlijke gebons achter Kheim's halfblinde ogen. Hij had ne zware koppijn, en alle dingen zagen eruit als hun eigen schaduwen.
Beneden op de met sneeuw bedekte richel klommen kleine figuren snel omhoog. Zij waren getooid met de lokale dekens, maar Kheim bedacht da z'op I-Chen en zijn manschappen leken. Zij wieren achtervolgd door nog nen andere groep figuren, ver beneden hen.
Kheim's hart was al hard aan 't kloppen geweest, maar nu roffelde het in zijn binnenste gelijk de ceremoniële trommels. Den beulgod nam een gouden mes uit een zorgvuldig uitgesneden houten schede en sneed de keel van de jongen over. Het bloed ving 'em op in een gouden kom, waarin het lag te stomen in de zon. Begeleid door de trommels en fluiten en gezongen gebeden wier het lichaam in ne mantel van zachte geruite stof gewikkeld en zachtsjes op den bergtop neergelegd, in een spleet tussen twee grote rotsblokken.
Den beulgod en de priester keerden zich vervolgens naar Vlinder, die zich tevergeefs probeerde los te rukken. Kheim haalde zijn pistool te voorschijn vanonder zijn deken, keek de vuursteen na, en mikte dan met twee handen op den beulgod. Hij riep iets en hield zijnen adem in. De bewakers kwamen op hem af terwijl den beul hem aankeek. Kheim haalde den trekker over en het pistool knalde en rookte en hij wier twee stappen achteruit gestoten. Den beulgod vloog achteruit en gleed over een stuk besneeuwde grond terwijl bloed uit zijn keel gutste. Het gouden mes viel uit zijn open hand.
Alle toeschouwers staarden geschokt naar den beulgod; ze wisten ni wat er gebeurd was. Kheim hield zijn pistool op hen gericht terwijl hij in zijn gordeltas naar kruit, aanstamper en kogel graaide. Hij herlaadde zijn pistool terwijl zij toekeken en riep hen eên of twee keer scherp toe zoda ze terugschrokken.
Zogauw zijn pistool herladen was richtte hij het op de bewakers, die achteruit deinsden. Sommigen vielen op hun knieën, anderen wankelden achterover. Hij zag I-Chen en zijn matrozen door de sneeuw op de laatste helling omhoog zwoegen. De priester zei iets, en Kheim richtte zijn pistool zorgvuldig op hem en schoot weer.
Opnieuw de luide knal van d'ontploffing, gelijk nen donderslag in het oor, en opnieuw de sliert witte rook dien uit het pistool spoot. De priester vloog achteruit alsof hij ne slag kreeg van een gigantische, onzichtbare vuist. Hij stuikte ineen en bleef kronkelend in de sneeuw liggen, zijne mantel bevlekt met bloed.
Kheim haastte zich door de rook naar Vlinder. Hij trok haar weg van haar bewakers, die als verlamd stonden te sidderen, en droeg haar in z'n armen langs het pad naar beneden. Ze was maar half bij bewustzijn, waarschijnlijk had den thee haar verdoofd.
Hij kwam bij I-Chen, dië hijgend en stotend op kop van de bende matrozen liep. Ieder lid van de groep was gewapend met geweer, pistool en musket. "Terug naar de schepen", beval Kheim. "Schiet iedereen diejen in de weg sta overhoop."