1.2 Vliegen en spinnekoppen 1
8. Vliegen en spinnekoppen
p138-139
2009.11.08 a
- et zonder begin-h na sterke(re)n uitgang -en en na stemhebbende medeklinker
- dat, wat, niet, met altijd met eind-t
- gene werkwoorduitgang -d
- alternatieve verbuiging van bn
Vliegen en spinnekoppen
Ze liepen in een enkel rij. Den toegang tot het pad was gelijk een portaal dat uitmondde in nen donkeren tunnel, gevormd door twee grote bomen die naar elkaar toe leunden, t'oud en t'omvlochten door klimop en mos om nog meer dan een paar zwarte bladeren te kunnen dragen. Het pad zelf was smal en kronkelde zich tussen de stammen. Het licht van den inkom wier al snel een klein helder plekske ver achter hen, en de stilte zo diep dat hun voeten op de grond leken te trommelen, terwijl de bomen over hen leunden om te luisteren.
Naarmate hun ogen wenden aan d'afwezigheid van licht kosten z'aan weerskanten dieper in den donkergroene schemer turen. Soms lukten et een slanke zonnestraal om door een opening in het bladerdak hoog boven hen te glippen en dan de verstrengelde takken en verwarde twijgen t'ontwijken om zich helder en scherp in de grond voor hun voeten te boren. Maar dat gebeurde zelden en al snel hield het helemaal op.
Der waren zwarte eekhoorns in het woud. Toen Bilbo's scherp onderzoekende ogen aan d'omgeving wenden ving hij glimpen van hen op terwijl ze van het pad glipten en achter boomstammen wegvluchtten. Der waren ook vreemde geluiden; gekreun, geschuifel en geritsel in het kreupelhout en tussen de bladeren die op sommige plaatsen eindeloos dik op den bodem van het woud gestapeld lagen; maar wie of wat die geluiden maakte kon hij niet zien. Het grelligste dat ze zagen waren de spinnewebben: donkere, dicht geweven webben met uitzonderlijk dikke draden, gespannen van boom tot boom of geweven tussen de lagere takken aan weerskanten van het pad. Der waren er geen over het pad gespannen, maar of et magie of iets anders was dat het pad vrijhield kosten ze niet raden.
Het duurde niet lang voor ze 't woud even hartsgrondig kwamen te haten als de tunnels van d'aardmannen, en het leek hun nog minder hoop te bieden op nen uitweg. Maar ze moesten verder en verder, lang nadat ze begonnen te hunkeren naar nen blik op de zon en de lucht en naar het gevoel van wind op hun gezichten. Der was geen beweging in de lucht hier beneden onder het dak van het woud, en het was hier eeuwig stil en donker en muf. Zelfs de dwergen voelden et, zij die gewend waren aan tunnels en dikwijls langen tijd zonder zonlicht leefden; maar den hobbit, die wel van holen hield om een huis in te maken maar niet om zomerdagen in door te brengen, voelde dat hij langzaam verstikt wier.
De nachten waren het ergst. Het wier dan pikkendonker - niet wat ge normaal pikkendonker noemt, maar echt zwart: zo zwart dat g'echt niks kost zien. Bilbo wapperde met een hand vlak voor zijne neus maar kost ze helemaal niet zien. Wel, misschien is et niet waar dat ze helemaal niks zagen: ze zagen ogen. Ze waren allemaal dicht bij elkaar gekropen om te slapen en hielden om beurten de wacht; en toen het Bilbo's beurt was zag hij schijnsels in den duisternis rondom, en soms staarden een paar geel of rooi of groen ogen hem van dichtbij aan, en doofde dan langzaam uit om te verdwijnen en dan weer langzaam op te lichten op een ander plek. En soms schenen z'op hem neer van op de takken boven hem, en dat was het meest angstaanjagende. Maar d'ogen die 'm het minsten aanstonden waren d'afgrijselijk bleke bolvormige ogen. "Insectenogen," dacht 'm, "geen beestenogen. Alleen zijn ze veel te groot".
