2. Maryse Condé - Ségou

Gecreëerd door Krommenaas. Laatst gewijzigd op 10 december 2009.

Ségou is nen historische roman over het 19e-eeuwse Mali. Dees is geen echte vertaling maar een omzetting van de Nederlandse vertaling naar de grammatica van m'n Vlaamse romantaal, met alleen hier en daar een ander woordkeuze.

 

 

Hoofdstuk 3, p151-155

Tiékoro klapten in z'n handen en z'n leerlingen stoven met hun suman-plankskes onder den arm uiteen. Hij had er ni veel, een stuk of vijftien, allemaal uit dees arm buurt; sommige van hun ouders konden hem nog geeneens vergoeden. Eigenlijk stond het Tiékoro tegen geld te moeten vragen voor elementair religieus onderricht. Hij wilde ni op nen bedelmaraboet lijken, maar hij kon de zorg voor het levensonderhoud van zijn gezin ni aan Nadié overlaten. Wanneer zijn pupillen hem geen kauri's konden meebrengen nam hij genoegen met gierst, rijst of gevogelte.

 

Had em hiervoor zo lang gestudeerd? Om in een zanderig hoekske van dees enge binnenplaats onder ne luifel aan een handvol bengels les te geven? In dees huis dad alleen het hoogstnoodzakelijke bood? Hij had aan d'universiteit willen doceren, maar da was hem geweigerd. Evenmin was hij voor imam, kadi of moëddzin geschikt bevonden. Hij had alleen een schooltsje mogen openen da van den dina geen enkel toelagen ontving, en moest met het schoolgeld zien rond te komen. Was hij soms genen doctor in de theologie en d'Arabische taalkunde? Waarom dan al da wantrouwen? Waarom werd hij uit de kring van de geletterden geweerd? Hij was nen Bambara, da was de reden. In Djenné werden de Bambara door de Marokkanen, de Peul en de Songhai geminacht en gehaat. Ze droegen de schandvlek van hunne fetisjistischen afkomst met zich mee, gelijk ne gelovigen et stof op z'n voorhoofd. Niettemin had Tiékoro het gevoel dat de religie maar een voorwendsel was, da dees misprijzen en dezen haat op iets anders gericht waren. Maar wa?

 

Hij stak z'n bidsnoer in z'ne zak, stond recht, streek z'nen boeboe waar wa stropijltsjes aan hingen glad, en ging naar huis. Het gilde van de bari of metselaars uit Djenné was wijdvermaard van Gao tot Ségou, door heel den Tekroer en zelfs tot in de Maghreb. De bari zouden hun bouwkunst hebben geleerd van ne zekere Malam Idriss die vele jaren geleden uit Marokko was gekomen en had meegewerkt aan den bouw van de paleizen van d'askia's en mansa's en van de madoegvu voor d'hoofden van de vooraanstaande families. Uit de kleigrond van de podo, die ze soms met fijngestampte oesterschelpen vermengden, vervaardigden de bari lichte en toch duurzame bakstenen die tegen de slechtste weersomstandigheden bestand waren. Helaas woonde Tiékoro ni in een huis dat door eên van deze meesters was gebouwd. In den Djoboro-wijk had em een tweekamerwoning met als enigen huisraad wa dekens, matten en taboeretsjes, en een binnenplaats vol hoenderen, geiten en allerlei keukengerei. Het was een rijhuizeken in een lange, smalle, slecht geplaveide straat. Iedere keer da Tiékoro het zag kreeg em er hartzeer van. Waarom ni teruggaan naar Ségou?

 

Daarvoor was em te veeleisend. Als em dat deed zouden zijn bereisdheid, zijne kennis van vreemde talen en zelfs z'n bekering tot den islam - diene magische godsdienst - hem zo'n prestige verlenen dad hij zonder veel moeite voor ne notabele zou kunnen doorgaan. Maar dan had em in z'n grote levensambitie gefaald, en op da punt wilden em z'neigen noch d'anderen ontgoochelen. In zekere zin schepten em voldoening in z'n armoedig en eenzaam bestaan. Hij liep z'n woning binnen. Direct kwamen Ahmed Dousika en Ali Sunkalo, struikelend over hun klein, nog onzeker beentsjes, naar hem toegelopen, terwijl Nadié alles uit handen liet vallen om hare meester te begroeten.

 

Wa zou er zonder Nadié van Tiékoro geworden zijn?

