1.4 Vliegen en spinnekoppen 3
8. Vliegen en spinnekoppen (vervolg)
versie 1
- minimumscenario
"Wie steekt er eerst over?" vroeg Bilbo.
"Ikke," zei Thorin, "en gij zult met mij mee komen, en Fili en Balin. Dat zijn er zoveel als den boot in ene keer kan dragen. Daarna Kili en Oin en Gloin en Dori; dan Ori en Nori, Bifur en Bofur; en als laatsten Dwalin en Bombur."
"Ik ben altijd laatstes en dat bevalt me niet," zei Bombur. "'t Is iemand anders z'n beurt vandaag."
"Ge zou niet zo dik moeten zijn. Zoals ge zij moete met de laatste en lichtste bootlading mee. Begint niet te protesteren tegen bevelen, of ge zult er niet goed van zijn."
"Der zijn geen roeispanen. Hoe gade den boot terug naar den anderen oever duwen?" vroeg den hobbit.
"Geeft mij nog een stuk koord en nog nen haak," zei Fili, en toen ze hem die gegeven hadden gooide hij den haak hoog in de duisternis voor hen, zo hoog als hij hem kon gooien. Aangezien den haak niet naar beneden viel veronderstelden ze dat hij in de takken was blijven steken. "Stapt nu in," zei Fili, "en haalt de koord in die aan den overkant vast zit. Iemand anders moet den haak vasthouden die we den eerste keer gebruikten, en als we veilig aan den overkant zijn kan 'm dienen aan den boot haken, zodat gijle den boot kunt terugtrekken."
Op die manier bevonden ze zich allemaal al snel veilig en wel aan den anderen oever van den behekste stroom. Dwalin was juist uit den boot geklauterd met d'opgerolde koord op z'nen arm, en Bombur (nog altijd mopperend) ging hem juist achterna komen, toen er iets ergs gebeurde. Op het pad voor hen hoorden ze 't vluchtig geluid van hoeven, en uit de duisternis kwam plots de vorm van een vliegend hert.
versie 2
- zonder eind-t's in dialogen; mé in dialogen
- dad hij
- em ipv 'm
"Wie steekt er eerst over?" vroeg Bilbo.
"Ikke," zei Thorin, "en gij zult mé mij mee komen, en Fili en Balin. Da zijn er zoveel als den boot in ene keer kan dragen. Daarna Kili en Oin en Gloin en Dori; dan Ori en Nori, Bifur en Bofur; en als laatsten Dwalin en Bombur."
"Ik ben altijd laatstes en da bevalt me ni," zei Bombur. "'t Is iemand anders z'n beurt vandaag."
"Ge zou ni zo dik moeten zijn. Gelijk ge zij moete met de laatste en lichtste bootlading mee. Begint ni te protesteren tegen bevelen, of ge zult er ni goe van zijn."
"Der zijn geen roeispanen. Hoe gade den boot terug naar den anderen oever duwen?" vroeg den hobbit.
"Geeft mij nog een stuk koord en nog nen haak," zei Fili, en toen ze hem die gegeven hadden gooide hij den haak hoog in de duisternis voor hen, zo hoog als hij hem kon gooien. Aangezien den haak ni naar beneden viel veronderstelden ze dad hij in de takken was blijven steken. "Stapt nu in," zei Fili, "en haalt de koord in die aan den overkant vast zit. Iemand anders moet den haak vasthouden die we den eerste keer gebruikten, en als we veilig aan den overkant zijn kunnen we dienen aan den boot vasthaken, zoda gijle den boot kunt terugtrekken."
Op die manier bevond het hele gezelschap zich al snel veilig en wel aan den anderen oever van den behekste stroom. Dwalin was juist uit den boot geklauterd met d'opgerolde koord op z'nen arm, en Bombur (nog altijd mopperend) ging hem juist achterna komen, toen er iets gebeurde. Op het pad voor hen hoorden ze 't vluchtig geluid van hoeven, en uit de duisternis kwam plots de vorm van een vluchtend hert te voorschijn. Het stormden op de dwergen af en kegelde ze omver, en maakte zich dan op voor ne sprong. Het sprong zo hoog dad et in ene machtige sprong over het water geraakte. Maar het bereikte den overkant ni ongeschonden. Thorin was den enige dien overeind en bij de pinken was gebleven. Zogauw z'uit den boot gekomen waren had hij ne pijl op z'nen boog gelegd voor 't geval dat er ne verborgen bewaker van den boot te voorschijn zoukomen. Nu schoot hij snel maar precies zijne pijl in het springende beest. Terwijl het den anderen oever bereikte struikelden et dan ook. De schaduwen slokten het op, maar ze hoorden het geluid van de hoeven al snel haperen en dan ophouden.
Nog voor ze hun lof voor Thorin's schot konden uitroepen zette ne jammerende kreet van Bilbo elke gedachte aan hertevlees opzij. "Bombur is in 't water gevallen! Bombur is aan 't verdrinken!" riep hij. Het was maar al te waar. Bombur had nog maar ene voet aan wal toen het hert op hem afkwam en over hem heen sprong. Hij was gestruikeld, daarbij den boot wegduwend van den oever, en dan achterover gevallen in het donker water, z'n handen van de slijmerige wortels aan de rand glijdend terwijl den boot langzaam wegdreef en verdween.
Ze zagen alleen nog zijn kap boven water toen ze terug naar de rand liepen. Ze wierpen vlug een koord met nen haak naar hem. Hij vangde die met z'n hand, en ze trokken hem naar den oever. Hij was natuurlijk doorweekt van z'n haar tot in z'n botten, maar da was ni 't ergste. Toen ze hem op de grond legden was hij al diep in slaap, met eên hand zo om de koord geklemd da ze die ni uit zijne greep konden losmaken. Wa ze ook probeerden, hij bleef diep in slaap.