Opmerkingen
- et/het mengen ni goe
- enkel of dubbel aanhalingstekens voor dialoog? hoe in 't Frans? (ook veel weglatingstekens)
2009.11.08 b
- dad, ni voor klinkers
- dat, niet voor verstemlozende medeklinkers d, g, v, z, zj + voor h
- da, ni voor ander medeklinkers
- et na stemhebbenden eindklinker (bvb. of et) en na sterken uitgang -e(n), anders het
Vliegen en spinnekoppen
Ze liepen in een enkel rij. Den toegang tot het pad was gelijk een portaal dad uitmondden in nen donkeren tunnel, gevormd door twee grote bomen die naar elkaar toe leunden, t'oud en t'omvlochten door klimop en mos om nog meer dan een paar zwarte bladeren te kunnen dragen. Het pad zelf was smal en kronkelde zich tussen de stammen. Het licht van den inkom wier al snel een klein helder plekske ver achter hen, en de stilte zo diep dat hun voeten op de grond leken te trommelen, terwijl de bomen over hen leunden om te luisteren.
Naarmate hun ogen wenden aan d'afwezigheid van licht kosten z'aan weerskanten dieper in den donkergroene schemer turen. Soms lukten et een slanke zonnestraal om door een opening in het bladerdak hoog boven hen te glippen en dan de verstrengelde takken en verwarde twijgen t'ontwijken om zich helder en scherp in de grond voor hun voeten te boren. Maar dat gebeurde zelden en al snel hield het helemaal op.
Der waren zwarte eekhoorns in het woud. Toen Bilbo's scherp onderzoekende ogen aan d'omgeving wenden ving hij glimpen van hen op terwijl ze van het pad glipten en achter boomstammen vluchtten. Der waren ook vreemde geluiden, gekreun, geschuifel en geritsel in het kreupelhout en tussen de bladeren die op sommige plaatsen eindeloos dik op den bodem van het woud gestapeld lagen; maar wie of wat die geluiden maakte kon hij niet zien. Het grelligste dat ze zagen waren de spinnewebben: donkere, dicht geweven webben met uitzonderlijk dikke draden, gespannen van boom tot boom of geweven tussen de lagere takken aan weerskanten van het pad. Der waren er geen over het pad gespannen, maar of et magie of iets anders was dad et pad vrijhield kosten ze ni raden.
Het duurde ni lang voor ze 't woud even hartsgrondig kwamen te haten als de tunnels van d'aardmannen, en het leek hun nog minder hoop te bieden op nen uitweg. Maar ze moesten verder en verder, lang nadat ze begosten te hunkeren naar nen blik op de zon en de lucht en naar het gevoel van wind op hun gezichten. Der was geen beweging in de lucht hier beneden onder het dak van het woud, en het was hier eeuwig stil en donker en muf. Zelfs de dwergen voelden het, zij die gewend waren aan tunnels en dikwijls langen tijd zonder zonlicht leefden; maar den hobbit, die wel van holen hield om een huis in te maken maar ni om zomerdagen in door te brengen, voelde dad ij langzaam verstikt wier.
De nachten waren het ergst. Het wier dan pikkendonker - ni wat ge normaal pikkendonker noemt, maar echt zwart: zo zwart dat g'echt niks kost zien. Bilbo wapperde met een hand vlak voor zijne neus maar kost ze helemaal niet zien. Wel, misschien is et ni waar dat ze helemaal niks zagen: ze zagen ogen. Ze waren allemaal dicht bij elkaar gekropen om te slapen en hielden om beurten de wacht; en toen het Bilbo's beurt was zag hij schijnsels in den duisternis rondom, en soms staarden een paar geel of rooi of groen ogen hem van dichtbij aan, en doofde dan langzaam uit om te verdwijnen en dan weer langzaam op te lichten op een ander plek. En soms schenen z'op hem neer van op de takken boven hem, en da was het meest angstaanjagende. Maar d'ogen die 'm het minsten aanstonden waren d'afgrijselijk bleke bolvormige ogen. 'Insectenogen,' dacht 'm, 'geen beestenogen; alleen zijn ze veel te groot'.