 

Een paar dagen na haren aankomst in de stad kon z'al djimita maken, die koekskes van rijstmeel vermengd met honing en kruiden, waar d'inwoners van Djenné en d'handelaars uit Tombouctou en Gao zot van waren, en kolo, broodsjes van in de boter gebakken bonenmeel, en nog ander lekkernijen. Ze was z'op de markt gaan verkopen en had er rap bekendheid mee verworven. Hoe angstiger, koortsachtiger en verbitterder Tiékoro werd, des te rustiger werd Nadié. Haar hagelwitte en lichtshes vooruitstekende tanden verleenden haar gelaat iets van ne glimlach die door haar ernstige, diep in hun kassen verzonken ogen werd tegengesproken. Zij die nochtans ni behaagziek was, had van de Peulvrouwen de gewoonten overgenomen om haar haar met nen overvloed van amberen en kauri-parels te tooien. Nadié was schoon. Haar schoonheid was verrassend als een bloem die ni in het oog valt, maar nen overgetelijke geur verspreid.

 

Op een mat zette ze Tiékoro ne kalebas met rijst en ne kleinere met vissaus voor. Hij trok een vies gezicht.

 

"Hebde niks anders?" vroeg em. "Ik heb wel goesting in wa dègè."

 

"Ge móet eten, kokè," drong z'aan. "Ge weet zelf hoe ziek ge zij geweest vorige winter. Ge zij nog zwak!"

 

Tiékoro haalde z'n schouders op, maar gehoorzaamde. Zij wilde zich terugtrekken om hem ni te storen.

 

"Blijft," zei em. "Wa hebde deze morgend op de markt zoal gehoord?"

 

Zij nam Ali Sunkalo, dien al naar het eten van zijn vader grabbelde, in haar armen.

 

"Ze zeggen dad et tussen Ségoe en de Peul uit Macina binnenkort oorlog word. Amadou Hammadi Boubou geniet nu de steun van nen andere moslimleider: Ousman dan Fodio, van wie em d'opdracht heeft gekregen alle fetisjen kapot te slaan."

 

"En dan?" zei Tiékoro met gespeelde onverschilligheid. "Wij wonen ni in Ségou en evenmin in Macina. Wa kan ons da schelen?"

 

"Amadou Hammadi Boubou wild ook Djenné onderwerpen," sprak ze na een korte stilte. "Volgens hem is den islam hier ontaard en zijn de moskeeën verworden tot oorden des verderfs."

 

"Al ben ik nog zo beducht voor diene fanaticus, ik vrees," zuchtte Tiékoro, "dad hij op da punt gelijk heeft."

 

Hij duwde de kalebassen weg en waste z'n handen in een schaal helder water.

 

"Hoe raar," zei em, "da God's naam de mensen verdeelt! En da terwijl God liefden en almacht is. De schepping is het werk van Zijn liefde en ni van een aardse macht..."

 

Tiékoro hoorde z'neigen een geleerd betoog beginnen gelijk em onder de booggewelven van een universiteit zou hebben gedaan, en zweeg. Hij stond op en Nadié begon af te ruimen. Als er iets was da Tiékoro verdroot, dan wel d'houding van zijn gezellin tegenover den islam. Ze bleef er potdoof voor. Hij kon haar nog geeneens beletten hun kinderen tegen onheil te beschermen met de middelen die hij kenden uit z'n eigen jeugd: ze zaten van kop tot teen onder d'amuletten. Kwam hij onverwachts thuis, dan vond em er soms nen ouwen tandelozen Bambara fetisjpriester dien hij, woedend om z'n eigen zwakheid, ni weg durfde jagen. Verschillende keren had em den boli die zij in nen hoek van de binnenplaats verstopte kapotgeslagen. Maar omda zij diene keer op keer verving, liet em haar nu in arren moede begaan.

 

Na al die jaren samenleven gunde hij haar nog altijd geen rechtspositie: ze bleef zijnen bijzit. Ook had em z'neigen ni de minste moeite getroost om uit te vissen tot welke familie uit Bélédougou zij behoorden en hoe het hun was vergaan. Het gaf hem soms wroeging, maar dan stelde hij z'neigen gerust met de gedachte da zij gelukkig leek. Gelukkig da ze hem mocht dienen, da ze hem kinderen kon schenken. In Djenné had ze zich een plaatske verworven in ne kring bedrijvige, onvermoeibare Bambara vrouwen die huneigen volkomen afsloten voor de plaatselijke zeden.

