13.5 Onvoltooid verleden tijd
De onvoltooid verleden tijd of OVT geeft acties in het verleden aan: ik liep, gij werkte, ze vroeg, ... . Voor het vormen van de OVT onderscheiden we, net als in het Nederlands, twee soorten werkwoorden: zwakke en sterke.
13.5.1 Zwakke werkwoorden
De OVT van zwakke werkwoorden wordt gevormd met dezelfde stam S als de OTT; enkel de uitgangen verschillen. Net als bij de OTT van gewone werkwoorden hangen de uitgangen van de OVT-vervoeging af van de laatste klank van de stam S. Er zijn twee mogelijkheden:
- als de stam S eindigt op een stemloze medeklinker (ch, f, k, p, s, sj of t), zoals in lachen, stoefen, werken, stompen, botsen en stuiten, dan is de OVT-vervoeging als volgt:
| gewoon | inversie |
| ik S+te(n) | S+te(n) ekik |
| gij S+te(n) | S+te(n) gij |
| hij S+te(n) | S+te(n) hij |
| wij S+ten | S+ten wij |
| gijle S+te(n) | S+te(n) gijle |
| zij S+ten | S+ten zij |
- als de stam S eindigt op een stemhebbende medeklinker of een klinker, zoals in wagen, wennen, zweven en reizen, dan is de OVT-vervoeging:
| gewoon | inversie |
| ik S+de(n) | S+de(n) ekik |
| gij S+de(n) | S+de(n) gij |
| hij S+de(n) | S+de(n) hij |
| wij S+den | S+den wij |
| gijle S+de(n) | S+de(n) gijle |
| zij S+den | S+den zij |
Het enige verschil tussen de beide gevallen is dat de werkwoorduitgangen in het tweede geval een d hebben waar ze in het eerste geval een -t hebben. Als voorbeeld geven we de OVT-vervoeging van stoefen:
| gewoon | inversie |
| ik stoefte(n) | stoefte(n) ekik |
| gij stoefte(n) | stoefte(n) gij |
| hij stoefte(n) | stoefte(n) hij |
| wij stoeften | stoeften wij |
| gijle stoefte(n) | stoefte(n) gijle |
| zij stoeften | stoeften zij |
De OVT-vervoeging van zwakke werkwoorden heeft maar twee verschillende vormen: één met de sterke uitgang -e(n) voor de enkelvouden en de tweede persoon meervoud (gijle), en één met de sterkere uitgang -en voor de eerste en derde persoon meervoud (wij en zij).
In de praktijk betekent dit dat we bij wij en zij altijd de eind-n schrijven, en in de andere gevallen enkel wanneer het werkwoord gevolgd wordt door een werkwoord. Voorbeelden:
- hij stoefte meh' z'ne nieuwe motto
- hij stoeften altijd meh' z'ne motto
- wij stoeften meh onzen auto
13.5.2 Sterke werkwoorden
De OVT van sterke werkwoorden wordt gevormd op basis van een stam V die verschilt van de OTT-stam S. De OVT-stam van blijven is bijvoorbeeld bleef, en die van zwemmen is zwom. Om de OVT te vormen krijgt deze stam de volgende uitgangen:
| gewoon | inversie |
| ik V | V ekik |
| gij V | V+t(e) / V+d(e) gij |
| hij V | V hij |
| wij V+en | V+en wij |
| gijle V | V+t(e) / V+d(e) gijle |
| zij V+en | V+en zij |
De uitgang van de gij- en gijle-vormen is weer afhankelijk van de laatste klank van de stam: is dat een stemloze medeklinker dan gebruikt de uitgang een t, en anders een d. Als voorbeeld geven we de OVT-vervoeging van blijven, waarvan de OVT-stam V gelijk is aan bleev. De eindklank van die stam is een v en dus stemhebbend. Zoals overal wordt de v hier als een f geschreven vóór een medeklinker en aan het einde van een woord, hetgeen verwarrend kan zijn.
| gewoon | inversie |
| ik bleef | bleef ekik |
| gij bleef | bleefd(e) gij |
| hij bleef | bleef hij |
| wij bleven | bleven wij |
| gijle bleef | bleefd(e) gijle |
| zij bleven | bleven zij |
Voorbeelden:
- toen bleef ekik alleen over
- waarom bleefde gijle daar staan?
- wa liepte gij daar te doen?
- gijle liep in de weg
Net als in de OTT valt de zwakke uitgang -(e) bij inversie in de tweede persoon daadwerkelijk weg wanneer we er geen persoonlijk voornaamwoord gebruiken en het volgende woord met een klinker begint:
- bleefde gij alleen over? (bleef jij alleen over?)
- bleefd' alleen over? (bleef je alleen over?)
- keekte gijlen iederen dag naar da programma? (keken jullie elke dag naar...)
- keekt' er op zondag ook naar? (keek je er op zondag ook naar?)
Forumdiscussie over
dit artikel — 13 berichten

