1.1 Onderwerpsvormen
Het systeem van onderwerpsvormen is in bijna heel het Brabants taalgebied uniform, met uizondering van:
->de klinker is gewoonlijk lang in de driehoek Mechelen-Leuven-Pajottenland, verkort in de rest, en gerond tot /ö/ in de streek rond Antwerpen (Stadsantwerps: /o/). Voorbeeld: resp. gijle, gelle, gölle (golle); heule <*heur-lie, hölle, (Antw. hun, "boerrekes" zöll(i)e). Alleen de twee eerste zijn hier telkens opgenomen.
->het achtervoegsel is -le in bijna al het Brabants. De volle vorm -lie komt nog voor tegen de Nederlandse grens, rond Turnhout en rond Mol, maar is hier niet opgenomen wegens te weinig verspreid.
1.1.1 Vóór het werkwoord
NB: de hier vernoemde vormen gelden alleen vóór het werkwoord; na het werkwoord is er dikwijls verdubbeling, zie hieronder.
| vol | gereduceerd | |
| 1e pers. enk. | ik | ek, 'k |
| 2e pers. enk. | gij | g(e) |
| 3e pers. enk. | hij | - |
| zij | z(e) | |
| et | 't | |
| 1e pers. mv. | wijle/welle | m(e), w(e) |
| 2e pers. mv. | gijle/gelle | g(e) |
| 3e pers. mv. | zijle/zelle | z(e) |
In sommige dialecten komt nog een halfgereduceerde vorm voor van de vormen eindigend op ij, met verkorte klinker ((h)à, wà, gà e.d.). In het Algemeen Vlaams wordt deze gewoonlijk als volle vorm geïnterpreteerd, in het Noord-Nederlands stemt deze dikwijls overeen met de gereduceerde.
G' hed mà gezien
AV G' hed mij gezien
AN Je hebt me gezien
Achter het werkwoord
| gereduceerd | |
| 1e pers. enk. | ek, 'k |
| 2e pers. enk. | -(e) |
| 3e pers. enk. | 'm/'n |
| z(e) | |
| 't | |
| 1e pers. mv. | m(e) |
| 2e pers. mv. | -(e) |
| 3e pers. mv. | z(e) |
De vorm 'n komt vooral in Vl-Brabant voor.
De volle vormen zijn dezelfde als zonder inversie, alleen worden ze dikwijls voorafgegaan door de gereduceerde vorm (verdubbeling).
Dit is verplicht in de 2de persoon:
-> Veurwa doede gij da nou.
-> Zedde gelle daar zeker van?
Eveneens verplicht in de 1ste persoon enkelvoud:
-> Hem ekik de sleutels (of hedde gij ze)?
Ek of 'k gevolgd door ik schrijven we aan elkaar: ekik/'kik.
In de 1ste persoon mv. slechts sporadisch, in de 3de persoon nooit.
NB Dezelfde vormen die we kregen na het werkwoord, komen soms ook voor na de kleine functiewoordjes "a'"/"as" ("als") en da[d], eender in welke functie ze gebruikt worden.
Altijd in de 3de persoon enk.
-> 't Is stom dat 'm/'n da' doe!
-> As 'm/'n da' zee, zal 't zoe wel zijn zekerst?
Oók in de 1ste persoon:
-> Ze vraagd ofda 'kik meekom.
-> A 'kik oe da' vertel, wa krijg ek dan?
-> "da me", "a me", slechts zelden we.
Slechts zelden in de tweede persoon ("adde (gij)", "dadde (gij)"), hier overwegend de "gewone" vorm gij/ge zonder verdubbeling.
Forumdiscussie over
Brabants — 18 berichten