2009.11.08 c
- dad, ni voor klinkers
- dad voor h
- dat, ni voor d
- da, ni voor al d'ander medeklinkers
- het aan begin van ne zin of na een komma, anders et
- hij / ij idem
Vliegen en spinnekoppen
Ze liepen in een enkel rij. Den toegang tot et pad was gelijk een portaal dad uitmondden in nen donkeren tunnel, gevormd door twee grote bomen die naar elkaar toe leunden, t'oud en t'omvlochten door klimop en mos om nog meer dan een paar zwarte bladeren te kunnen dragen. Het pad zelf was smal en kronkelde zich tussen de stammen voort. Het licht van den inkom wier al snel een klein helder plekske ver achter hen, en de stilte zo diep dad hun voeten op de grond leken te trommelen, terwijl de bomen over hen leunden om te luisteren.
Naarmate hun ogen aan d'afwezigheid van licht wenden kosten z'aan weerskanten dieper in den donkergroene schemer turen. Soms lukten et een slanke zonnestraal om door een opening in et bladerdak hoog boven hen te glippen en dan de verstrengelde takken en verwarde twijgen t'ontwijken om zich helder en scherp in de grond voor hun voeten te boren. Maar da gebeurde zelden en al snel hield et helemaal op.
Der waren zwarte eekhoorns in et woud. Toen Bilbo's scherp onderzoekende ogen aan d'omgeving wenden ving hij glimpen van hen op terwijl ze van et pad glipten en achter boomstammen wegvluchtten. Der waren ook vreemde geluiden, gekreun, geschuifel en geritsel in et kreupelhout en tussen de bladeren die op sommige plaatsen eindeloos dik op den bodem van et woud gestapeld lagen; maar wie of wat die geluiden maakte kost 'm ni zien. Het grelligste da ze zagen waren de spinnewebben: donkere, dicht geweven webben met uitzonderlijk dikke draden, gespannen van boom tot boom of geweven tussen de lagere takken aan weerskanten van et pad. Der waren er geen over et pad gespannen, maar of et magie of iets anders was dad et pad vrijhield kosten ze ni raden.
Het duurde ni lang voor ze 't woud even hartsgrondig kwamen te haten als de tunnels van d'aardmannen, en et leek hun nog minder hoop te bieden op nen uitweg. Maar ze moesten verder en verder, lang nada ze begosten te hunkeren naar nen blik op de zon en den hemel en naar et gevoel van wind op hun gezichten. Der was geen beweging in de lucht hier beneden onder et dak van et woud, en et was hier eeuwig stil en donker en muf. Zelfs de dwergen voelden et , zij die gewend waren aan tunnels en dikwijls langen tijd zonder zonlicht leefden; maar den hobbit, dië wel van holen hield om een huis in te maken maar ni om zomerdagen in door te brengen, voelde dad ij langzaam verstikt wier.
De nachten waren et ergst. Het wier dan pikkendonker - ni wa ge normaal pikkendonker noemt maar echt zwart: zo zwart da g'echt niks kost zien. Bilbo wapperde met een hand vlak voor zijne neus maar kost ze helemaal ni zien. Wel, misschien is et ni waar da ze helemaal niks zagen: ze zagen ogen. Ze waren allemaal dicht bij elkaar gekropen om te slapen en hielden om beurten de wacht; en toen et Bilbo's beurt was zag hij schijnsels in den duisternis rondom, en soms staarden een paar geel of rooi of groen ogen hem van dichtbij aan, en doofde dan langzaam uit om te verdwijnen en dan weer langzaam op te lichten op een ander plek. En soms schenen z'op hem neer van op de takken boven hem, en da was et meest angstaanjagende. Maar d'ogen die 'm et minsten aanstonden waren d'afgrijselijk bleke bolvormige ogen. "Insectenogen," dacht 'm, "geen beestenogen; alleen zijn ze veel te groot".
Forumdiscussie over
dit artikel — 37 berichten