 

Tiékoro liep naar de tweede kamer die smal en donker was - het licht kon er nieverans binnen - waar zijn dochterken Awa Nya onder een hoopke vodden lag te slapen. Hij nam het kind in zijn armen. Ha, Nadié had nog nen talisman toegevoegd aan degeen die z'al om haren hals en polskes had gehangen! Hij kreeg goesting om die verachtelijke voorwerpen af te rukken. Had de Profeet ni gezegd: "Wie een amulet op z'n lichaam draagt, is nen heiden"?

 

Maar hij weerhield z'neigen: als die dingen Awa Nya konden beschermen, bleef hij der beter af. Hij aanbad z'n dochterke. In zijn zonen zag em toekomstige rechters, maar in z'n dochterke - gelijk in Nadié - niks dan liefde, toegeeflijkheid, bescherming. Hij legden et kind bij zich op z'n eigen slaapmat terwijl em regendruppels op het dak hoorde kletteren. Der kwam maar geen eind aan dees regenseizoen! Zachtsjes dommelde hij in.

 

Nadié had de kinderen, die het liefst in hun blootsjen in de regen hadden gelopen, binnengeroepen en onder de krakkemikkige keukenluifel bracht ze de was, de kalebassen en de voorraad koeiestront in veiligheid. Ze wist hoe stijfkoppig Tiékoro was, en had hem de meest alarmerende geruchten verzwegen.

 

Alle Bambara maakten huneigen op voor de vlucht naar Ségou of hun geboortedorp. Het was ni den eerste keer dat de Bambara Djenné moesten verlaten. Eeuwen geleden had askia Daoud hen al eens uit de stad laten verjagen. Maar al d'officiële verordeningen ten spijt waren er belangrijke nederzettingen gegroeid, vooral in de zuidelijke podo, in de streek van Femay en Derari.

 

Vandaag zag den toestand er hachelijker uit. Volgelingen van Amadou Hammadi Boubou zwierven door de stad; op de hoeken van de straten preekten ze: "Als ge mij zegt da g'uweigen kent, antwoord ekik da ge de materie kent waaruit uw lichaam - romp en hoofd en ledematen - is gemaakt; maar van uwe ziel kende niks!"

 

Ze hadden het over de heidenen en de slechte moslims die zij in 't eeuwig vuur zouden storten zodra ze de stad hadden ingenomen. En Nadié had horen zeggen dat de moslim-broederschappen elkaar naar het leven stonden. Wa was da voor ne god van verdeeldheid en oproer? Tiékoro waande z'neigen beveiligd door zijn bekering tot den islam. Hoe naïef! Nen Bambara - fetisjist of ni - bleef voor hen die de grootheid en de macht van Ségou met lede ogen aankeken altijd nen Bambara! Moesten ze dan de wijk nemen? Nadié was bang voor die onbekende familie die Tiékoro weer in haar netten zou vangen en hem voorhouden da zij maar nen bijzit met een ni bijster roemrijk verleden was; ze zouden eisen dad hij met een meiske van zijne stand zou trouwen. Ze drukte haar zoontsjes tegen zich aan.

 

Tiékoro was nen edelman, ne yèrèwolo, wiens stamboom verloren ging in de nachten der tijden. Eenmaal weer thuis, zou hij mét zijn vader's familiehuis zijne rang, aanzien en gezag terugvinden. En zij - wa zou er van haar terechtkomen onder het oog van de familie en weldra van de wettige echtgenotes? Als koeiestront en kamelekeutels zou ze zijn, goe voor het vuur, maar stinkend en geminacht. Da nooit. Ze ging nog liever dood.

 

 

 

Bespreking

Kenmerken

  • lidwoorden
  • bn. en bez. vnw.: standaardverbuiging + alternatieve verbuiging
  • verkleinwoorden
  • aanw. vnw. diene[n], deze[n], \dez(e) en dees
  • betr. vnw. die(n) voor mannelijk
  • werkwoorduitgang -d enkel als uitspraak [d]
  • uitgang -(e) weglaten in korte woorden als duidelijk
  • da[d] en wa[d] volgens uitspraak
  • ni en goe
  • met altijd voluit
  • em ipv 'em

 

Problemen

  • met zou beter lezen als [mé]
  • leesbaarheid van em [ëm]
  • vorm die van betr. vnw. die(n) voor mannelijk

Forumdiscussie over dit artikel — 9 berichten