6.2 Hendrik Marsman - Den overtocht (1926)

Gecreëerd door Krommenaas. Laatst gewijzigd op 13 november 2009.

Den eenzame zwarten boot

vaard in et holst van de nacht

door nen duisternis, woest en groot

den dood, den dood tegemoet

 

ik lig diep in et kreunend ruim

koud en bang en alleen

en ik ween om et helder land

dad achter den einder verdween

en ik ween om et duister land

da flauw aan den einder verscheen.

 

wie door liefde getroffen is

en door et bloed overmand

dien ervoer nog et donkerste ni

diene z'n leven verging ni voorgoe;

want d'uiterste nederlaag

lijd et hart in de strijd met den dood.

 

o! den tocht naar 't eeuwig land

door nen duisternis somber en groot

in de nooit aflatend' angst

dat den dood et einde ni is

 

 

Ik lig ni meer alleen in 't ruim.

den dood heeft mij samengelegd

mej et teder wit kind

dad ik eens in de verren tuin

onuitsprekelijk heb liefgehad.

 

nu zullen wij samen vergaan.

heur stem in den duisternis zegt:

neemt mijn hand, den donkeren is koud.

neemt mijn hand, den donkeren is groot.

wie de liefde ni samen houd

worden eên in den angst voor den dood.

 

in ne weerlicht verblind en onthuld

grijpt ne mond nen bevende mond

en een leven van lust en schuld

word wit in dienen duistere stond

waarin alles te niet word gedaa:

angst en bloed, hovaardij en lust,

en mijnen trotste purpere naam

word smetteloos uitgewist

met heure zuivere sneeuwwitte naam.

 

nu zijn wij bijna vergaan

- is da licht daar et Paradijs?

nu zijn wij bijna vergaan

- is dan alles voorgoe voorbij?

 

 

 

Opmerkingen:

  • altijd et
  • ww-uitgang -d als [d]
  • dien ipv dienen voor zelfst. aanw. vnw.; wel diene laten
  • diens ipv diene z'n?
  • -(e) toch weggelaten voor ne klinker in aflatend' angst - in gedichten ga da wel
  • mej voor ne klinker
  • heur ipv haar