6.2 Hendrik Marsman - Den overtocht (1926)
Den eenzame zwarten boot
vaard in et holst van de nacht
door nen duisternis, woest en groot
den dood, den dood tegemoet
ik lig diep in et kreunend ruim
koud en bang en alleen
en ik ween om et helder land
dad achter den einder verdween
en ik ween om et duister land
da flauw aan den einder verscheen.
wie door liefde getroffen is
en door et bloed overmand
dien ervoer nog et donkerste ni
diene z'n leven verging ni voorgoe;
want d'uiterste nederlaag
lijd et hart in de strijd met den dood.
o! den tocht naar 't eeuwig land
door nen duisternis somber en groot
in de nooit aflatend' angst
dat den dood et einde ni is
Ik lig ni meer alleen in 't ruim.
den dood heeft mij samengelegd
mej et teder wit kind
dad ik eens in de verren tuin
onuitsprekelijk heb liefgehad.
nu zullen wij samen vergaan.
heur stem in den duisternis zegt:
neemt mijn hand, den donkeren is koud.
neemt mijn hand, den donkeren is groot.
wie de liefde ni samen houd
worden eên in den angst voor den dood.
in ne weerlicht verblind en onthuld
grijpt ne mond nen bevende mond
en een leven van lust en schuld
word wit in dienen duistere stond
waarin alles te niet word gedaa:
angst en bloed, hovaardij en lust,
en mijnen trotste purpere naam
word smetteloos uitgewist
met heure zuivere sneeuwwitte naam.
nu zijn wij bijna vergaan
- is da licht daar et Paradijs?
nu zijn wij bijna vergaan
- is dan alles voorgoe voorbij?
Opmerkingen:
- altijd et
- ww-uitgang -d als [d]
- dien ipv dienen voor zelfst. aanw. vnw.; wel diene laten
- diens ipv diene z'n?
- -(e) toch weggelaten voor ne klinker in aflatend' angst - in gedichten ga da wel
- mej voor ne klinker
- heur ipv haar